zaaknummer 200.070.288/01 28 juni 2011 (bij vervroeging) GERECHTSHOF TE AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: 1. [ APPELLANT 1 ], 2. [ APPELLANT 2 ], wonende te [ L ], APPELLANTEN, advocaat: mr. A.C. van Schaick te Tilburg, t e g e n 1. [ GEÏNTIMEERDE 1 ], wonende te [ R ], 2. [ GEÏNTIMEERDE 2 ], wonende te [ D ], [ Land ], GEÏNTIMEERDEN, advocaat: mr. C.E. Houtkooper te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna [ Appellanten ] en [ Geïntimeerden ] genoemd. Bij dagvaarding van 23 juni 2010 zijn [ Appellanten ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 429044/HA ZA 09-1732 gewezen tussen hen als eisers en [ Geïntimeerden ] als gedaagden. Bij memorie van grieven hebben [ Appellanten ] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd, hun eis vermeerderd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, hun vermeerderde eis zal toewijzen, met veroordeling van [ Geïntimeerden ] tot terugbetaling van € 1.166,- met rente, en in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente. Bij memorie van antwoord hebben [ Geïntimeerden ] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, het bij wijze van eisvermeerdering gevorderde zal afwijzen en [ Appellanten ] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en rente. Op 26 mei 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun advocaten. Zijdens [ Geïntimeerden ] is tevens gepleit door mr. P.M. Vos, advocaat te Amsterdam. Van beide zijden zijn pleitaantekeningen overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. 2. Beoordeling 2.1 De rechtbank heeft in het vonnis onder rov. 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. a. [ Geïntimeerden ] zijn gezamenlijk eigenaars van het landgoed [ L ], gelegen aan de [ adres ] te [ plaatsnaam ], kadastraal bekend als gemeente [ L ], sectie [ ], nummer [ ], en van enige nabij dit landgoed gelegen percelen. b. [ Appellanten ] zijn gezamenlijk eigenaars van een perceel, gelegen aan de [ adres ] te [ L ], kadastraal bekend als gemeente [ L ], sectie [ ], nummer [ 9 ](hierna: perceel [ X ]) en van het daarop staande woonhuis, dat zij bewonen. c. Bij notariële akte van 1 mei 1886 is een recht van erfdienstbaarheid gevestigd, dat - volgens de dagregisters waarin de akte op 24 oktober 1921 opnieuw is ingeschreven en overgeschreven - als volgt is omschreven: "De kadastrale nummers 2108, 2112, 2113, 226, 229 en 232 van sectie A gemeente Laren, deel uitmakende van de perceelen onder f. omschreven worden belast met de erfdienstbaarheid, dat daarop nimmer eenige gebouwen, werken, beplantingen of eenige andere verhevenheden mogen gesticht of geplaatst worden die het uitzicht van de heerenhuizing cum annexis belemmeren en wel speciaal ten behoeve van de kadastrale nummers 1846, 2096, 2095, 1442, 1445, 1446, 2106, 2105, 2104, 1453, 2109 van sectie A gemeente Laren." d. [ Appellanten ] hebben perceel [ X ] geleverd gekregen bij notariële akte van 19 juli 2006. In die akte is de akte van 1 mei 1886 genoemd (zij het met vermelding van het jaartal 1888 in plaats van 1886), is de daarin opgenomen omschrijving van de erfdienstbaarheid weergegeven (zij het zonder de woorden "werken, beplantingen of eenige andere verhevenheden") en is vermeld dat [ Appellanten ] verklaren deze erfdienstbaarheid te aanvaarden. e. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren aan Kuijpers een bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van het woonhuis op perceel [ X ]. f. Op vordering van [ Geïntimeerden ] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 16 april 2009 [ Appellanten ] bij verstek onder meer bevolen zich te gedragen conform het bij notariële akte van 1 mei 1886 gevestigde recht van erfdienstbaarheid en hem verboden de plannen uit te voeren waarvoor de bouwvergunning is verleend. 2.3 [ Appellanten ] hebben in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, gevorderd: 1. primair te verklaren voor recht dat perceel [ X ] niet meer is belast met de erfdienstbaarheid, subsidiair de erfdienstbaarheid te wijzigen; 2. te verklaren dat de inschrijving van de erfdienstbaarheid waardeloos is, indien [ Geïntimeerden ] geen verklaring van waardeloosheid afgeven; 3. [ Geïntimeerden ] te veroordelen tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, die [ Appellanten ] hebben geleden en zullen lijden door de executie van het vonnis van de voorzieningenrechter; 4. [ Geïntimeerden ] te veroordelen tot betaling van € 1.215,28, met rente; 5. [ Geïntimeerden ] te veroordelen in de proceskosten, met nakosten en rente. