parketnummer: 23-002592-10 (promis) datum uitspraak: 16 mei 2012 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam (nevenvestiging Haarlem) van 8 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-077040-04 tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1957], adres: [adres], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van: - 13 en 15 juli 2009; - 1 september 2009; - 18 en 21 januari 2010; - 29 en 30 maart en 1 april 2010; - 6, 8 en 9 april 2010; - 12, 13 en 15 april 2010; - 19 en 20 april 2010; - 27 april 2010; - 10 en 11 mei 2010; - 18, 20 en 25 mei 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van: - 25 mei en 10 juni 2011; - 5, 7 en 8 september 2011; - 25 en 27 oktober 2011; - 30 januari 2012; - 5 april 2012; - 12 april 2012; - 19 april 2012 en - 26 april en 1, 10 en 16 mei 2012. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 13 juli 2009 en 20 april 2010 toegelaten wijzigingen ten aanzien van respectievelijk feit 5 en de feiten 5 en 6 is aan de verdachte ten laste gelegd dat: Ten aanzien van feit 1 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2002 tot en met 31 januari 2004, te Amsterdam en/of Rotterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Zwitserland en/of op de Kanaaleilanden (zijnde Kroonbezit van het Verenigd Koninkrijk) en/of op de Nederlandse Antillen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(
- s)op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer) EUR 17.068.165,-, in elk geval (telkens) van één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad, te weten één of meer van de navolgende geldbedragen: 1. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 3.176.461,50 (ontvangen op of omstreeks 30 december 2002) en/of 2. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.361.340,60 (ontvangen op of omstreeks 10 januari 2003) en/of 3. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 3.400.000,- (ontvangen op of omstreeks 28 februari 2003) en/of 4. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.500.000,- (ontvangen op of omstreeks 14 maart 2003) en/of 5. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 900.000,- (ontvangen op of omstreeks 2 april 2003) en/of 6. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 450.000,- (ontvangen op of omstreeks 23 april 2003) en/of 7. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.499.920,28 (ontvangen op of omstreeks 27 mei 2003) en/of 8. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 2.800.000,- (ontvangen op of omstreeks 26 juni 2003) en/of 9. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 400.000,- (ontvangen op of omstreeks 21 juli 2003) en/of 10. een geldbedrag van USD 2.000.000,- (zijnde of vertegenwoordigende een (tegen)waarde van (ongeveer) EUR 1.580.373,37) (ontvangen op of omstreeks 7 januari 2004), zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)wist(en), althans redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat die/dat geldbedrag(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; Ten aanzien van feit 2 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 april 2000 tot en met 03 december 2003, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, en/of te Zürich, in elk geval in Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Agreement'), gedateerd 6 april 2000, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)in strijd met de waarheid a. die Overeenkomst gedateerd op 6 april 2000, terwijl in die Overeenkomst een Rekening voor de Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Account') met nummer [rekeningnummer 502] is vermeld, die/dat op deze datum nog niet bestond en/of was geopend, en/of b. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 502] een Rekening voor de Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Account') betreft die gesteld is ten name van de vennootschap Cantor Holding B.V., terwijl die rekening in werkelijkheid een privé-rekening van hem, verdachte, was, en/of c. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de vennootschap TDI Holding Limited, zijnde de koper van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group B.V., een deel van de koopprijs van Mediamax Group B.V., te weten een geldbedrag van (ongeveer) NLG 75.000.000,- (tegenwaarde: EUR 34.033.516,21) schuldig is aan de vennootschap Cantor Holding B.V., zijnde de verkoper van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group B.V., en/of dat het verschuldigde geldbedrag onverwijld na het ondertekenen van die Overeenkomst diende te worden overgemaakt naar de Rekening voor de Zekerheidsstelling, en/of dat de Union Bank of Switserland AG als Agent voor de Zekerheidsstelling in zes termijnen van mei 2001 tot en met februari 2006 betalingen vanuit de Rekening voor de Zekerheidsstelling zou doen door storting op de rekening met nummer [rekeningnummer 503] ten name van de verkoper Cantor Holding B.V., terwijl Cantor Holding B.V. en/of hij, verdachte, in werkelijkheid de gehele koopprijs reeds had(den) ontvangen, en/of d. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 503] gesteld is ten name van de vennootschap Cantor Holding B.V., zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; Ten aanzien van feit 3 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand december 2003, te Amsterdam en/of Maarssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de SNS bank heeft bewogen tot het aangaan van een geldleningovereenkomst van (ongeveer) EUR 1.500.000,- en/of tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.500.000,-, in elk geval van enig geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn mededader(
- s)toen aldaar (telkens) met het hiervoor omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ter verkrijging van voornoemde geldlening (informatie uit) een vals of vervalst geschrift, te weten een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Agreement'), gedateerd 6 april 2000, verstrekt en/of toegezonden en/of overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat hij, verdachte, althans de vennootschap Cantor Holding B.V. waartoe hij gerechtigd was, in totaal (ongeveer) NLG 75.000.000,-, althans op dat moment nog (ongeveer) NLG 44.100.000,-, zou ontvangen ter zake van de verkoop van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group B.V., terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was, waardoor de SNS bank werd bewogen tot het aangaan van die geldleningovereenkomst en/of tot bovenomschreven afgifte; Ten aanzien van feit 4 hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006, te Amsterdam en/of Maarssen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer voorwerpen, te weten een of meer aandelen in de Exploitatiemaatschappij 't Gooier Hoofd heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden, dat die/dat voorwerp(
- en)geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf; Ten aanzien van feit 5 ([pand 1]) Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
- n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers hebben/heeft Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
- en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D47a, D48a, D49a, D50a, D51a, D52a, D53, D54a, D55a) in welke factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 1] te Amsterdam betrof(fen), en/of Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 10 november 2001 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en/of het derde kwartaal 2001 (D146) en/of september 2001 (Dl55), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
