zaaknummer 200.070.828/01 22 november 2011 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [APPELLANT], wonende te [woonplaats], APPELLANT, advocaat: mr. N.E.P. Gustings te Den Haag, t e g e n [GEÏNTIMEERDE], wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. F.-N. Grooss te Den Haag. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. Bij dagvaarding van 16 juli 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 390348 / HA ZA 08-460 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en alsnog, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, dan wel de vordering van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties. [appellant] heeft een akte genomen en [geïntimeerde] een antwoordakte. Ten slotte is arrest gevraagd. 2. Beoordeling 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, gelet ook op de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen het volgende vast. a. [geïntimeerde] is de voormalige levenspartner van [W. E.] (hierna: [W.E.]), die op 17 mei 2004 is overleden. Uit hun relatie is op 19 maart 1997 [E.E.] geboren. [geïntimeerde] is als wettelijk vertegenwoordigster van [E.E.] betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van [W.E.]. b. Vanaf 1 oktober 1995 heeft [geïntimeerde] een modewinkel gedreven in een pand aan de [adres] te [gemeente]. Het pand was in eigendom van Exordium Properties B.V. (hierna: Exordium). [W.E.] was directeur van Exordium. Na zijn overlijden heeft Exordium bij [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op maandelijkse huurbetaling. c. Na het overlijden van [W.E.] heeft [appellant] [geïntimeerde] bijgestaan. Hij is opgekomen voor zakelijke belangen van [geïntimeerde] en [E.E.], onder meer bij de afwikkeling van de nalatenschap van [W.E.] en bij verwikkelingen rond de huurovereenkomst met Exordium. d. In de periode oktober 2005-september 2007 heeft [geïntimeerde] betalingen van in totaal € 497.731,54 gedaan aan een bankrekening van [appellant]. Deze betalingen zijn meestal gedaan onder vermelding van de aanduidingen "[K. not]" en hetzij "huur", hetzij "[naam]", hetzij "[adres]". Eerstgenoemde aanduiding verwijst naar notaris [K.] te [gemeente]. Er is geen huur voor de winkel aan de [adres] (door)betaald aan Exordium. e. Eerst in verband met de voorgenomen aankoop van een woning aan de [adres] te [gemeente], die niet is doorgegaan, en later in verband met de aankoop van een woning aan de [adres] te [gemeente], heeft [geïntimeerde] gelden overgemaakt of doen overmaken naar voornoemde notaris [K.]. Na de aankoop van laatstbedoelde woning resteerde volgens de eindnota van notaris [K.] een bedrag van € 90.813,44. Conform een schriftelijke instructie van [appellant] van 13 december 2006 (voorzien van een al dan niet echte handtekening van [geïntimeerde]) heeft notaris [K.] dit bedrag overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. [appellant] heeft dit bedrag niet doorbetaald aan [geïntimeerde]. f. Op 1 augustus 2006, 28 september 2006 en 1 november 2006 zijn van een bankrekening die op naam staat van Museum Vastgoed Groep B.V. bedragen van in totaal € 70.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. Hierbij is vermeld dat dit opnamen waren ten behoeve van [E.E.]. Deze bedragen zijn niet doorbetaald aan [geïntimeerde] pro se of als wettelijk vertegenwoordigster van [E.E.]. g. Op 14 november 2006 en 12 december 2006 zijn van een bankrekening die op naam staat van "Beheer Derdengelden [geïntimeerde]/[E.E.]" bedragen van in totaal € 20.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. Deze bedragen zijn niet doorbetaald aan [geïntimeerde] pro se of als wettelijk vertegenwoordigster van [E.E.]. h. Op 19 oktober 2005 heeft Elmala Beheer B.V. (hierna: Elmala) € 22.620,00 overgemaakt naar de bankrekening van [appellant]. Dit bedrag is niet doorbetaald aan [geïntimeerde]. i. Op 17 december 2007 heeft [geïntimeerde] aangifte tegen [appellant] gedaan van onder meer verduistering, oplichting en valsheid in geschrift. Mede naar aanleiding van deze aangifte is [appellant] op 14 maart 2008 aangehouden. Aansluitend is hij in voorarrest genomen. Bij vonnis van 23 juni 2009 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam is [appellant] wegens onder meer oplichting van [geïntimeerde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. j. Ten laste van [appellant] heeft [geïntimeerde] conservatoire beslagen doen leggen op 14 januari 2008 en op 16 januari 2008. 