GERECHTSHOF AMSTERDAM TWEEDE (VOORHEEN VIJFDE) MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: 1. [APPELLANT SUB 1], wonend te [woonplaats], [land], 2. [APPELLANT SUB 2, wonend te [woonplaats], [staat], [land], APPELLANTEN, advocaat: mr. M.C. van Rijswijk te Amsterdam, t e g e n 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE SUB 1], gevestigd te Naarden, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JUPITER MANAGEMENT CONSULTING B.V., gevestigd te Bloemendaal, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE SUB 3], gevestigd te Elahuizen, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid QST-SAFE-SKIES B.V., gevestigd te Lelystad, 5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5], handelende onder de naam AVIATION RESULT, wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDEN, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Appellanten worden hierna [appellanten] of afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemd, en geïntimeerden gezamenlijk de Consultants of afzonderlijk [geïntimeerde sub 1], Jupiter, [geïntimeerde sub 3], QST en [geïntimeerde sub 5]. 1. Het geding in hoger beroep Bij dagvaarding van 20 december 2010 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem, onder zaak-/rolnummer 158814 / HA ZA 09-895 tussen partijen (de Consultants als eisers en [appellanten] als gedaagden) gewezen en uitgesproken op 24 november 2010. [appellanten] hebben bij memorie negen grieven geformuleerd en toegelicht, bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vorderingen van de Consultants zullen worden afgewezen, met veroordeling van de Consultants in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. De bij gelegenheid van de memorie van grieven ingestelde incidentele vordering ex art. 351 Rv is door [appellanten] op de rolzitting van 15 februari 2011 ingetrokken. De Consultants hebben de grieven bij memorie weersproken, daarbij bewijs aangeboden, met conclu¬sie, kort gezegd, tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep. Partijen hebben de zaak op 10 oktober 2011 doen bepleiten, [appellanten] door mr. Van Rijswijk voornoemd, en de Consultants door mr. J.P. Koets te Haarlem, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Daarop is arrest gevraagd. Het hof zal oordelen op basis van de in beide instanties overgelegde stukken. 2. De feiten 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Behoudens de klacht in de eerste grief dat de rechtbank [appellant sub 1] ten onrechte heeft aangemerkt als “middellijk aandeelhouder” – de beoordeling waarvan hieronder (bij 3.4) is te vinden – zijn de door de rechtbank opgesomde feiten niet in geschil zodat ook het hof daarvan uit zal gaan. 2.2 Het gaat, mede gelet op hetgeen overigens is gesteld en niet of onvoldoende gemotiveerd is weersproken, in deze zaak om het volgende. 2.2.1 [appellant sub 1] is ondernemer en investeerder. Tot 27 april 2008 was [appellant sub 1] statutair bestuurder van de besloten vennootschap European Technology and Investment Research Centre ¬B.V., kortweg ETIRC B.V. (hierna: Etirc), welke vennootschap zich bezig hield met consultancy op het gebied van technologische infrastructuur, met name in Oost Europa, waarbij het in het bijzonder gaat om het onderzoeken van investerings¬mogelijkheden op het gebied van innovatieve technologieën. 2.2.2 De door Etirc uitgegeven aandelen worden sinds eind december 2005 gehouden door de Stichting Administratiekantoor Etirc B.V. (hierna: de Stichting). De Stichting heeft certificaten van die aandelen uitgegeven, die in hoofdzaak (en in gelijke delen) in bezit zijn van [appellant sub 1] en [B.](hierna: [[B.]), terwijl een aantal van deze certificaten in bezit is van een rechtspersoon naar het recht van Anguilla genaamd Maccinto Holdings Inc (hierna: Maccinto Holdings). 