- en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 1] te Amsterdam) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of ([pand 2]) Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 maart 2001 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
- n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers heeft/hebben Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt, aan controleambtena(a)r(
- en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D85a, D85a1, D86a, D87a, D88a, D89a, D92a, D93a, D94a, D95a, D144a) in welke facturen en/of in welke administratie in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl deze facturen (deels) betrekking hebben op een verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 2] te Amsterdam betrof(fen), en/of Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 1 november 2004 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en/of vierde kwartaal 2001 (D150) en/of het eerste kwartaal 2002 (D151) en/of het tweede kwartaal 2002 (D169) en/of het vierde kwartaal 2002 (D/153) en/of het eerste kwartaal 2003 (D154) en/of september 2004 (D168), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V., opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
- en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 2] te Amsterdam) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of ([pand 3]) Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 maart 2006 tot en met 16 juli 2007, althans in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
- n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
- en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D5) in welke factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 3] te Baambrugge betrof(fen), en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 1 maart 2000 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 1999 (D l72) en/of het vierde kwartaal 1999 (D l72), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V., opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
- en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 3] te Baambrugge) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemd(
- e)bedrij(f)(ven), en/of ([pand 4]) Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
- n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft Merwede Monumenten B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
- en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D56b, D57b, D58b, D59b, D60b, D61b, D62b, D63b, D64b, D65b, D66b, D67b, D68b, D69b, D70b, D71b, D72b, D73b, D74b) in welke factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 4] te Den Bosch betrof(fen), en/of Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 1 juni 2004 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting voor september 2002 (Dl56) en/of december 2002 (Dl57) en/of februari 2003 (Dl58) en/of maart 2003 D159) en/of april 2003 (D160) en/of mei 2003 (D161) en/of juni 2003 (D162) en/of juli 2003 (D163) en/of augustus 2003 (D164) en/of oktober 2003 (D165) en/of november 2003 (D166) en/of april 2004 (Dl67), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft Merwede Monumenten B.V. opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
- en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 4] te Den Bosch) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of ([pand 5]) Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. en/of MIE. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
- n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld, immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V, en/of Merwede Real Estate B.V. en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
- en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D32a, D34a, D35a, D36a, D37a, D38a, D39a, D44a) in welke factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 5] te Amstelveen betrof(fen ), en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(
- en)in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 oktober 2002 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2000 (D172) en/of tweede kwartaal 2001 (D172) en/of derde kwartaal 2001 (D146) en/of vierde kwartaal 2001 (D147) en/of eerste kwartaal 2002 (D148) en/of vierde kwartaal 2002 (D149) en/of augustus 2001 (D170) en/of juli 2002 (D172), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V., opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
- en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 5] te Amstelveen) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), en/of (Londen) M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(
- n)die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, immers heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(
- en)van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D124) in welke factu(u)r(
- en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand in Londen betrof(fen), en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 oktober 2003 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(
- n)voor de omzetbelasting voor januari 2002 (D172) en/of juni 2003 (D171), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(
- en)betreffende (een) verbouwing van en/of investering(
- en)in en/of onderhoudskosten aan een woonpand (in Londen) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven), terwijl die feiten / dat feit er (telkens) toe strekte(
- n)dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(
- e)bovenomschreven strafbare feit(
- en)verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(
- en)verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven; Ten aanzien van feit 6 Cantor Holding B.V. op of omstreeks 2 oktober 2001 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (te weten [medeverdachte S]) of anderen, althans alleen, in een notariële akte, zijnde een authentieke akte, op genoemde datum te Amsterdam verleden voor [notaris J] (als waarnemer van [notaris D]), (beiden) notaris ter standplaats Amsterdam, valselijk heeft doen opnemen dat, - de koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais B.V. NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, en/of - dat er na verrekening van de koopsom en een (nog openstaande) schuld van NLG 350.000,- (drie honderd vijftig duizend gulden) het restant van de koopsom, groot NLG 196.500,- (een honderd zes en negentig duizend vijf honderd gulden) door koper (zijnde Cantor Holding B.V.) aan verkoper (zijnde [medeverdachte S]) zou worden voldaan, van de waarheid van welk(
- e)feit(
- en)die akte moest doen blijken, terwijl Cantor Holding B.V. en/of [medeverdachte S] en/of een of meer andere mededader(
- s)wist(
- en)dat - de koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais B.V. niet NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, althans dat de in de notariële akte opgegeven koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais B.V. (te weten NLG 546.500,-) onjuist was, en/of - die NLG 196.500,- (een honderd zes en negentig duizend vijf honderd gulden) niet door koper (zijnde Cantor Holding B.V.) aan verkoper ([medeverdachte S]) zou worden voldaan en/of - het bedrag van NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) als koopsom/waarde van de aandelen van die besloten vennootschap Tout Frais B.V. in die notariële akte was opgenomen om een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte S] te voorkomen en/of het bedrag van een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte S] te verlagen, terwijl Cantor Holding B.V. en/of [medeverdachte S] en/of een of meer andere mededader(
- s)wist(
- en)dat de koopsom/waarde van die aandelen in werkelijkheid NLG 2.000.000,- (twee miljoen gulden), althans een bedrag groter dan die NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden), bedroeg, zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, tot het plegen van welk(