2.2 In dit geding heeft [geïntimeerde] in hoofdsom betaling gevorderd van onder meer: a. € 678.544,98, zijnde het totaal van de respectievelijk hiervoor in rov. 2.1 sub d, e, f en g genoemde bedragen van € 497.731,54, € 90.813,44, € 70,000,00 en € 20.000,00; en b. € 22.620,00, zijnde het hiervoor in rov. 2.2 sub h genoemde bedrag. [appellant] heeft in reconventie in hoofdsom betaling gevorderd van in totaal € 553.887,84 als loon voor in de periode juni 2004-december 2007 in opdracht van [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 17 december 2008 bewijsopdrachten verstrekt aan beide partijen. In het bestreden vonnis van 21 april 2010, dat een deelvonnis is, heeft de rechtbank in conventie de door [geïntimeerde] gevorderde bedragen van € 678.544,98 en € 22.620,00 toegewezen, met rente, en in reconventie de vordering van [appellant] afgewezen. 2.3 Grief 2 is blijkens de toelichting daarop (onder 8) mede gericht tegen de bewijslastverdeling die de rechtbank in het tussenvonnis van 17 december 2008 heeft gehanteerd. Het hof zal deze klacht eerst behandelen. 2.3.1 Een appellant die uitsluitend vernietiging van het eindvonnis (of: van het eindvonnisgedeelte van een deelvonnis) vordert en niet tevens van de aan het beroepen vonnis voorafgaande tussenvonnissen, heeft de vrijheid om niettemin bij de nadere omlijning van zijn hoger beroep in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in die tussenvonnissen, indien deze nog niet in een eerder appel door hem zijn bestreden en voor zover zij niet tevens een eindvonnis zijn. Daarom mag [appellant], anders dan [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft aangevoerd, in dit hoger beroep ook klagen over de in het tussenvonnis van 17 december 2008 gehanteerde bewijslastverdeling. Hieraan staat niet in de weg dat dit tussenvonnis niet wordt genoemd in de petita van de appeldagvaarding en de memorie van grieven. 2.3.2 Voorzover [appellant] erover klaagt dat hem is opgedragen te bewijzen dat de werkzaamheden die hij voor [geïntimeerde] heeft verricht en waarvoor hij betaling wenst, zijn verricht op grond van een of meer overeenkomsten van opdracht tussen partijen, is de klacht gegrond. In de stellingen van [geïntimeerde] zelf, mede gelet op de inhoud van haar aangiften, ligt besloten dat zij wist en zich er niet tegen verzette dat [appellant] een groot aantal werkzaamheden verrichtte die gepresenteerd werden als werkzaamheden ten behoeve van haar op het gebied van belangenbehartiging en juridische en administratieve ondersteuning. Onder die omstandigheden moest [geïntimeerde] begrijpen en mocht [appellant] erop vertrouwen dat sprake was van een of meer overeenkomsten van opdracht. Daarmee is op zichzelf nog niets gezegd over de vraag of voor de werkzaamheden loon verschuldigd is. 2.3.3 Voorzover [appellant] erover klaagt dat hem is opgedragen te bewijzen dat voor de werkzaamheden een uurtarief van aanvankelijk € 125,00 exclusief BTW en vanaf 2006 € 130,00 exclusief BTW is overeengekomen, is de klacht niet gegrond. Deze stelling van [appellant] is immers zowel grondslag van zijn verweer dat de vordering in conventie verrekend moet worden met zijn aldus berekende loon, als grondslag van zijn vordering in reconventie. [geïntimeerde] behoeft ter afwering van dat verweer en die vordering niet de feiten te bewijzen die zij aan de betwisting van deze stelling van [appellant] ten grondslag heeft gelegd. 2.4 De grieven 1 en 2 klagen over de bewijswaardering van de rechtbank. Het hof zal daarom thans beoordelen of bewezen is dat voor de werkzaamheden het door [appellant] gestelde uurtarief is overeengekomen. 2.4.1 Bij conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie heeft [appellant] een groot aantal (maandelijkse) declaraties overgelegd, gedateerd van 4 juni 2004 tot 14 december 2007. In die declaraties wordt het te bewijzen uurtarief gehanteerd. De declaraties van 10 januari 2005, 9 januari 2006 en 8 januari 2007 bevatten overzichten van openstaande facturen. Het laatstbedoelde overzicht sluit op een bedrag van € 344.206,06. Voorts is bij die conclusie kopie van een ongetekende en op 30 september 2006 gedateerde brief van [appellant] aan [geïntimeerde] overgelegd, waarin onder meer staat vermeld: "Eergisteren heb ik zoals je weet[K.H.] gesproken over de voortgang inzake Museum Vastgoed. Ik heb ook inderdaad een voorschot gevraagd van € 25.000,- welke ik na ontvangst mag behouden van jou als een aanbetaling voor mijn openstaande declaraties. (...)" 