GERECHTSHOF TE AMSTERDAM NOTARIS- EN GERECHTSDEURWAARDERSKAMER Bij vervroeging. Beslissing van 10 april 2012 in de zaak van: [KLAGER], wonende te [woonplaats], APPELLANT, gemachtigde: P.R. Kokkeel, t e g e n [GERECHTSDEURWAARDER], gerechtsdeurwaarder te [plaats], GEÏNTIMEERDE, gemachtigde: M. Ignatius. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 20 oktober 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 6 september 2011. Bij die beslissing heeft de kamer de door klager tegen geïntimeerde, verder de gerechtsdeurwaarder, ingediende klacht op een onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. 1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 5 december 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. 1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 februari 2012. Beide gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. 2. De stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3. De feiten Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. 4. Het standpunt van klager Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder het volgende: 1. Het vonnis van 27 juli 2009, waarbij klager bij verstek was veroordeeld, is nooit aan klager betekend; 2. Zonder bij klager in huis te zijn geweest heeft de gerechtdeurwaarder beslag gelegd op roerende zaken van klager. In het proces-verbaal zijn zaken vermeld die klager nooit in zijn bezit heeft gehad; 3. De gerechtsdeurwaarder heeft nagelaten een verklaring van inkomsten bij klager op te vragen. De betalingsregeling was gezien het inkomen van klager niet reëel; 4. De aankondiging van de openbare verkoop is nooit aangeplakt. Ook was het tijdstip niet duidelijk; 5. De gerechtsdeurwaarder heeft nagelaten klager ervan in kennis te stellen dat de openbare verkoop op 12 mei 2010 niet doorging, waardoor klager onnodige kosten heeft moeten maken; 6. De gerechtdeurwaarder heeft klager geïntimideerd door aan te kondigen dat wederom beslag zal worden gelegd. Klager meent dat het recht van de gerechtsdeurwaarder om beslag te leggen is komen te vervallen, omdat hij op 12 mei 2010 niet is overgegaan tot executie. 5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder De gerechtsdeurwaarder heeft de stellingen van klager ten aanzien van klachtonderdeel 5 erkend, maar voor het overige betwist en gemotiveerd weersproken. Een en ander zal hierna bij de beoordeling aan de orde komen. 6. De beoordeling 6.1. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de gerechtsdeurwaarder klager er niet van in kennis heeft gesteld dat de openbare verkoop geen doorgang zou vinden en dat klager aldus op 12 mei 2010 tevergeefs op de gerechtsdeurwaarder heeft gewacht. Een dergelijk handelen/nalaten betaamt een goed gerechtsdeurwaarder niet. Dat men, zoals de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep nog heeft toegelicht, door hectiek op de afdeling als gevolg van plotselinge ziekte van de ingedeelde gerechtsdeurwaarder, vergeten is klager in te lichten, maakt dit niet anders. Bij de inzet van een ingrijpend middel als openbare verkoop mag uiterste zorgvuldigheid worden gevergd. Het hof is daarom met de kamer van oordeel dat de klacht ten aanzien van dat onderdeel gegrond is. 6.2. Ten aanzien van de overige klachtonderdelen oordeelt het hof als volgt. 6.3. Tegen het eerste klachtonderdeel heeft de gerechtsdeurwaarder zich verweerd door een exploot over te leggen, waaruit blijkt dat het vonnis van 27 juli 2009 op 2 september 2009 aan klager is betekend. Onvoldoende gemotiveerd is gesteld dat de inhoud van dat op ambtseed opgemaakte proces-verbaal onjuist is. De klacht is ongegrond. 6.4. Wat in 6.3. is overwogen geldt ook voor klachtonderdelen 3 en 4. De gerechtsdeurwaarder heeft de stellingen van klager met overlegging van bewijsstukken gemotiveerd weersproken. Hetgeen klager heeft aangevoerd is onvoldoende om enige tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in deze vast te stellen. 6.5. Bij de behandeling van klachtonderdeel 2 is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder die op 5 november 2009 het executoriale beslag heeft gelegd, niet is verbonden aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder tegen wie de klacht is gericht. De gerechtsdeurwaarder heeft hieromtrent ter zitting in hoger beroep verklaard dat het in drukke perioden gebruikelijk is een gerechtsdeurwaarder van een ander kantoor in te schakelen. Nu deze klacht dus betrekking heeft op het handelen van een andere gerechtsdeurwaarder en niet is gebleken dat aan de gerechtsdeurwaarder zelf een verwijt kan worden gemaakt van de keuze voor die andere gerechtsdeurwaarder of de wijze waarop de opdracht is verstrekt, moet ook dit klachtonderdeel ongegrond worden verklaard. 6.6. Tot slot kent de wet geen bepaling die verbiedt dat voor een tweede keer beslag zou mogen worden gelegd. Derhalve is ook klachtonderdeel 6 ongegrond. 6.7. Met de kamer acht het hof voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel de maatregel van berisping een passende sanctie. 6.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven. 6.9. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing. 7. De beslissing Het hof: ? bekrachtigt de bestreden beslissing. Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, D.J. Oranje en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 april 2012 door de rolraadsheer. KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM Beslissing van 6 september 2011 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 572.2010 ingesteld door: [klager], wonende te Almere, klager, gemachtigde P.R. Kokkeel tegen: [gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder te Rotterdam, beklaagde. Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 10 augustus 2010, ingekomen op12 augustus 2010, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij brief van 19 augustus 2010, ingekomen op 23 augustus 2010, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij brief van 14 februari 2011 heeft klager een nadere reactie gegeven op de brief van de gerechtsdeurwaarder van 19 augustus 2010. Bij brief van 7 april 2011, ingekomen op 8 april 2011, heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend. De klacht is behandeld ter zitting van 28 juni 2011 waar niemand is verschenen Van de behandeling ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 6 september 2011. 1. De feiten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.