- e)bovenomschreven strafbare feit(
- en)verdachte (telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(
- en)verdachte (telkens/meermalen) feitelijk leiding heeft gegeven. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt. Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde aangevoerd dat het er op lijkt dat er bij het strafrechtelijk onderzoek een 'tussenstop' is gemaakt bij de Belastingdienst alvorens men tot vervolging is overgegaan. Hetgeen zich tijdens die 'tussenstop' heeft voorgedaan, blijft voor de verdediging echter ongewis, waardoor het onderzoek volgens haar niet transparant en controleerbaar is geweest. Verder wordt in de stukken van het dossier de indruk gewekt dat er pas een verdenking jegens de verdachte zou zijn ontstaan, nadat de stukken van het strafrechtelijk onderzoek waren vrijgegeven voor fiscaal gebruik. Uit een memorandum van 6 juli 2005 zou echter blijken dat die verdenking daarvoor ook al bestond. Het openbaar ministerie heeft de rechter daarover onjuist geïnformeerd door te stellen dat er pas tijdens het fiscale onderzoek een verdenking jegens de verdachte is ontstaan. Volgens de verdediging dient het openbaar ministerie vanwege deze gang van zaken niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Het openbaar ministerie heeft gesteld dat er geen sprake is van het opzettelijk onjuist voorlichten van de rechter. Het openbaar ministerie is pas in een laat stadium op de hoogte geraakt van de inhoud van memorandum 82 van 6 juli 2005. Hoewel dit alles wel onder zijn verantwoordelijkheid valt, is er geen sprake van een doelbewuste veronachtzaming van de belangen van de verdediging die tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden. Het openbaar ministerie stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een onjuiste voorlichting door dat ministerie van de rechter. Voor zover er wel sprake zou zijn van een vormverzuim is dit naar de mening van het openbaar ministerie in hoger beroep hersteld door toevoeging van het memorandum van 6 juli 2005 aan het dossier. Het hof overweegt het volgende. In het proces-verbaal van relaas van 14 juni 2007 van [verbalisant A] is omtrent de aanleiding van het onderzoek gerelateerd dat op 17 augustus 2005 de stukken in het strafrechtelijk onderzoek zijn vrijgegeven voor fiscaal gebruik. Vervolgens zou het fiscale onderzoek aanleiding hebben gegeven tot een verdenking jegens de verdachte. De bevindingen van dit onderzoek zijn omschreven in de notitie 'Leningen [medeverdachte S] - [verdachte]' van 7 november 2005 en deze zijn voorgelegd aan de boete-fraudecoördinator bij de FIOD-ECD. Daaropvolgend is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.1 Voordat de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek waren vrijgegeven voor fiscaal gebruik, was er wel al een notitie opgesteld welke in het onderzoek bekend staat als memorandum 82 van 6 juli 2005. Dit memo is op de terechtzitting in hoger beroep van 25 en 27 oktober 2011 toegevoegd aan de stukken in het dossier.2 Op basis van een samenwerkingsovereenkomst van 5 juli 2004 tussen de regiopolitie Amsterdam en het Arrondissementsparket Amsterdam enerzijds en de Belastingdienst Amsterdam en de FIOD/ECD anderzijds kon informatie tussen die diensten worden uitgewisseld en bijstand worden verleend.3 Deze overeenkomst is telkens verlengd in het afstemmingsoverleg van achtereenvolgens 27 oktober 2004, 12 januari, 12 april en 28 juni 2005. Bij laatstgenoemd afstemmingsoverleg is besloten om de samenwerking te verlengen tot en met december 2005.4 Het hof stelt vast dat dit samenwerkingsverband nog steeds van kracht was op het moment dat op 17 augustus 2005 stukken uit het onderzoek Matterhorn werden vrijgegeven voor fiscaal gebruik en op het moment dat de bevindingen van de Belastingdienst zijn neergelegd in een notitie van 7 november 2005. Verder stelt het hof vast dat er van een ondoorzichtig onderzoek niet is gebleken. In voormeld proces-verbaal van relaas van 14 juni 2007 is gerelateerd hoe het onderzoek precies in zijn werk is gegaan. Verder blijkt dit ook uit de notitie 'Leningen [medeverdachte S] - [verdachte]' van 7 november 2005.5 Zou het zo zijn dat het dossier, alhoewel er al een strafrechtelijke verdenking jegens de verdachte bestond, eerst naar de Belastingdienst zou zijn gestuurd met het opzet dat deze dienst met de haar toekomende ver strekkende bevoegdheden materiaal boven tafel zou krijgen dat met strafvorderlijke bevoegdheden niet verkregen kan worden, en zou het openbaar ministerie de rechter hierover willens en wetens onjuist hebben geïnformeerd, dan zou zeker niet uit te sluiten zijn dat dit tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden. Het hof maakt echter uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting op dat de gang van zaken kennelijk aldus is geweest: medewerkers van de Belastingdienst hebben geconstateerd dat er zowel een mogelijke verdenking van strafbare feiten jegens de verdachte bestond in dit onderzoek als dat er te weinig belasting was geheven/voldaan in het kader van de verkoop van de aandelen Tout Frais B.V. Deze bevindingen zijn in het memorandum van 6 juli 2005 neergelegd. Het dossier is daarop naar de Belastingdienst gegaan, om verder onderzoek te doen naar de vraag of inderdaad te weinig belasting was geheven/voldaan en daartoe maatregelen te treffen. Het hof ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat er tijdens dat fiscale onderzoek controlebevoegdheden zijn gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden. Ook van de zijde van de verdediging is niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat stukken in het strafrechtelijk onderzoek terecht zijn gekomen door misbruik van fiscale controlebevoegdheden. Vervolgens is het dossier weer teruggekomen in het strafrechtelijk onderzoek, in verband met de strafrechtelijke verdenkingen. Een en ander is, zoals hiervoor is beschreven, uitvoerig gerelateerd. Dat er daarbij sprake zou zijn van een onjuiste relatering, ziet het hof, gelet op het vorenstaande, niet. Niet valt in te zien dat door de hiervoor geschetste gang van zaken de verdedigingsbelangen zijn geschonden, laat staan dat er aanleiding is te spreken van het doelbewust en op grove wijze veronachtzamen daarvan. Evenmin kan gezegd worden dat er sprake is geweest van een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld en waardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden. Vervolgens is er bij de hervatting van het strafrechtelijk onderzoek kennelijk een nieuw memorandum opgesteld dat voortbouwde op het eerdere memorandum van 6 juli 2005. Voor zover er sprake is geweest van onjuiste of onvolledige voorlichting door het openbaar ministerie op het punt van de vraag of er al een strafrechtelijke verdenking was gerezen jegens de verdachte vóórdat het dossier naar de Belastingdienst ging, is dat verzuim in hoger beroep hersteld. Het openbaar ministerie heeft immers alsnog tijdig inzicht gegeven in de gang van zaken door toezending van memorandum 82 aan het hof en de raadslieden van de verdachte bij brief van 19 oktober 2011. Het hof ziet ten slotte geen aanleiding te oordelen dat het openbaar ministerie deze onjuiste of onvolledige informatie in eerste aanleg opzettelijk heeft verstrekt. Gelet op hetgeen het hof aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft kunnen vaststellen, zoals hiervoor overwogen, is de noodzaak [verbalisant K] als getuige te horen in verband met het memorandum 'Leningen [medeverdachte S] - [verdachte]' van 6 juli 2005 en de notitie van 7 november 2005 en de gang van zaken bij de informatie-uitwisseling ten behoeve van de start van het onderzoek 'Matterhorn' - zoals door de verdediging bij pleidooi in hoger beroep voorwaardelijk is verzocht - niet gebleken. