← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2012:4489

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER Beslissing van 14 februari 2012 in de zaak van: de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden [naam], gevestigd te [plaats], British Virgin Islands, APPELLANTE, gemachtigde: mr. M.Ph.A. Senders, advocaat te Waalre, t e g e n [naam] , notaris te [gemeente], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: mr. F. van der Woude, advocaat te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep 1.

  1. Van de zijde van appellant, verder de klaagster, is bij een op 5 april 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam, verder de kamer, van 3 maart 2011, waarbij de kamer klaagster niet ontvankelijk heeft verklaard in haar klacht tegen geïntimeerde, verder de notaris. 1.
  2. Van de zijde van klaagster is op 18 mei 2011 een aanvulling op het beroepschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.
  3. Van de zijde van de notaris is op 9 augustus 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.
  4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 december
  5. De gemachtigde van klaagster, alsmede de notaris en zijn gemachtigde zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd. 1.
  6. Na de behandeling in hoger beroep is namens klaagster een brief ter griffie van het hof ingekomen. Van de zijde van de notaris is, bij brief ingekomen op 12 januari 2012 ter griffie van het hof, gereageerd op de brief van klaagster. 2De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3De ontvankelijkheid van het hoger beroep 3.
  7. De gemachtigde van klaagster heeft de beslissing van de kamer van 3 maart 2011 ontvangen als bijlage bij een aangetekende brief van de secretaris van de kamer van 3 maart
  8. 3.
  9. Ingevolge artikel 107 van de Wet op het notarisambt diende het hoger beroep binnen dertig dagen na de dag van verzending van de onder 3.1 bedoelde brief te zijn ingesteld. De beroepstermijn eindigde dus op maandag 4 april
  10. Nu het verzoekschrift van klaagster waarin de gemachtigde namens klaagster te kennen geeft zich niet met de uitspraak van de kamer te kunnen verenigen, op 5 april 2011 bij het hof is ingekomen, is dit dus te laat. 3.
  11. De gemachtigde van klaagster is door het hof in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen waaruit zou kunnen blijken dat er grond is de overschrijding van de beroepstermijn te verschonen. De eerder genoemde brief van 12 januari 2012 vermeldt dat het beroepschrift en de begeleidende brief op 31 maart 2011 per Falkcourier aan het hof zijn toegezonden, maar dat er geen afschrift verstrekt kan worden van de gedetailleerde administratieve vastlegging van de verzending. 3.
  12. Behoudens bijzondere omstandigheden draagt de appellant het risico dat het beroepschrift eerst na de beroepstermijn ter griffie binnenkomt. In deze zaak zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die als dergelijke bijzondere omstandigheden zijn aan te merken. 3.
  13. Op grond van het bovenstaande moet worden geoordeeld dat klaagster niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. 3.
  14. Het hiervoor gaande leidt tot de volgende beslissing. 4De beslissing Het hof: - verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 3 maart
  15. Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.C.W. Rang en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 14 februari 2012 door de rolraadsheer.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.