2.2.3 [appellant sub 2] is de zoon van [appellant sub 1]. [appellant sub 2] is zijn vader op 27 april 2008 opgevolgd, zowel als statutair bestuurder van Etirc als in de hoedanigheid van (enig) bestuurder van de Stichting. 2.2.4 [geïntimeerde sub 2], [B.] en Maccinto Holdings zijn opgetreden als financiers van Etirc. Voorts gaf een overeenkomst met de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden Riro Ventures Ltd (hierna: Riro Ventures) gedateerd 7 september 2008 Etirc recht op een vergoeding (gelijk aan een opslag van 5% over door Etirc gemaakte kosten) voor consul¬tancy¬¬werkzaamheden. 2.2.5 Etirc is tussen 2006 en 2008 met ieder van de Consultants een overeenkomst aangegaan (hierna: de managementovereenkomsten) waarbij zij als projectmanagers zijn aangesteld. Krachtens deze managementovereenkomsten zijn werkzaamheden ten behoeve van de projecten waarbij Etirc betrokken was verricht door [T.M.] , [R. S.],[geïntimeerde sub 3] en [F.R.], de natuurlijke personen die zich bedienen van de in de kop van dit arrest als eerste vier geïntimeerden genoemde vennootschappen, en door [M.d.H.], de vijfde geïntimeerde. Als vergoeding voor de werkzaamheden is in de managementovereenkomsten (in een enkel geval: na een eerste proefperiode) onder meer voorzien in een per maand te betalen vaste vergoeding. 2.2.6 Etirc heeft tot medio 2008 verschillende projecten opgenomen, waaronder het zogenaamde Eclipse Aviation project. 2.2.7 De Eclipse 500 is een klein, voor de zakelijke markt bestemd, vliegtuig met straalmotoren, ontwikkeld en gebouwd door Eclipse Aviation Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde vliegtuigfabrikant. Het binnen Etirc opgevatte Eclipse Aviation project was gericht op het produceren en verkopen van dit vliegtuig buiten de Verenigde Staten, met name in (Oost-)Europa en in de Russische Federatie, het verwerven van daartoe benodigde rechten, het inrichten van daarop gerichte productiefaciliteiten en het aanbieden van verweven diensten, zoals de opleiding van piloten. In verband daarmee is de rechtspersoon naar Luxemburgs recht Etirc Aviation Sarl opgericht, met [appellant sub 1] als bestuurder. 2.2.8 Op 26 september 2008 is door de Russische State Corporation Bank for Development and Foreign Economic Affairs (Vnesheconombank) een stuk opgesteld waarin voorwaarden zijn neergelegd waaronder een lening van ten hoogste USD 330.000.000 kan worden verstrekt, aan te wenden voor het verwerven van rechten voor het produceren van de Eclipse 500 in Rusland, het bouwen van een voor die productie geschikte fabriek en andere met die productie verband houdende kosten. Daarbij is vermeld dat naast Etarus CJSC (de beoogde lener van het bedrag) Etirc Aviation Sarl partij bij de financierings¬overeenkomst zal worden. 2.2.9 Eclipse Aviation Inc. heeft in de Verenigde Staten op 25 november 2008 uitstel van betaling (de zogenaamde Chapter 11 status) aangevraagd. Op dat moment was Eclipse Aviation het enige project waarmee Etirc daadwerkelijk bezig was. Andere projecten van Etirc zijn in de loop van 2008, of wellicht al eerder, tot stilstand gekomen. 2.2.10 Etirc is op zeker moment opgehouden de bedragen te betalen die de Consultants haar ingevolge de managementovereenkomsten in rekening hebben gebracht. Het gaat om bedragen die Etirc verschuldigd is: - aan [geïntimeerde sub 1]: vanaf januari 2009, - aan Jupiter: vanaf december 2008, - aan [geïntimeerde sub 3]: vanaf oktober 2008, - aan QST ([F.R.]): vanaf januari 2009, - aan [geïntimeerde sub 5]: vanaf januari 2009. 2.2.11 Eclipse Aviation is op 25 februari 2009 failliet verklaard. 