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging. Overwegingen ten aanzien van voorwaardelijk gedane algemene verzoeken van de verdediging De verdediging heeft bij pleidooi (andermaal) verzocht om kennis te kunnen nemen van stukken omtrent de financiële administratie van [W.E.] die betrokken zouden zijn in het onderzoek naar de moord op [W.E.] (Enclave NN) en wel in het bijzonder de gedigitaliseerde administratie van [W.E.]. De verdediging geeft als reden voor dit verzoek dat in het onderzoek in de onderhavige zaak stukken zijn opgenomen die afkomstig zijn uit het onderzoek naar de moord op [W.E.] en koppelt daaraan de stelling dat dit meebrengt dat ook inzage verstrekt moet worden in al die in beslag genomen stukken. De verdediging heeft de volgende redenen gegeven om inzage te krijgen in de gedigitaliseerde administratie: 1. gesloten beurzen hypothese; 2. eerdere betaling Bayline, Bergvalk 4; 3. waardeontwikkeling Holding Seaport IJmuiden (hierna steeds aan te duiden als: HSIJ); 4. andere betalingen aan [W.H.]; 5. betalingen aan andere criminelen, onder wie [J.M.]; 6. betaling van de 3 miljoen door [W.E.] in het dossier 't Gooier Hoofd (Threeglen); 7. verklaring verschil boedelbeschrijving en eigen opgave [W.E.] omtrent zijn vermogen; 8. schifting tussen wel en niet kloppende betalingen. De verdediging beroept zich daarbij op beslissingen van de Hoge Raad van 31 januari 2012 (LJN BU4214), 21 oktober 1997 (NJ 1998, 133) en 7 mei 1996 (NJ 1996, 687). Het hof constateert dat het in die zaken ging om het bekijken van videobanden die waren gemaakt van verhoren, respectievelijk een fotoboek dat in die verhoren werd gebruikt ten behoeve van de herkenning door getuigen. De juistheid van de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal werd betwist. Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak (Enclave Financieel) - die, wat het in feit 1 ten laste gelegde betreft, betrekking heeft op gelden die door afpersing van Endstra zouden zijn verkregen en door de verdachte zouden zijn witgewassen (daarom ter onderscheid van het onderzoek Enclave NN verder 'de witwaszaak' te noemen) - door het openbaar ministerie stukken zijn gevoegd die afkomstig zijn uit Enclave NN, te weten het onderzoek naar de moord op die [W.E.] (verder gemakshalve 'de moordzaak' te noemen). Die stukken uit de moordzaak maken deel uit van de witwaszaak. In zoverre is er een verschil met de door de raadslieden genoemde jurisprudentie: daar ging het om onderliggende informatie in dezelfde zaak. Naar het oordeel van het hof zijn daarom niet zonder meer de overwegingen van de Hoge Raad in die zaken van toepassing. Het openbaar ministerie heeft een keuze gemaakt welke stukken (en als zodanig duidt het hof ook de gedigitaliseerde administratie van [W.E.] aan) uit de moordzaak wel en welke niet in de witwaszaak zouden worden gevoegd, en het heeft deze keuze verantwoord6. In verband met de regiezitting in hoger beroep heeft het openbaar ministerie gemeld dat er in de witwaszaak afstemming is geweest met de onderzoeksteams met betrekking tot de moordzaak en de afpersingszaak tegen [W.H.] en anderen (verder te noemen: de Kolbakzaak). Het openbaar ministerie heeft verder toegelicht dat de politie door de financiële man van [W.E.], [J.H.], is geattendeerd op de tien in feit 1 ten laste gelegde betalingen en de titels daarvoor. In dat verband is de administratie van [W.E.] onderzocht en is alles wat dienaangaande is aangetroffen in het dossier van de witwaszaak gevoegd. Daarbij is door de advocaten-generaal aangetekend dat vanaf de aanvang van het onderzoek is bezien of de door [W.E.] (in de zogenaamde dagboekaantekeningen) genoteerde bedragen op iets anders zouden kunnen duiden dan op de in de witwaszaak ten laste gelegde betalingen in verband met afgeperste gelden. Naar de bevindingen van het openbaar ministerie zijn er geen andere stukken in het dossier van de moordzaak die van belang zijn voor het onderzoek in de witwaszaak dan de stukken die al in de witwaszaak zijn gevoegd.7 De verdediging heeft deze stelling toen niet betwist. Het hof stelt vast dat het onderzoek met betrekking tot hetgeen de verdachte verweten wordt langdurig en uitgebreid is geweest. In de verschillende fasen van de behandeling van deze zaak zijn vele stukken onderzocht en zijn getuigen door opsporingsambtenaren en - in aanwezigheid van de verdediging - door rechters gehoord. Tevens zijn op verzoek van de verdediging ook in hoger beroep nog diverse stukken door het openbaar ministerie opgespoord en in het dossier gevoegd ten behoeve van de verdediging. Tegen die achtergrond overweegt het hof met betrekking tot het verzoek nog het volgende. Een aantal van de getuigen was - blijkens hun verklaring - goed op de hoogte van de administratie van [W.E.]. Het hof noemt in dit verband met name [J.H.], [D.P.], de fiscalist [A.M.] en [A.T.]. - Van Prins bevinden zich diverse verklaringen in het dossier.8 [D.P.] - die de verdachte sedert 1996/97 kent en die vanaf september 1998 voor [W.E.] heeft gewerkt - was op de hoogte van [W.E.]'s administratie en op de hoogte van transacties in verband met andere zakenpartners van [W.E.], onder wie [W.H.]. Ook is hij in de Kolbakzaak door de rechter-commissaris gehoord.9 In hoger beroep heeft de verdediging alleen gevraagd om het horen van [D.P.] in verband met de zogenaamde dagboekaantekeningen van [W.E.]. Dat verhoor heeft plaatsgevonden. - [J.H.] - die in maart 2003 voor [W.E.] ging werken en orde moest aanbrengen in de financiële organisatie van diens ondernemingen - is talloze malen verhoord, te beginnen op 18 mei 2004, de dag na het overlijden van [W.E.].10 Hij heeft de politie op de hoogte gebracht van een aantal betalingen van [W.E.] aan de verdachte, het al dan niet bestaan van titels daarvoor en het mogelijke verband met afpersing door [W.H.]. Op 26 mei 2004 heeft hij de politie een aantal stukken gegeven met betrekking tot betalingen vanuit het [W.E.]concern aan [verdachte]/Ballados.11 Uit niets blijkt dat [J.H.] op de hoogte was van de vondst en de inhoud van stukken die als dagboekaantekeningen bekend werden en eerst in november 2005 in het onderzoek betrokken werden.12 [J.H.] verklaart bovendien over andere zakenpartners van [W.E.], onder wie [J.M.], en hun zakelijke besognes. [J.H.] is daarna nog gehoord door de rechter-commissaris13 en ter terechtzitting in eerste aanleg.14 - [A.M.]15 heeft vanaf de tweede helft van 2002 boekenonderzoek in de administratie van alle vennootschappen van [W.E.] gedaan, mede in verband met transacties die niet op papier zouden staan. Hij is in het bijzonder gehoord over een schuld van Marpollo aan Ballados en over Bayline en Bergvalk 4, mede in verband met een gesprek tussen hem, [J.H.] en [A.T.]. Op 6 maart 2009 is hij ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord.16 - [A.T.], die vanaf 1993 tot de dood van [W.E.] in 2004, vooral op fiscaal gebied, werkzaamheden heeft verricht voor de verdachte, is uitvoerig gehoord, ook ter terechtzitting in hoger beroep.17 Hij heeft verklaard over de verschillende betalingen tussen [W.E.] en de verdachte. Gelet op de mogelijkheden die de verdediging in dit onderzoek heeft gehad om inzicht te krijgen in de zaken van [W.E.] en tegen de achtergrond van de aangeduide verklaringen is het hof niet gebleken dat twijfel kan bestaan aan de hiervoor weergegeven woorden van het openbaar ministerie dat - kort gezegd - alle voor de witwaszaak van belang zijnde stukken uit de moordzaak zijn toegevoegd aan eerstgenoemd dossier. Het hof acht daarom toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk. Gelet daarop behoeft het door het openbaar ministerie naar voren gebrachte belang dat het onderzoek naar de daders in de moorzaak nog steeds loopt en de stelling dat dit belang zich verzet tegen kennisneming door de verdediging van (