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep hebben [ Appellanten ] hun vordering sub 1 vermeerderd met de meer subsidiaire eis dat het hof a. voor recht verklaart dat de gebouwen die [ Appellanten ] willen oprichten niet in strijd komen met de erfdienstbaarheid; b. voor recht verklaart dat gebouwen die zijn of zullen worden opgericht op perceel [ X ] niet in strijd komen met de erfdienstbaarheid voorzover zij schuilgaan achter bebossing en bomenrijen en c. [ Geïntimeerden ] gebiedt zich te onthouden van executiemaatregelen uit hoofde van het vonnis van de voorzieningenrechter voorzover deze in verband staan met deze bebouwing, op straffe van verbeurte van dwangsommen. 2.4 Grief 1 is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het standpunt van [ Appellanten ] dat de rechtsvoorgangers van [ Geïntimeerden ] (stilzwijgend) afstand hebben gedaan van de erfdienstbaarheid. [ Appellanten ] hebben ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat het perceel van [ Appellanten ] in 1921 is verhandeld als "bouwland", dat het perceel in 1953 is bebouwd, dat (de rechtsvoorgangers van) [ Geïntimeerden ] de tussen de het herenhuis en [ X ] liggende percelen in elk geval sinds de jaren veertig hebben beplant met bos dat het uitzicht wegnam, zodat er al gedurende vele tientallen jaren vanuit het herenhuis geen zicht meer is op perceel [ X ], dat in een akte van 21 januari 1926 sprake is van een "eventueele" erfdienstbaarheid en dat in een "visiedocument" over het landgoed sprake is van "hoogopgaande bosbeplanting". 2.5 Ook onder het tot 1992 geldende recht is voor een geslaagd beroep op afstand van recht in elk geval vereist dat degene die door het recht gebonden is uit verklaringen of gedragingen van de rechthebbende redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de gerechtigde zijn recht heeft prijsgegeven. Naar algemeen spraakgebruik wordt met het woord "bouwland" niet gedoeld op grond die bestemd is om er gebouwen of bouwwerken op te bouwen, maar op grond die bestemd is om er gewassen op te verbouwen. Indien de bebouwing van 1953 inbreuk maakte op de erfdienstbaarheid, kan uit die enkele omstandigheid redelijkerwijs niet worden afgeleid dat de rechthebbende op de erfdienstbaarheid afstand deed van het recht zich te verzetten tegen andere inbreuken op zijn recht. Voorzover een toenmalige rechthebbende bomen heeft geplant die het uitzicht op perceel [ X ] wegnamen, kan daaruit evenmin worden afgeleid dat de rechthebbende afstand deed van zijn recht op uitzicht. Rekening moest immers worden gehouden met de mogelijkheid dat de rechthebbende zich het recht voorbehield (een deel van) de bomen weer te verwijderen, of zodanig te snoeien dat de erfdienstbaarheid niet wordt aangetast. De omstandigheid dat in een akte met betrekking tot een transport tussen partijen die in dit geding niet zijn betrokken, sprake is van een "eventueele" erfdienstbaarheid wijst er juist op dat degenen die bij die akte betrokken waren, rekening hielden met de mogelijkheid dat de erfdienstbaarheid nog bestond. Deze omstandigheid draagt dus niet bij aan de rechtvaardiging van de veronderstelling dat de rechthebbende zijn recht heeft prijsgegeven. De omstandigheid dat in het (concept) "visiedocument" sprake is van hoogopgaande bosbeplanting, wijst niet op afstand van recht, te minder nu daar in één adem tevens gesproken wordt van een "parktuin die open is van karakter". Ook in samenhang beschouwd zijn de omstandigheden waarop [ Appellanten ] zich hebben beroepen, ontoereikend om te kunnen aannemen dat op enig moment sprake is geweest van afstand van recht. Grief 1 faalt. 2.6 Grief 2 is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het standpunt van [ Appellanten ] dat de erfdienstbaarheid is vervallen door non-usus en/of door verjaring. Aan dit standpunt hebben zij de stelling ten grondslag gelegd dat sinds uiterlijk 1949 vanuit het herenhuis geen zicht heeft bestaan op perceel [ X ], althans niet op het gedeelte dat [ Appellanten ] thans wensen te bebouwen, doordat op een of meer tussenliggende perceel/percelen en/of op de erfgrens van de percelen [ Z ] en [ X ] een bos en/of een of meer bomenrij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.