GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [APPELLANT], wonend te [woonplaats], APPELLANT, advocaat: mr. C.A.W.M. Fiscalini, gevestigd te Huis ter Heide, t e g e n [GEÏNTIMEERDE], wonend te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. I.M.F. van Emstede, gevestigd te Amsterdam. De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] genoemd. 1. Het geding in hoger beroep 1.1 Bij dagvaarding van 10 mei 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de ¬rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 15 maart 2010, in deze zaak onder rolnum¬mer CV 09-9735 gewezen tussen [appellant] als opposant en [geïntimeerde] als geopposeerde. 1.2 [appellant] heeft bij memorie twee grieven geformuleerd en toegelicht met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzet van [appellant] tegen het vonnis van 20 november 2008 met rolnummer CV 08-33565 alsnog gegrond zal verklaren en daarmee de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. 1.3 Daarop heeft [geïntimeerde] geantwoord, beschei¬den in het geding gebracht en bewijs aangeboden met conclu¬sie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. 1.4 Ten slotte is arrest gevraagd. 2. Beoordeling 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.9 een aantal feiten in deze zaak vastgesteld. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 2.2 Kort gezegd gaat het in deze procedure om het volgende. 2.2.1 [appellant] heeft een winkelruimte gehuurd aan de [adres]te [stad]. De ingangsdatum van de huur was 1 juni 2007. Op 1 juni 2007 was de voor een juiste oplevering noodzakelijke verbouwing echter nog niet gereed. In verband daarmee heeft [appellant] zo lang met [geïntimeerde] een tijdelijke gebruikersovereenkomst gesloten met betrekking tot een ruimte aan de [adres]te [stad]. [geïntimeerde] is een broer van [X]. Laatstgenoemde is indirect – via Metroprop B.V. – bestuurder en enig aandeelhouder van Karioka B.V. Bij het sluiten van de gebruikersovereenkomst met betrekking tot het pand aan de [adres] werd [geïntimeerde] vertegenwoordigd door Metroprop B.V. 2.2.2 [appellant] is met betrekking tot het pand aan de [adres] een huur van € 1.750,- per maand overeengekomen. Uiteindelijk is de oplevering van het pand aan de [adres] in februari 2008 geëffectueerd. 2.2.3 [appellant] heeft in verband met zijn verplichting huur te betalen voor het pand aan [adres] jegens Karioka B.V. een beroep op een opschortingsbevoegdheid gedaan. Hij is op vordering van Karioka B.V. bij vonnis van 18 januari 2010 (rolnummer CV 08-33559) onder meer veroordeeld tot betaling van zijn huurachterstand. 2.3 In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] betaling van de achterstallige huur met betrekking tot het pand aan de [adres] gevorderd. De kantonrechter heeft deze vordering in een verstekvonnis van 20 november 2008 toegewezen. 2.4 Hierop is [appellant] in verzet gekomen. [appellant] stelt ook de betaling van huurpenningen in verband met het onderhavige pand te hebben opgeschort wegens, kort gezegd, de te late oplevering van het pand aan de [adres]. De kantonrechter heeft het beroep op opschorting van [appellant] jegens [geïntimeerde] verworpen en het verzet tegen het toewijzende verstekvonnis ongegrond verklaard. Hiertegen richt [appellant] zijn grieven. 2.5 Met grief I bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat er onvoldoende samenhang is tussen de verplichting van [appellant] tot betaling van huurpenningen ten aanzien van het pand aan de [adres] enerzijds en de (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.