- de)stukken in dat dossier geen bespreking meer. Aansluitend zal het hof het bij pleidooi in hoger beroep voorwaardelijk gedane verzoek behandelen tot voeging in het dossier van een memo van [J.H.]. Gelet op de mededeling van het openbaar ministerie bij gelegenheid van de repliek dat geenszins vast staat dat een memo als bedoeld door de verdediging in de administratie van [W.E.] was opgenomen en, indien dit het geval zou zijn geweest, het in de rede had gelegen dat het in het opsporingsonderzoek zou zijn aangetroffen, ziet het hof - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de voor het onderzoek in deze zaak van belang zijnde stukken uit de administratie van [W.E.] - geen noodzaak voor toewijzing van het verzoek. Het verzoek wordt derhalve afgewezen. Notitie voor de lezer De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd waren en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Schriftelijke bescheiden worden slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van overige bewijsmiddelen. Alle hierna opgenomen verklaringen worden zakelijk weergegeven en alleen voor zover relevant voor het bewijs. De door het hof voor het bewijs gebezigde onderdelen worden voorafgegaan door een asterisk. Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 De rechtbank heeft bewezen geacht dat de verdachte een tiental betalingen, tot een totaal van € 17.068.165, heeft ontvangen op rekeningen van de verdachte of bedrijven van de verdachte18 en dat deze betalingen uiteindelijk afkomstig waren van wijlen [W.E.] (verder te noemen: [W.E.]). De verdachte betwist het vorenstaande niet. De rechtbank heeft voorts bewezen geacht dat deze betalingen door [W.E.] onvrijwillig zijn gedaan en zijn afgedwongen door [W.H.] (verder te noemen: [W.H.]), dat de verdachte hiervan op de hoogte was en dat hij daarom tezamen en in vereniging met [W.H.] deze bedragen heeft verworven en/of voorhanden gehad. Dit wordt door de verdachte betwist. Bij de beoordeling van de vraag of ook dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen is, gaat het hof, op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uit van de navolgende redengevende feiten en omstandigheden en de navolgende overwegingen. * Het betreft de volgende betalingen met bijgenoemde omschrijvingen en nadere gegevens:19 ontvangen bedrag datum opdracht datum ontvangst ontvangen op bankrekening omschrijving 1 € 3.176.461,5020 30-12-02 30-12-02 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV deelaflossing lening S.M.IJ. in opdracht van Marpollo, restant volgt 2 € 1.361.340,6021 09-01-03 10-01-03 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV deelaflossing lening S.M.IJ. in opdracht van Marpollo 3 € 3.400.00022 28-02-03 01-03-03 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV Bayline 4 € 1.500.00023 14-03-03 [rekeningnummer 502] UBS 5 € 900.00024 02-04-03 02-04-03 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV 6 € 450.00025 18-04-03 24-04-03 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV Marina Seaport IJmuiden 7 € 1.499.990,2826 26-05-03 28-05-03 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV 8 € 2.800.00027 24-06-03 26-06-03 [rekeningnummer 502] UBS Bank Agreement 9 € 400.00028 18-07-03 21-07-03 [rekeningnummer 887] Ballados Investment NV Flamingo 10 $ 1.999.962,5029 24-12-03 07-01-04 [rekeningnummer 102] Xenia International Holdings Ltd. volgens afspraak * De tiende betaling vertegenwoordigt een tegenwaarde van ongeveer € 1.580.373,--.30 * [W.E.] heeft vanaf 2002 tot in 2004 gesprekken gevoerd met medewerkers van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), de zogenoemde achterbankgesprekken.31 Het hof neemt hierna de mededelingen op die [W.E.] deed aan medewerkers van de CIE die het hof redengevend acht voor de bewezenverklaring. Voor zover gesprekken in de vraag-en-antwoordvorm zijn weergegeven duidt het hof waar nodig [W.E.] aan met "E" en medewerkers van de CIE met "C". De schriftelijke samenvatting van het eerste gesprek van [W.E.] met de CIE, 20 maart 2003:32 [W.E.] leerde zo'n tien jaar geleden [W.H.] kennen. Tussen Endstra en [W.H.] ontstond gaandeweg een band, die onder meer bestond uit het dagelijks trainen op een sportschool. De groepering van [W.H.], [D.S.], [S.H.] en [P] houdt zich bezig met afpersingen. [W.E.] heeft de overtuiging dat als hij niet meer kan betalen, hij zal worden geliquideerd in opdracht van deze groepering. Tot op heden heeft hij een heel groot vermogen aan [W.H.] en [D.S.] moeten overmaken. Deze betalingen gingen naar 'legale', door de financiële deskundige van de groep opgezette bedrijven die het (geld) 'stallen' voor [W.H.] en zijn maten. [W.E.] is heel angstig geworden en heeft de sloten in zijn huis laten vervangen, omdat [W.H.] een sleutel had en het voorkwam dat hij 's nachts in zijn woning stond. Als [W.H.] [W.E.] wil spreken, komt hij ook midden in de nacht schreeuwen voor de deur van [W.E.]. Enige tijd geleden werd [W.E.] gebeld met het verzoek op kantoor van zijn advocaat [advocaat M] te komen. Toen [W.E.] daar kwam en de secretaresse van [advocaat M] hem naar diens werkkamer had gebracht zat niet [advocaat M] daar, maar zaten [D.S.] en [W.H.] achter het bureau. Ook zat [P] in die ruimte samen met andere personen. [W.E.] werd daar met name door [D.S.] bedreigd en zou weer geld moeten overmaken en, zo niet, worden afgeschoten. Deze woorden werd kracht bijgezet door een onbekende Joegoslaaf die daar [W.E.] een vuurwapen in de buik drukte. [W.E.] spreekt zijn angst uit over het voeren van dit gesprek en geeft aan dat, zodra wij hiervan een rapport opmaken, dit zal uitlekken, hetgeen zijn dood zal betekenen. Het tweede gesprek, 3 april 200333 E: Ik heb precies opgeschreven hoe ik heb moeten betalen. Ik heb echt enorme bedragen moeten betalen. C: Die betalingen van u gaan via gerenommeerde bedrijven? E: Ja. Het staat bij anderen en daar is ie ([W.H.]) ook dominant aanwezig en die mensen hebben zogenaamd dat geld, maar het is niet van hen. Die worden onder druk gezet om daaraan mee te werken. Die weten dat het van mij komt. Ik moet het overmaken. Dat zijn eigenlijk normale, nette mensen allemaal, maar die worden onder druk gezet. E: Vorige week dinsdagavond (het hof begrijpt: 25 maart 2003) om 23.00 uur stond ([W.H.]) voor de deur. Hij zei dat hij [K.H.] ging doodschieten als ik niet betaalde. E: Ik betaal omdat ik geen andere oplossing weet. ([W.H.]) heeft gezegd: 'Je moet niet denken dat je kan vluchten; met mijn politiecontacten weet ik binnen een dag waar je zit.' ([W.H.]) was mij ook aan het afluisteren en opnemen. De apparatuur was door een kennis van hem geplaatst, [V.H.]. Het vierde gesprek, 16 april 200334 E: Ik kreeg vannacht om 01.30 uur weer visite. Een beetje onder druk houden, noemen ze dat. [W.H.] en [D.S.]. Het restant dat ik moest betalen. Als ik dat niet deed, dan wist ik het wel. Ze hebben een bedrag vastgesteld van enige miljoenen, dan zou ik ervan af zijn. Ik moet 20 miljoen betalen, voor 1 mei. Ze persen me af, ze bedreigen me, ze willen me vermoorden. Ze verzinnen een probleem, dan gaan ze je helpen en daarna word je afgeperst. Ze hebben een aantal zeer nette mensen die ik ken, die worden als een soort stroman gebruikt en ik weet zeker dat ze dat niet vrijwillig doen. Het vijfde gesprek, 15 mei 200335 E: Vorige week zaterdag (10 mei 2003) is iemand die voor hem werkt, bij mij op kantoor geweest. Die heeft de harde schijf uit mijn computer gehaald. Ik moest een kabel van Schiphol naar Zandvoort kopen; daar moest ik 20 miljoen gulden voor betalen. Bleek dat het geen kabel was maar een holle buis. Ik zei: 'Ik moet gegevens hebben'. Dus heb ik een brief gestuurd naar een BV in het buitenland, dat ik informatie moest hebben over die kabel, dat ik het wilde kopen. Maar toen moest ik het geld op een andere manier betalen. Maar ik had dus brieven gestuurd. Die moest ik wissen. Toen kwam hij plotseling langs en heeft mijn harde schijf eruit gehaald. Hij zei: 'Ik moet die schijf eruit halen'. Hij heeft alles overgezet (het hof begrijpt: op een andere, vervolgens in de computer geplaatste, harde schijf) wat erop stond, behalve die twee brieven (van) vijftien januari
