GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 26 juli 2011 in de zaak onder nummer 200.079.185/01 GDW van: [klager], wonende te [ ], APPELLANT, gemachtigde: A.L.M. Gobits, t e g e n 1. [de gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder te [ ], 2. [de waarnemend gerechtsdeurwaarder], waarnemend gerechtsdeurwaarder te [ ], 3. [de kandidaat gerechtsdeurwaarder], kandidaat gerechtsdeurwaarder te [ ], GEÏNTIMEERDEN, gemachtigde: F.J.A.M. Pijnenburg. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 21 december 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 30 november 2010, waarbij de kamer de klacht van klager tegen geïntimeerden, verder de gerechtsdeurwaarders, gegrond heeft verklaard en is afgezien van het opleggen van een maatregel. 1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 21 januari 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 april 2011. De beide gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klager 4.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders - kort gezegd – dat zij niets hebben gedaan met de meldingen van klager dat hij bedreigd werd door de schuldeiser. Dat de situatie is geëscaleerd, waarbij klager daadwerkelijk mishandeld werd door de schuldeiser, is volgens klager mede veroorzaakt door het passieve gedrag van de gerechtsdeurwaarders. 4.2. Voorts maakt klager de gerechtsdeurwaarders een verwijt over de toonzetting in de brief van 12 maart 2010. Klager meent dat deze toonzetting een gerechtdeurwaarder onwaardig is. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders De gerechtsdeurwaarders voeren aan dat de schuldeiser niet hun directe opdrachtgever was, maar het door hem ingeschakelde incassobureau. Alle brieven van klager zijn dan ook direct doorgezonden naar dit incassobureau. Volgens de gerechtsdeurwaarders hebben zij hiermee voldoende adequaat gereageerd op de mededelingen van klager dat hij bedreigd werd. Ten aanzien van de woordkeuze in de brief van 12 maart 2010 merken de gerechtsdeurwaarders op dat deze inderdaad wellicht anders had gekund. De gerechtsdeurwaarders menen dat hen geen enkel klachtwaardig handelen verweten kan worden. 6. De beoordeling 6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt, met uitzondering van het navolgende. 6.2. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat het opleggen van een maatregel niet achterwege kan blijven. De gerechtsdeurwaarders stellen - terecht - dat zij met het doorsturen van de correspondentie van klager naar het door de schuldeiser ingeschakelde incassobureau, adequaat gehandeld hebben. Hen kan echter wel verweten worden dat zij klager of zijn gemachtigde hierover te laat hebben ingelicht. Van de gerechtsdeurwaarders had verwacht mogen worden dat zij na kennisneming van de door de gemachtigde van klager geschreven brief van 20 oktober 2009, waarin is vermeld dat klager door de schuldeiser was lastiggevallen, de situatie zoals door klager geschetst serieus zouden nemen. De door hen ingenomen passieve houding is daarbij niet op zijn plaats. Uit de brief van de gemachtigde van klager blijkt dat deze ervan uitging dat de schuldeiser de rechtstreekse opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders was. De gerechtsdeurwaarders hadden de gemachtigde van klager onverwijld dienen te informeren dat zij de brief van 20 oktober 2009 aan hun opdrachtgever, niet de schuldeiser, maar diens incassobureau hadden doorgestuurd. Dat de gerechtsdeurwaarders eerst bij brief van 23 november 2009 naar de gemachtigde van klager hebben gereageerd op de brief van 20 augustus 2009 van de gemachtigde van klager en de hiervoor genoemde brief van 20 oktober 2009, is op zichzelf al tuchtrechtelijk laakbaar. Met de kamer is het hof voorts van oordeel dat de in de brief van 12 maart 2010 opgenomen,passage: “Een klacht indienen op basis van deze casus tegen een van onze deurwaarder wordt door ons gezien als misbruik/chantage en levert ons inziens klachtwaardig handelen van uzelf op” onbehoorlijk is. Een dergelijke wijze van communiceren acht het hof niet passend voor een gerechtsdeurwaarder. 6.3. Het hof is van oordeel dat dit handelen van de gerechtsdeurwaarders dermate laakbaar is dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden. 6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven. 6.5. Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: - vernietigt de beslissing van de kamer voor wat betreft het niet opleggen van een maatregel en, in zoverre, opnieuw rechtdoende: - legt de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op; - bevestigt de beslissing voor het overige. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 juli 2011 door de rolraadsheer. KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM Beslissing van 30 november 2010 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 207.2010 ingesteld door: [ [, wonende te [ ], klager, gemachtigde [ ], tegen: [ ], [ ] en [ ], respectievelijk verbonden als gerechtsdeurwaarder; waarnemend gerechtsdeurwaarder en kandidaat gerechtsdeurwaarder aan [ ] Gerechtsdeurwaarders (hierna: [ ]), vestiging [ ], beklaagden. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief met bijlagen van 16 maart 2010, ingekomen op 19 maart 2010, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders. Bij aangehechte brief van 22 april 2010, ingekomen op 23 april 2010, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2010. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 30 november 2010. 1. De feiten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.