2.2.12 Op 22 maart 2009 is een e-mail aan [appellant sub 1] gezonden met als bijlage een (niet getekende) brief gedateerd 8 maart 2009, waarvan de strekking is dat de minister-president van de Russische Federatie in overweging wordt gegeven zijn goedkeuring te hechten aan stopzetten van de financiering van de productie van de Eclipse 500 in Rusland. 2.2.13 Etirc verkeert sinds 7 april 2009 in staat van faillissement. 3. Beoordeling 3.1 Voor zover thans nog van belang vorderen de Consultants, samengevat, dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van geldbedragen die corresponderen met de onbetaald gelaten facturen van de Consultants. 3.1.1 Aan deze vordering leggen de Consultants in hoofdzaak ten grondslag dat [appellanten] zich in hun hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler bij, respectievelijk statutair bestuurder van, Etirc jegens de Consultants onrechtmatig hebben gedragen. Daartoe stellen de Consultants, wederom samengevat, dat [appellanten] voor de projecten van Etirc een ondoorzichtige structuur hebben gekozen, die meebracht dat de vruchten van die projecten niet (rechtstreeks) ten goede van Etirc zouden komen terwijl Etirc voor haar omzet in feite geheel afhankelijk bleef van één betalende opdrachtgever, Riro Ventures, en [appellanten] de Consultants daaromtrent noch bij het aangaan van de managementovereenkomsten, noch nadien juist en volledig hebben geïnformeerd, het integendeel hebben voorgedaan alsof de ”funding” van Etirc solide was, hebben verhuld dat Etirc alleen Riro Ventures als betalende opdrachtgever had en hebben verzwegen dat alles afhankelijk was geworden van het welslagen van het Eclipse Project, en ook hebben nagelaten, toen het voor [appellanten] duidelijk moest zijn dat Etirc in grote liquiditeitsproblemen verkeerde, de Consultants daarop te wijzen, doch hebben toegelaten dat Etirc de betalingsverplichtingen jegens de Consultants zonder een dergelijke waarschuwing op zich bleef nemen, en bovendien het ertoe hebben geleid dat het in geldnood verkerende Etirc sommige crediteuren volledig betaalde, maar de Consultants helemaal niet. 3.1.2 Daarnaast gronden de Consultants hun vordering op de stelling dat [appellant sub 1] uitlatingen heeft gedaan die de Consultants redelijkerwijs konden begrijpen als de toezegging dat hij de voldoening van hun facturen persoonlijk garandeerde, doch die toezegging niet is nagekomen. 3.2.1 De rechtbank heeft de stellingen van de Consultants aldus verstaan dat zij als meest verstrekkende grondslag voor hun vorderingen beroep doen op HR 3 april 1992, NJ 1992, 411, en in dat verband aanvoeren dat [appellanten] er, in weerwil van toezeggingen tot betaling en de verzekering dat er geen sprake zou zijn van selectieve betaling van andere crediteuren, uiteindelijk voor hebben gekozen de Consultants niet, maar andere crediteuren van Etirc (zoals werknemers) wel te voldoen. 3.2.2 De vorderingen van de Consultants aldus verstaan, heeft de rechtbank de vraag beantwoord of [appellanten] zich er terecht op beroepen dat er bij Etirc simpelweg onvoldoende geld was om iedereen te kunnen betalen, en dat zij er in die (nood)situatie voor mochten kiezen om sommige rekeningen wel, maar andere, met name die van de Consultants, niet te voldoen. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, voorop stellend dat [appellant sub 1] in een op 8 januari 2009 verstuurde e-mail aan [geïntimeerde sub 3] heeft laten weten dat “selectief betalen niet aan de orde was”. Met dat uitgangspunt lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [appellanten] om aannemelijk te maken dat er ten aanzien van de Consultants geen sprake is geweest van betalingsonwil doch van betalingsonmacht. Dat hebben [appellanten] volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt omdat [appellant sub 2] niet heeft aangetoond dat hij als statutair bestuurder vanaf medio 2008 met regelmaat de twee financiers van Etirc, [appellant