(2003). Hij heet [V.H.]. Er vinden 'normale' betalingen plaats en die mensen geven het geld niet aan [W.H.]; die houden, bewaren het voor hem. Het zevende gesprek, 24 juni 200336 E: Ik ben vandaag weer enige malen bedreigd met de dood. Ik moest betalen. 'Doodschieten als je dit en dat niet ...'. ([W.H.]) wilde 7 miljoen euro. Hij zei ook: 'Ik heb je gewaarschuwd, maar nu is het over'. Ik kreeg een briefje van hem, dat ik geld moest overmaken. Ik moest deze week betalen. Zeven miljoen wil hij over de bank overgemaakt hebben, naar een zakenrelatie van hem. En die man houdt het, bewaart het dan weer voor hem. C: (Die man) kan toch wel in de tang zitten van ([W.H.])? W: Ik denk dat dat inderdaad het geval is. ([W.H.]) rijdt af en toe achter me aan. Hij is me de hele dag aan het intimideren. Ik doe tegen hem niet bang. Hij zegt bijvoorbeeld: 'Je haalt de week niet'. Ik zeg: 'Dan ben ik toch nog vijftig geworden'. Hij zei: 'Jij kan wel weggaan, maar je familie is nog hier, en je kinderen'. Mijn kinderen, mijn familie, alles wordt bedreigd. [D.S.] heeft mij hoogstpersoonlijk bedreigd, helemaal zwaarbewapend. Het tiende gesprek, 27 augustus 200337 E: 'Ik moet nog een stukje betalen. Weer een bedreiging. Dat was in het Bosplan (het hof begrijpt: het Amsterdamse Bos). [M.K.] zei dat ik daar moest komen. Hij ([W.H.]) zei: 'Als je niet dat restje betaalt, vermoordt die ouwe ([S.H.]) je binnen twee tellen; had je maar moeten betalen, straks lig je met een kaartje aan je teen in de vrieskist'. Dat was vorige week. Ik moet nog 7 miljoen euro betalen binnen twee weken. Ik heb gezegd: 'Ik kan dat niet betalen'. Ten eerste zou ik niet weten hoe ik dat moet doen, want er moet een titel voor zijn. Ten tweede heb ik het geld niet.' De schriftelijke samenvatting van het elfde gesprek van [W.E.] met de CIE, 20 oktober 200338 'Twee weken geleden was [W.E.] in het buitenland toen [mevr. K] op zijn kantoor verscheen. Zij moest [W.E.] spreken omdat haar overleden man [S.K.] zeven miljoen had uitstaan bij [W.E.]. [W.E.] is naar Nederland teruggekomen en heeft met [mevr. K] gesproken. Kort daarvoor kwam [W.H.] langs en zei dat [W.E.] [mevr. K] keurig en beleefd moest behandelen en dat er Joegoslavische vrienden om de hoek stonden. Daags na dit incident maakte [W.E.] een afspraak met [advocaat M] op kantoor. Daar aangekomen, was niet [advocaat M] er, maar werd hij door [W.H.] meegenomen naar een kamertje. Daar is [W.E.] duidelijk gemaakt dat hij zeven miljoen moest betalen, doch niet aan [mevr. K] maar aan hem ([W.H.]). De termijn liep dinsdag a.s. af, maar is inmiddels met een week verlengd. In de woning in IJmuiden is zes weken geleden ingebroken door middel van een valse sleutel. [W.E.] had daar een dossier met betrekking tot de praktijken van [W.H.]. Dit dossier is gestolen. [W.H.] maakt opmerkingen als: 'Ik weet meer dan je denkt.' Het 12e gesprek, 11 november 200339 Geeft aan dat zijn dossier is gejat vanuit zijn woning in IJmuiden. Als hij overhoop geschoten wordt ligt er bij een notaris in den lande een handgeschreven stuk waar hij zijn handtekening onder heeft gezet, hoe zijn financiële situatie in elkaar steekt. * Ook heeft [W.E.] in die periode contact gezocht met de officier van justitie J. Plooij. Deze heeft naar aanleiding daarvan de volgende bevindingen40 opgeschreven: Op 2 juli 2003 werd ik in de loop van de ochtend gebeld door de chef CIE van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, [chef CIE]. [chef CIE] vroeg mij dringend nog deze middag naar het hoofdbureau van politie in Amsterdam te komen voor een gesprek met [W.E.] en diens raadsman, [advocaat P]. Onderweg vertelde [chef CIE] mij in het kort dat medewerkers van de RCIE gesprekken voerden met [W.E.], waarin [W.E.] onder meer vertelde dat hij werd afgeperst door [W.H.]. Ook vertelde [chef CIE] mij onderweg dat hij de indruk had dat [W.E.] doodsbang was en mogelijk op een punt was gekomen dat hij wilde praten over het afleggen van tactisch bruikbare verklaringen. Op het kantoor van [advocaat P] hebben wij vervolgens een gesprek gehad met [W.E.], in aanwezigheid van [advocaat P]. [W.E.] vertelde hij dat hij erg bang was dat dit gesprek zou uitlekken, zoals er al zo vaak gevoelige informatie over hem naar de media was uitgelekt. Hij zei in dat verband in één adem dat [W.H.] altijd en overal van wist, en overal zijn voelhorens had; dat had [W.H.] hem verteld. Bij het vertellen van het navolgende maakte [W.E.] zichtbaar een gespannen indruk; op mijn vraag tussendoor of hij op dat moment bang was voor [W.H.] antwoordde hij zonder meer bevestigend. [W.E.] vertelde mij dat hij enorm bang was voor verbale en fysieke bedreigingen door [W.H.]. Hij zei dat hij door [W.H.] al geruime tijd werd afgeperst in ruil voor 'protectie'. [W.H.] maakte enorme indruk op hem door regelmatig duidelijk te maken dat hij bij een aantal liquidaties betrokken is geweest; [W.E.] werd door [W.H.]s soms indirecte opmerkingen in dat verband heel erg bang dat dit hem ook zou kunnen gaan overkomen als hij niet zou doen wat [W.H.] wilde, en had de indruk dat [W.H.] het zei om hem die angst te geven. * [W.E.] heeft op 10 april 2003 (naar het hof uit de hierna volgende bewijsmiddelen begrijpt) een verklaring afgelegd bij notaris [notaris L]. [notaris L] (verder te noemen: de notaris) heeft zich op 18 mei 2004 bij de politie gemeld en toen deze schriftelijke verklaring overhandigd.41 Op de envelop is de volgende door de notaris met de hand geschreven en door hem ondertekende verklaring van 10 april 2003 geplaatst:42 Bijgaande verklaring te openen in geval van overlijden van de heer Mr [W.E.] als gevolg van zijn liquidatie. * De notaris heeft bij de rechter-commissaris met betrekking tot het gebeurde op 10 april 2003 het volgende verklaard:43 [W.E.] heeft mij gevraagd de verklaring die ik voor hem heb opgeschreven, geheim te houden en aan de CRI (het hof begrijpt: Criminele Recherche Inlichtingendienst) te overhandigen, mocht hij onvrijwillig het leven laten. [W.E.] was zeer geëmotioneerd, al voordat ik wist wat hij wilde. Hij heeft mij de verklaring gedicteerd. Hij heeft voordat hij de verklaring dicteerde mij verteld dat hij van het advocatenkantoor Lexence afkwam en dat hij hoogst ongelukkig was met de dingen die hem waren overkomen. Ik vond het niet prettig. In de verklaring is aan de orde geweest de bedreiging met een liquidatie. Ik zat ermee. Je zit met iemand die zegt dat hij net is afgeperst. * Eerder had de notaris verklaard over de datering van de verklaring en over andere stukken in de envelop44: Per 1 januari van dit jaar