2.4.2 Een op of omstreeks 4 september 2008 zijdens [geïntimeerde] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van [L.P.] vermeldt onder meer: "Beste [A.] (dit is: [geïntimeerde], opm. hof), Hierbij bevestig ik jou het feit dat de heer [appellant] meerdere malen in het bijzijn van mijzelf heeft verklaard dat hij pro deo voor jou zijn diensten verleende. Hij heeft dat niet met zoveel woorden gezegd, maar na herhaaldelijk navragen aan zijn en jouw adres in persoon heeft hij meerdere malen aangegeven dat hij dit puur als een persoonlijke vriendendienst zag en dat hij zich, als alles achter de rug zou zijn, de gehele afwikkeling omtrent de erfenis van ([E.E.]) en de dingen die jou aangaan zich graag middels een luxe vakantie, of iets in die orde, wilde laten trakteren (...). Herhaaldelijk heb ik jou en dhr. [appellant] gevraagd onder wat voor voorwaarden hij voor [A.] werkte. Ik kreeg steevast als antwoord dat het een echte vriendendienst was, omdat ik wist dat [A.] dit absoluut niet zou kunnen betalen (...)" 2.4.3 Een op of omstreeks 4 november 2008 zijdens [geïntimeerde] in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van 21 september 2008 van [H.B.] vermeldt onder meer: "Beste [A.], (...) Meerdere malen is er door zowel jou, als dhr. [appellant] aangegeven, dat het werk dat hij voor jou deed, puur op basis was van vriendschap en dat hij GEEN geld berekende voor de activiteiten en diensten die hij aan jou verleende. Dhr. [appellant] was daar nogal "trots" over. Het geld had hij niet echt nodig, zei hij. (...) Dhr. [appellant] (meldde) letterlijk dat hij wel een keer 'een leuke vakantie' of zo, van jou zou krijgen voor alle verleende diensten." 2.4.4 Een bij akte van 4 november 2008 zijdens [appellant] in het geding gebracht proces-verbaal van 19 juni 2006 van de door [A.B.] bij de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [appellant] afgelegde getuigenverklaring vermeldt onder meer: "[appellant] heb ik medio 2006 leren kennen. Hij verscheen als adviseur van mevrouw [geïntimeerde] die de wettelijk vertegenwoordigster is van [E.E.] op de besprekingen van de Museum Vastgoedgroep (...)." 2.4.5 Een bij akte van 4 november 2008 zijdens [appellant] in het geding gebracht proces-verbaal van 19 juni 2006 van de door [M.V.] bij de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [appellant] afgelegde getuigenverklaring vermeldt onder meer: "Ik heb één keer een factuur gezien van [appellant], privé aan mevrouw [geïntimeerde]. Ik kan mij niet herinneren wat daarop stond, noch het bedrag. Ik heb die factuur gezien op het moment dat ik de administratie van 2007 in handen kreeg. Ik weet dus niet hoe en of hij betaald werd." 2.4.6 [I.O.] is op 14 mei 2009 in deze zaak door de rechtbank als getuige gehoord en heeft toen onder meer verklaard: "Of [appellant] een afspraak had met mevrouw [geïntimeerde] over door [appellant] verrichte werkzaamheden, dat weet ik niet. (...). Uurtarieven van € 125,- of € 130,- exclusief BTW heb ik in dit verband nimmer gehoord. Ook weet ik niets van een eventuele vergoeding die mevrouw [geïntimeerde] aan [appellant] verschuldigd zou zijn. (...) [appellant] werd aan mij door mevrouw [geïntimeerde] geïntroduceerd was haar advocaat. (...) Er was eenmaal een vertraging in een betaling aan mij door mevrouw [geïntimeerde]. Ik heb toen betaling gevraagd aan mevrouw [geïntimeerde]. Zij antwoordde: 'ik moet zoveel dingen betalen, ik moet jou betalen, rekeningen, dingen voor mijn dochter, en ik moet mijn advocaat betalen'." 2.4.7 [B.P.] is op 14 mei 2009 in deze zaak als getuige gehoord en heeft toen onder meer verklaard: "Ik weet dat [appellant] heel veel voor [geïntimeerde] deed. Hij was dagelijks met haar bezig. (...) Ik kan mij niet herinneren dat [appellant] tegen mij heeft gezegd dat hij met [geïntimeerde] een afspraak had gemaakt over werkzaamheden die hij voor haar zou verrichten. Ik heb nooit van hem vernomen dat er een uurtarief of vergoeding met [geïntimeerde] was afgesproken. Wel heeft hij een keer gezegd dat de rekening betaald zou worden als de werkzaamheden afgerond zouden zijn. Op dat moment kon [geïntimeerde] hem nog niet betalen en dat zou gebeuren als er afgerond zou zijn. (...) [appellant] ben ik meer en meer gaan ontmoeten vanaf januari 2005 tot na de zomer 2005. Mijn verklaring heeft hoofdzakelijk betrekking op deze periode." 