sub 1] en [B.], heeft gemaand tot het verschaffen van aanvullende middelen opdat alle crediteuren konden worden voldaan, en [appellant sub 1] niet heeft aangetoond dat hij in de hoedanigheid van feitelijk leidinggever van Etirc zichzelf en [B.] heeft aangesproken (in de hoedanigheid van investeerders) om zich te bezinnen op het bijstorten van de benodigde fondsen. Een actief optreden, gericht op het aantrekken van aanvullende fondsen voor Etirc had te meer mogen worden verwacht omdat [appellant sub 1] (in een ander geding) als getuige heeft verklaard dat Etirc eind 2008 financieel gezond was en in februari 2009 nog bericht kreeg over een op korte termijn te verwachten aanzienlijke kapitaalinjectie. Mede gelet op die verklaring verkeerde Etirc dus niet in financiële nood, en in een dergelijk relatief gunstig (financieel) klimaat heeft het bestuur van een vennootschap grond bij financiers op een overbruggingskrediet aan te dringen opdat schuldeisers kunnen worden voldaan, aldus de rechtbank. 3.2.3 Daarnaast heeft de rechtbank nog van belang geacht dat [appellant sub 1] in e-mailverkeer met de Consultants de verwachting heeft gewekt dat zij op betrekkelijk korte termijn betaald zouden worden, terwijl het wekken van dergelijke verwachtingen de verplichting meebrengt om vervolgens “tot het uiterste te gaan” om aan die verwachtingen te beantwoorden. 3.2.4 Deze overwegingen voerden de rechtbank tot het oordeel dat [appellanten] jegens de Consultants onrechtmatig hebben gehandeld door feitelijk te verhinderen dat Etirc haar jegens de Consultants bestaande betalingsverplichtingen nakwam. Op die grond zijn de vorderingen van de Consultants (voor zover in hoger beroep nog aan de orde) toegewezen. 3.3 De eerste zeven grieven komen op tegen onderdelen van de aldus samengevatte overwegingen en de daarop berustende beslissing. De achtste en de negende grieven bevatten geen klachten die naast de voorgaande grieven zelfstandige betekenis hebben. Naar aanleiding van al deze grieven, die zich voor gezamenlijke beoordeling lenen, overweegt het hof als volgt. 3.4 Bij beoordeling van de onder 3.1.1 samengevatte stellingen van de Consultants neemt het hof tot uitgangspunt dat voor de nakoming van contractuele verplichtingen van een vennootschap, naast de vennootschap zelf ook, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, aansprakelijk kan zijn degene die hetzij als bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld, hetzij als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam. In de beide situaties mag aansprakelijkheid van de bestuurder evenwel uitsluitend worden aangenomen indien zijn handelen ten opzichte van de schuldeiser van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is - mede gelet op het in art. 2:9 BW tot uitdrukking gebrachte vereiste van een behoorlijke taakvervulling - dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt moet worden gemaakt. In de rechtspraak is aanvaard dat zo een persoonlijk ernstig verwijt wordt aangenomen indien komt vast te staan dat de bestuurder namens de vennootschap verbintenissen is aangegaan in de wetenschap, of terwijl hij redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en evenmin verhaal zou bieden, behoudens (door de bestuurder te stellen en aannemelijk te maken) bijzondere omstandigheden waaruit kan volgen dat hem ter zake geen ernstig verwijt treft. Daarnaast kan een persoonlijk ernstig verwijt gelegen zijn in het bewerkstelligen of toelaten van een gang van zaken binnen de vennootschap waardoor, naar de bestuurder weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen, bestaande verplichtingen van de vennootschap niet (meer) worden nagekomen, en de vennootschap haar crediteuren voor de daardoor ontstane schade ook geen verhaal zal bieden. 