(2004)ben ik oud-notaris. Ten tijde van de opgenomen verklaring van [W.E.] was ik nog notaris. In de handgeschreven verklaring die ik eerder heb overhandigd en op de envelop dient waar 2004 staat, 2003 gelezen te worden. De handtekening van [W.E.] en de parafen aan de onderzijde van de pagina's zijn in mijn tegenwoordigheid gezet. [W.E.] kwam zomaar bij me binnenlopen, zonder voorafgaande afspraak, vermoedelijk tegen het einde van de ochtend. Hij voelde zich onheus bejegend bij Lexence advocaten en wilde hierover een verklaring afleggen. Hij deed dit bij mij omdat hij mij kende en mij vertrouwde. Ik heb vervolgens de verklaring handgeschreven opgenomen. Deze verklaring werd door [W.E.] aan mij gedicteerd. Gezien de vertrouwelijkheid is de verklaring niet door de secretaresse uitgewerkt. Ik was ongelukkig, ongemakkelijk met de verklaring die [W.E.] aflegde. Ik heb deze verklaring opgenomen omdat ik [W.E.] gespannen vond en hij zijn verhaal wilde vertellen. Hiermee kon ik hem van dienst zijn. De verklaring is door mij als codicil bewaard. De bijlagen die bij de verklaring van [W.E.] zijn gevoegd, heb ik gekregen van [W.E.]. Hij had deze stukken bij zich. * De ten overstaan van de notaris afgelegde verklaring van [W.E.] luidt als volgt:45 Op 10 april 2003 verklaarde de heer mr. [W.E.] in persoon tegenover ondergetekende als notaris: Ik, mr [W.E.] ben onder dwang op 10 april 2003 om 12.00 uur bij [notaris W] (het hof begrijpt in dit verband: [notaris H]) verbonden aan Lexence advocaten te Amsterdam verschenen te zijnen kantore op verzoek van mr [A.T.]. Aldaar werd ik gedwongen een onherroepelijke volmacht te geven en te tekenen waarbij de aandelen in Recreatiepark Port Greve NV zouden worden verpand aan Bergheim Investments SA gev te Panama voor een fictieve schuld van E 6.806.703 (Hfls 15.000.000) aan Balladas Investments NV (het hof begrijpt: Ballados Investment NV) en een gefingeerde schuld van E 3.857.000 aan Bergheim Investments SA te Panama. De verpandingsakte welke is getekend op 26 febr 2003 is eveneens onder dwang van liquidatie van ondergetekende en/of familieleden getekend op 26 febr 2003, terwijl de handgeschreven toevoegingen in de akte van 26 febr 2003 op heden 10 april 2003, bij [notaris W] zijn toegevoegd door de notaris. Aanvankelijk weigerde ik te tekenen en ben zonder iets te zeggen weggelopen en rechtstreeks naar de heer [hoofd CID] gegaan, hoofd CID, kantoor Amsterdam. Naast [hoofd CID] waren nog 2 medewerkers aanwezig bij het gesprek. Ik heb de heer [hoofd CID] medegedeeld wie achter de afpersing zaten te weten de heer [W.H.] en zijn vriend [D.S.]. Ik werd opgebeld door [A.T.] om circa 13.00 uur om terug te keren naar Lexence advocaten onder de toezegging dat de boete van 0,5% per dag pas zal ingaan op 1 mei
- Daarna heb ik de stukken getekend. De heer Ad van [A.T.] verklaarde nadat de heer Weijman de kamer had verlaten, dat de heer [verdachte] onder dwang aan deze verpanding en of afpersing meewerkte, maar dat [verdachte] ook onder dwang handelde. Baladas NV (het hof begrijpt hier en verder: Ballados Investment NV) is een NV die vroeger van [verdachte] was en geadministreerd bij FTC Trust te Wassenaar. Nadat de heer [verdachte] zijn aandelen in de Seaport Marina IJmuiden aan de familie [W.E.] had verkocht en geleverd, heeft hij Baladas aan mij, W [W.E.], overgedragen voor f 1 ,= hoewel er een vordering was van Baladas op Seaport Marina van f 12.500.000,=. De vordering was niet volwaardig ivm zware verliezen van Seopart (het hof begrijpt: Seaport) Marina, daarom was de koopsom f l ,=. Bij FTC trust was bekend dat Baladas van [W.E.] was. Ik ben gedwongen deze NV terug over te dragen aan [verdachte] om niet zulks in dec
- Daarvoor heb ik bij FTC trust stukken moeten tekenen dat ik geen eigenaar meer was van Baladas. Na de overdracht heb ik de vordering van Baladas ad ongeveer f 12.500.000,= moeten voldoen aan Baladas bij Fortis bank te R'dam op een rek nr. De schulden genoemd in de akte van verpanding dd 26 febr 2003 zijn gefingeerd. Naar Baladas is een verklaring afgegeven aan de accountant van Seaport Marina dat Baladas geen vordering meer had (zie verklaring accountant) Ook de vordering ad E 3.857.000,- tbv van Bergheim heeft geen rechtsgrond. [W.E.] zal zich inspannen desondanks de bedragen te betalen onder dreiging van liquidatie v/hem in persoon. Mocht ik toch worden geliquideerd dan verzoek ik nots [notaris L] deze verklaring aan de politie te overhandigen. Aldus opgemaakt en getekend op 10 april 2004 (het hof begrijpt: 2003) Mr. [W.E.] De hiervoor weergegeven verklaringen van [W.E.] komen er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat hij heeft gezegd dat hij onder dwang van liquidatie van hemzelf en/of familieleden betalingen moet doen en heeft moeten doen, door al dan niet gefingeerde vorderingen te voldoen, aan (onder anderen) - zo zegt hij in de verklaring bij de notaris afgelegd met zoveel woorden - de verdachte. Achter de afpersing zouden [W.H.] en diens vriend [D.S.] (het hof begrijpt: [D.S.]) zitten. Tegenover de CIE-medewerkers heeft [W.E.] verklaard dat [W.H.] en [D.S.] een aantal nette mensen als stromannen gebruiken. Hetgeen [W.E.] heeft verklaard wordt op essentiële onderdelen door de hierna volgende verschillende redengevende feiten en omstandigheden bevestigd. * Op 17 mei 2004 wordt [W.E.] voor zijn kantoor te Amsterdam doodgeschoten
- * De getuige [advocaat Z] heeft op 19 mei 200447 het volgende verklaard: Ik ken [W.E.] sinds
- Ik ben zijn advocaat geweest tot 1998, begin
- We werden al snel goede vrienden. Ik weet dat [W.E.] al enige jaren bedreigd werd. Dat betrof afpersing. Op kantoor circuleerde al enige tijd de naam van [W.H.]. In augustus 2002 was er een zakelijk geschil ontstaan tussen [W.E.] en [J.M.]. Ik heb [W.E.] wel eens horen zeggen dat hij soms problemen had die hij beter met [W.H.] kon oplossen. Hij heeft mij verteld dat hij voor dergelijke problemen altijd vele tonnen beschikbaar hield. Ik vroeg hem of hij dat allemaal wel kon verantwoorden. Hij zei mij dat hij niet wilde dat er in zijn boeken en jaarcijfers over afpersing werd gesproken. Ik heb hem de laatste tijd horen zeggen dat hij met de dood bedreigd werd. Je kon ook merken dat zijn gedrag veranderde als hij een telefoontje kreeg. Vraag: Hoe is het mogelijk dat er zoveel geld uit het bedrijf onttrokken kon worden. Er gingen gigantische bedragen van miljoenen euro's naar ondoorzichtige projecten. De financieel directeur [J.H.] en ik waren bezorgd over deze situatie. De voortdurende onttrekking van liquiditeiten aan de bedrijven van [W.E.] leidde tot een volstrekt onduidelijke bedrijfsvoering. Het liquiditeitsprobleem was zo groot dat recentelijk [W.E.] zijn mobiele telefoon kort afgesloten is geweest en dat hij bij vrienden geld leende voor investeringen terwijl er stapels sommaties lagen voor openstaande rekeningen. [W.E.] wilde koste wat het kost zijn verplichtingen aan bepaalde personen nakomen. * Op 19 mei 2004 wordt de advocaat mr. [advocaat B], die op dat moment de raadsman van [mevr. E], de partner van [J.M.] is, gehoord over een door hem na de dood van [W.E.] aan de politie overhandigde brief van [W.E.]