2.4.8 [R.v.R.] is op 14 mei 2009 in deze zaak als getuige gehoord en heeft toen onder meer verklaard: "[appellant] vroeg mij om hem een aantal zakelijke adviezen te geven inzake [geïntimeerde]. (...) [appellant] heeft in die contacten tegen mij gezegd dat er met mevrouw [geïntimeerde] afspraken waren gemaakt over een uurtarief. Wat voor werkzaamheden hij daarvoor zou verrichten, heeft [appellant] niet aangegeven. Wel heeft [appellant] een tarief genoemd, maar welk bedrag dat is geweest, dat kan ik mij niet meer herinneren. (...) Voor de bonus is 10% van de verkoop van de aandelen van Museum Vastgoed afgesproken tussen [appellant] en [geïntimeerde]. Ik was erbij toen dit werd afgesproken." 2.4.9 [R.B.] is op 24 juni 2009 in deze zaak als getuige gehoord en heeft toen onder meer verklaard: "Over enkele zaken (vier zaken), waarin hij adviseerde, heeft [appellant] mij ingelicht, zij het niet in details. [appellant] vertelde tegen mij dat hij aan zijn cliënten een rekening verstuurde, die door deze cliënten werd betaald. (...) Wel heeft [appellant] mij een keer verteld dat hij in de zaak tegen mevrouw [geïntimeerde] € 125,00 per uur rekende. Ik had daarnaar gevraagd, omdat dit zo'n omvangrijk dossier was. (...) Wel had [appellant] mij verteld dat [geïntimeerde] haar had gevraagd om de nalatenschap voor haar te regelen. [geïntimeerde] heeft ook tegen mij verteld dat [appellant] haar daarin bijstond. Daaruit concludeer ik dat er een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] moet zijn gesloten. (...) [appellant] heeft ook nog andere zaken voor [geïntimeerde] geregeld dan de nalatenschap, (...)" 2.4.10 [appellant] is op 24 juni 2009 in deze zaak als getuige gehoord en heeft toen onder meer verklaard: "U laat mij de aangehechte brief van 4 juni 2004 (bijlage I) aan [geïntimeerde] zien, waarin ik aan haar heb bevestigd haar te zullen adviseren inzake het overlijden van [W.E.]. In die brief heb ik een verlaagd tarief van € 95,- per uur vastgelegd. (...) U merkt op dat reeds in de eerste factuur van 4 juni 2004 als uurtarief is gehanteerd € 125,-, maar dat in de opdrachtbrief van dezelfde datum het verlaagd tarief van € 95,- is opgenomen. Ik kan u dit als volgt verklaren. Kort na 4 juni 2004 is vanwege de omvang van de werkzaamheden een verhoging van het uurtarief van € 95,- tot € 125,- afgesproken. Mevrouw [geïntimeerde] was hiermee akkoord. De factuur van 4 juni 2004 is pas na deze akkoordbevinding door mij eind juni 2004 opgesteld en verzonden. In de factuur van 10 januari 2005 kunt u zien dat het uurtarief tot € 127,50 is verhoogd. Dit was zo met mevrouw [geïntimeerde] afgesproken. Behoudens de eerstgenoemde factuur van 4 juni 2004 zijn alle andere facturen op of omstreeks de datum gesteld op de factuur verzonden aan [geïntimeerde]." 2.4.11 Aan het proces-verbaal van verhoor van [appellant] is als bijlage I een ongetekende en op 4 juni 2004 gedateerde brief van [appellant] aan [geïntimeerde] gehecht, waarin onder meer is vermeld: "Terugkomend op ons gesprek van dinsdag 1 juni jl. alsmede de telefonische gesprekken bevestig ik je het volgende. Ik ben bereid je bij te staan voor het verrichten van juridisch advies met betrekking tot de afwikkeling van het overlijden van de heer [W.E.]. Mijn uurtarief bedraagt hiervoor € 150,00 standaardtarief - € 70,00 = € 95,00 per uur, exclusief B.T.W. Betaling geschiedt op basis van een maandfactuur, volledig gespecificeerd met mijn verrichte werkzaamheden (...)" Op deze brief staat bijgeschreven: "uit inbeslaggenomen administratie [appellant]". 2.4.12 [L.P.] is op 2 november 2009 in deze zaak als getuige gehoord en heeft toen onder meer verklaard: "[appellant] heeft zich in mijn aanwezigheid nimmer uitgesproken over tarieven, die hij aan mevrouw [geïntimeerde] in rekening zou brengen. Hij zou dit als vriendendienst doen, in die zin dat er aan het eind een gezamenlijke reis zou worden gemaakt. Hij heeft dit in woorden van deze strekking gezegd en dat herhaaldelijk, vijf of zes keer in de betreffende periode. (...) (D)at (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.