3.5 Met haar verwijzing naar HR 3 april 1992, NJ 1992, 411 moet de rechtbank het oog hebben gehad op de overweging: “(…) betaling van een schuld behoeft (…) niet noodzakelijk te geschieden uit voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, maar kan ook plaatsvinden uit gelden die de vennootschap ter beschikking staan krachtens een bestaande of nog te verkrijgen kredietfaciliteit; niet uitgesloten is dat degene die de volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, jegens de betreffende schuldeiser onrechtmatig handelt door na te laten ervoor te zorgen dat van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt.” 3.6 Het hof is van oordeel dat in deze zinsnede geen criterium kan worden gezien dat bij de vaststelling van ‘bestuurdersaansprakelijkheid’ zelfstandige betekenis heeft naast de onder 3.4 geformuleerde (en vanzelfsprekend aan HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 ontleende) maatstaf. Ook indien ten opzichte van een bepaalde schuldeiser van de vennootschap moet worden beoordeeld of de betalingsonmacht van de vennootschap haar oorzaak vond in betalingsonwil bij haar bestuurder, blijft de maatstaf voor diens persoonlijke aansprakelijkheid of hij door zijn eigen gedrag heeft toegelaten of bewerkstelligd dat de vennootschap nalatig bleef en hem ter zake van dat eigen gedrag een ernstig verwijt treft. 3.7 Ook in deze context moet die vraag worden beantwoord met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval. Tot zodanige omstandigheden behoren de eventuele gevolgen die het benutten en zonodig aantrekken van aanvullende financiering voor de bestuurder persoonlijk kan hebben. Daarbij kan niet als uitgangspunt worden aanvaard dat een bestuurder in beginsel gehouden is zijn privévermogen ter beschikking te stellen als (tijdelijke) voorziening tegen liquiditeitsnood van de door hem geleide vennootschap, ook niet indien de bestuurder eerder al eens als geldschieter van de vennootschap heeft gefungeerd. Daarnaast zal de omstandigheid dat een bestuurder, geconfronteerd met een financieringsprobleem bij de door hem geleide vennootschap, zich niet heeft ingespannen om van anderen, investeerders of kredietinstellingen, aanvullende financiering te krijgen, slechts onder bijzondere omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat hem persoonlijk een ernstig verwijt treft. In dit verband moet immers worden meegewogen dat zulk aantrekken van gelden van derden teneinde bestaande crediteuren van de vennootschap te betalen, de bestuurder kan confronteren met het verwijt dat hij (namens de vennootschap) jegens de nieuwe geldschieters verplichtingen is aangegaan in het besef dat de vennootschap hen – in de situatie waarin zij op dat moment verkeert – mogelijk niet kan terugbetalen. Daarbij moet ook nog worden bedacht dat aanvullende financiering in sommige gevallen, met name indien daarvoor een kredietinstelling wordt benaderd, slechts zal worden aangeboden indien de bestuurder persoonlijk waarborgen voor de terugbetaling aanbiedt. Met het oog op dit een en ander dient naar ’s hofs oordeel de nodige terughoudendheid te worden betracht bij het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder wegens het achterwege laten van pogingen aanvullende financiering te krijgen teneinde aan de verplichtingen van een op dat moment (overigens) niet solvabele vennootschap te kunnen voldoen. 3.8 Het zojuist overwogene neemt niet weg dat ook het hof bij de beoordeling van de onderhavige zaak belang toekent aan hetgeen in HR 3 april 1992, NJ 1992, 411 werd overwogen, namelijk in zoverre de Hoge Raad daarin de bewijspositie van (en ten opzichte van) de persoon met volledige zeggenschap over de nalatige vennootschap heeft benadrukt. Van degene die (in de relevante periode) het beleid en de gang van zaken bij de nalatige vennootschap heeft kunnen bepalen, moet worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat de vennootschap werkelijk niet in staat was haar crediteur te betalen of verhaal te bieden, en ook dat deze betalingsonmacht haar oorzaak niet heeft gevonden in een bij de desbetreffende bestuurder aanwezige onwil die crediteur te (laten) voldoen. Voor zover de grieven aldus moeten worden begrepen dat [appellanten] zich op het standpunt stellen dat het aan de Consultants is om te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat de betalingsonmacht van Etirc werd veroorzaakt door betalings¬onwil bij [appellanten] (dat lijkt met name in de toelichting op de vierde grief te worden betoogd), wordt die stelling van de hand gewezen. 3.9 Met het oog op het tot dusverre overwogene volgt het hof de rechtbank niet in haar overweging dat in algemene zin van [appellanten] kan worden verlangd dat zij, teneinde aannemelijk te maken dat er geen sprake is geweest van een bij hen bestaande betalingsonwil, ten minste aantonen dat activiteiten zijn ontplooid gericht op het verschaffen van aanvullend kapitaal door de financiers/investeerders van Etirc, [appellant sub 1] zelf en [B.]. 3.10 Bovendien hebben [appellanten] inmiddels gesteld dat zij zich wel degelijk de door de rechtbank verlangde inspanningen hebben getroost, met het resultaat dat [appellant sub 1] en [B.] tussen december 2008 en begin maart 2009 nog diverse bedragen ter beschikking van Etirc hebben gesteld, in totaal bijna 1,3 miljoen euro. 3.11 Voorts kent het hof aan de mededelingen die [appellant sub 1] (al dan niet door tussenkomst van diens personal assistent) aan de Consultants heeft gedaan niet de betekenis toe die daaraan in eerste aanleg is gehecht. Daarbij stelt het hof voorop dat van een door zulke mededelingen gewekt vertrouwen alleen sprake kan zijn bij degene tot wie die mededelingen waren gericht. Uit de door de Consultants in het geding gebrachte e-mailberichten blijkt dat aan enkelen hunner – na aandrang - is toegezegd dat openstaande facturen spoedig voldaan zouden worden. Daaruit valt niet zonder meer af te leiden dat alle Consultants aan dit e-mailverkeer het vertrouwen konden ontlenen dat zij volledig zouden worden betaald. Bovendien rijst de vraag of uit deze e-mailcorrespondentie niet moet worden afgeleid dat de desbetreffende Consultants op dat moment reeds over zodanige informatie over de betalingsproblemen van Etirc beschikten, dat zij er niet, of niet zonder meer, vanuit konden gaan dat de toegezegde betaling ook betrekking had op nog niet verzonden facturen. Het hof komt hierop later nog terug. 3.12 Kennelijk heeft de rechtbank voorts aangenomen dat de opmerking, in een e-mail die [appellant sub 1] op 8 januari 2009 aan [geïntimeerde sub 3] heeft verzonden, “het is niet gedacht iemand te selecteren voor niet betalen” geschikt was om het vertrouwen te wekken dat de Consultants niet anders behandeld zouden worden dan alle andere crediteuren van Etirc. Het hof ziet dat anders. Die e-mail was een reactie op een e-mail die [geïntimeerde sub 3] enkele minuten tevoren aan [appellant sub 1] had gezonden, waarvan de eerste twee zinnen luiden: “Ik ben de enige van het team die nog niet over oktober en november betaald is. [R.S.] heeft dinsdag zijn betalingen gekregen. (…)” De reactie van [appellant sub 1] moet – uiteraard – worden uitgelegd in het licht van de opmerking die haar uitlokte, en dan is de meest voor de hand liggende betekenis daarvan dat [geïntimeerde sub 3] niet zou worden achtergesteld bij de door hem genoemde [R. S.] (Jupiter). Daar komt bij dat de e-mail van [appellant sub 1] aanvangt met: “We doen ons best, maar (…)”. Er is geen reden om aan te nemen dat [geïntimeerde sub 3] aan de reactie op zijn e-mail een verdergaande strekking mocht toekennen, laat staan dat de andere Consultants daar een bepaald vertrouwen aan hebben kunnen ontlenen. 3.13 Aldus acht het hof de door de rechtbank besproken omstandigheden, in het licht van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten, geen toereikende grond voor het oordeel dat [appellanten] onrechtmatig jegens de Consultants hebben gehandeld door feitelijk te verhinderen dat Etirc haar jegens de Consultants bestaande betalingsverplichtingen zou nakomen, en voor de daardoor geleden schade persoonlijk aansprakelijk zijn. In zoverre zijn de grieven terecht voorgesteld en kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. 3.14 Daaruit vloeit voort dat het hof in volle omvang heeft te onderzoeken of de vorderingen van de Consultants (voor zover in hoger beroep nog aan de orde) op één van de door hen aangedragen gronden kunnen worden toegewezen 3.15 Voor zover die vorderingen berusten op de onder 3.1.2 samengevatte stelling (een persoonlijke garantstelling door [appellant sub 1]) moet worden vooropgesteld dat een persoonlijke garantstelling slechts ingeroepen kan worden door degene aan wie die garantie is gegeven. Het ligt dus op de weg van de Consultants om concreet te omschrijven welke toezegging van persoonlijke nakoming [appellant sub 1] aan ieder der Consultants heeft gedaan. De enige uitlatingen die de Consultants in dit verband noemen (inleidende dagvaarding, onder randnummer 51) zijn e-mailberichten die [appellant sub 1] op 3 december 2008 en 25 februari 2009 aan [R. S.] (Jupiter) heeft verzonden. In deze berichten reageerde [appellant sub 1] op e-mails van [R. S.] met, voor zover hier van belang, “Accoord” respectievelijk “Onze afspraken staan”. Die uitlatingen heeft [R. S.], ook gelet op de inhoud van zijn eigen e-mailberichten die deze reacties uitlokten, in redelijkheid niet kunnen opvatten als een toezegging dat [appellant sub 1] persoonlijk zou instaan voor de betaling van hetgeen Jupiter van Etirc te vorderen had. Verder hebben de Consultants niets gesteld ten aanzien van specifieke, aan hen individueel gedane mededelingen van [appellant sub 1] betreffende diens persoonlijk instaan voor de op Etirc rustende betalingsverplichtingen. In dit opzicht zijn de vorderingen derhalve onvoldoende onderbouwd. 3.16 Voor zover de vorderingen berusten op de onder 3.1.1. samengevatte stellingen heeft het volgende te gelden. 3.17 Aangezien [appellanten] zelf bij conclusie van antwoord, randnummer 18, hebben gesteld dat Etirc werd gefinancierd “door haar uiteindelijke aandeelhouders [appellant sub 1 ], de heer [B.] en de Anguillaanse vennootschap Maccinto Holdings Inc.”, is hun klacht dat de rechtbank [appellant sub 1] ten onrechte als middellijk aandeelhouder van Etirc heeft aangemerkt ongegrond. Ook overigens onderschrijft het hof dit feitelijk oordeel, in verband met de hiervoor, onder 2.2.2 vastgestelde feiten, op grond waarvan zij materieel als indirect aandeelhouder kunnen worden aangemerkt. 3.18 Er is welbewust (memorie van grieven, randnummer 1.6) geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 1] ten aanzien van het beleid van Etirc ook na zijn defungeren als statutair bestuurder zozeer bepalend is gebleven dat hij in de voor deze zaak relevante periode met een bestuurder gelijkgesteld kan worden. Overigens acht het hof dat oordeel, gelet op de in het bestreden vonnis onder 4.4 samengevatte feiten, onmiskenbaar juist. 3.19 De vorderingen van de Consultants kunnen niet slagen voor zover zij gegrond zijn op de stelling dat persoonlijke aansprakelijkheid van [appellanten] reeds voortvloeit uit de omstandigheid dat Etirc fungeerde als een kostenvehikel zonder eigen, rechtstreeks belang bij de (opbrengst van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.