. Hij had deze brief van [W.E.] zelf, in een gesloten enveloppe gekregen met het verzoek deze te openen en aan de politie te overhandigen als [W.E.] zou worden doodgeschoten. Hij verklaarde verder:48 Ik vertegenwoordig [mevr. E] in een geschil met [W.E.] over California Properties BV. Er is een overeenkomst gesloten en [W.E.] heeft zich borg gesteld om de termijnen en betalingen na te komen. De betalingen werden al snel niet conform de afspraken gedaan. [W.E.] gaf te kennen dat hij liquiditeitsproblemen had. Gedurende 2003 heb ik [W.E.] zien veranderen van een strakke zakelijke persoon in een labiele persoon, bij wie de angst van het gezicht te lezen was. Deze angst kwam voort uit het feit dat hij voor zijn leven vreesde, dat hij werd bedreigd en afgeperst. Dit heeft hij mij verteld en hij verzocht mij hem juridisch niet kapot te maken door hem te houden aan de termijnen en tot uitwinning over te gaan. * In de aan [advocaat B] overhandigde brief, gedateerd 2 december 200349, schrijft [W.E.]: 'Begin deze maand heb ik u € 200.000 overgemaakt (...). Er is een behoorlijke achterstand ontstaan in de aflossing (...). De reden voor deze achterstand is tweeërlei. Ten eerste is het moeilijk voor ondergetekende nieuwe financiering te verkrijgen gezien de negatieve artikelen in de media en ten tweede is veel van onze liquiditeit verdwenen aan oneigenlijke betalingen aan [W.H.]. Meermalen zijn wij met de dood bedreigd indien wij niet betaalden. Ook is medegedeeld dat wij niet aan uw cliënt mochten betalen; dit zou tot gevolg hebben dat ondergetekende dan wel familie van mij zou worden (...) geliquideerd. De bedreigingen houden aan en maken het mij en mijn familie moeilijk om op een normale manier verder te leven.' * De getuige [V.H.] heeft op 31 januari 200650 het volgende verklaard: Vraag: [W.E.] heeft voor zijn dood gesproken met de politie. Hij heeft toen ook verteld dat ene [V.H.] klusjes doet voor [W.H.]. [V.H.] heeft diverse camera's geplaatst en heeft ook een keer de harde schijf van [W.E.]'s computer gewist. Wat is daarop jouw reactie? Ik weet dat ik de harde schijf van [W.E.] een keer verwisseld heb, maar hoe dat verder precies is gegaan weet ik niet meer. * De door [W.E.] naar de notaris meegebrachte stukken die als bijlage bij de hiervoor genoemde door [W.E.] ten overstaan van die notaris afgelegde verklaring waren gevoegd, zijn de volgende: Een geschrift met opschrift Verpanding, kennelijk een onderhandse akte van 26 februari 2003.51 Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als getypte tekst en (van 10 april 2003 daterende) handgeschreven renvooien: Overwegende: Holding Seaport IJmuiden BV ('HSY') heeft bij overeenkomst van 25 februari 2003 op zich genomen € 6.806.703 (fl. 15.000.000) aan Ballados Investment NV ('Ballados') te betalen op rekening Fortisbank [rekeningnummer 887]. Recreatiepark Port Greve BV ('Vennootschap') heeft op zich genomen € 3.857.000 (fl. 8.500.000) aan Bergheim Investments S.A. ('Bergheim'), te betalen als commissie voor de aankoop van Gran Dorado Hoch Sauerland en voor de aankoop van de aandelen World Fashion Center. Indien beide betalingen niet vóór 31 maart 2003 plaatsvinden zullen de aandelen Recreatiepark Port Greve BV verbeurd worden en zal een boeterente van 0,5% (renvooi: per dag over het restant van de hoofdsom te rekenen vanaf 1 mei 2003 tot de datum van voldoening) verschuldigd zijn. Voor deze verplichtingen staat [W.E.] persoonlijk garant. De verpanding zal als volgt geschieden. (renvooi: International Leisure Properties BV ('Pandgeefster')) en Bergheim zijn overeengekomen dat Pandgeefster een eerste pandrecht zal vestigen ten behoeve van Bergheim op de aandelen in Recreatiepark Port Greve BV, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen (renvooi: Vennootschap) aan Bergheim (renvooi: en/of HSY aan Ballados) schuldig is. Dit geschrift bevat op de eerste twee pagina's telkens een paraaf van [W.E.] en is op de derde, laatste, pagina gedateerd te Amsterdam, 26 februari 2003, en ondertekend door [W.E.]. Op de eerste pagina staat een aantal renvooien, alle handgeschreven, geparafeerd door [W.E.] en op 10 april 2003 aangebracht.52 Een geschrift met opschrift Onherroepelijke Volmacht.53 Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: [W.E.], handelend als bestuurder van Convoy Contigas BV, handelend als bestuurster van Recreatiepark Texel BV, handelend als bestuurster van International Leisure Properties BV, 'Aandeelhoudster', geeft onherroepelijke volmacht aan Bergheim Investments S.A., 'Bergheim', om op eerste vordering van Bergheim namens Aandeelhoudster
(1)goed te keuren verpanding aan Bergheim van 52 aandelen in Recreatiepark Port Greve BV, 'Vennootschap', conform aangehecht concept Aandeelhoudersbesluit,
(2)ter uitvoering van een overeenkomst van 26 februari 2003, in kopie54 aangehecht, mee te werken aan de akte van verpanding van die aandelen aan Bergheim conform aangehecht concept Akte van verpanding van aandelen, en
(3)als directeur van Vennootschap de verpanding te erkennen. Ondertekend door [W.E.] op 10 april
- Een geschrift, kennelijk het in het hiervoor opgenomen geschrift bedoelde concept Aandeelhoudersbesluit
- Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Bergheim, handelend als gevolmachtigde van Aandeelhoudster, besluit hierbij toestemming te verlenen aan verpanding door Aandeelhoudster aan Bergheim van de 52 aandelen in Recreatiepark Port Greve BV. Het concept bevat op beide pagina's een paraaf of ondertekening van [W.E.]. Een geschrift, kennelijk de in de hiervoor weergegeven onherroepelijke volmacht56 bedoelde concept Akte van verpanding van aandelen
- Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Heden ... is voor mij, mr. Jelle ten Have, notaris te Amsterdam, verschenen: (...,) werkzaam bij Lexence, advocaten en notarissen, handelend als gevolmachtigde van:
(1)Aandeelhoudster,
(2)Bergheim en
(3)Recreatiepark Port Greve BV, 'Vennootschap'. In aanmerking nemend dat Vennootschap uit hoofde van een overeenkomst € 3.857.000 schuldig is aan Bergheim en dat Holding Seaport IJmuiden BV, 'HSY', uit hoofde van een overeenkomst € 6.806.703 schuldig is aan Ballados Investment NV, 'Ballados', en dat Aandeelhoudster met Bergheim is overeengekomen 52 aandelen in Recreatiepark Port Greve BV aan Bergheim te verpanden, vestigt Aandeelhoudster ten behoeve van Bergheim een eerste recht van pand op die aandelen en aanvaardt Bergheim deze inpandgeving, tot zekerheid van de voldoening van hetgeen Bergheim en/of Ballados uit hoofde van voornoemde overeenkomst te vorderen heeft van Vennootschap resp. HSY. Het concept bevat op alle pagina's een paraaf of ondertekening van [W.E.]. * Er blijken voorts inderdaad aantekeningen door [W.E.] te zijn gemaakt, de zogenoemde dagboekaantekeningen, die op belangrijke punten overeenkomen met wat [W.E.] heeft verklaard. Het hof neemt over de door de rechtbank in haar vonnis aangehaalde pagina's 3, 5, 7 en 15 van de dagboekaantekeningen
- * Op 9 september 2008 heeft [M.M.]59 het volgende verklaard: Ik heb vijf jaar (het hof begrijpt: als directiesecretaresse/officemanager) bij [verdachte] gewerkt, van 2000 tot half april
- Ik weet nog dat [verdachte] een tafel had bij het Ronald MacDonaldgala. Hij vroeg of ik mee wilde gaan. Het was volgens mij eind maart of april
- Op dat gala had [W.E.] ook een tafel. [verdachte] zei toen tegen mij dat hij absoluut niets meer met hem (het hof begrijpt: [W.E.]) te maken wilde hebben. [verdachte] zei dat hij een verdacht figuur was, die verdacht werd van witwaspraktijken en dergelijke. Hij zei dat hij ooit zaken met hem had gedaan en dat hij zelfs aandelen in Seaport IJmuiden met verlies had verkocht omdat hij niets met hem te maken wilde hebben. Hij wilde verre van hem blijven. * De politie heeft op 26 mei 2004 met de getuige [J.H.] gesproken en van hem stukken ontvangen. Daarover is het volgende gerelateerd:60 Doel van ons bezoek was om enkele stukken van [J.H.] in ontvangst te nemen die betrekking hebben op betalingen vanuit door [W.E.] bestuurde bedrijven aan bedrijven gerelateerd aan [verdachte]/Ballados. Wij namen enkele betalingsbewijzen van [J.H.] in ontvangst. Hij zei ons dat hij de betalingen had laten uitvoeren, en dat deze aanvankelijk voor hem begrijpelijk waren, omdat er een schuld van Sea Port Marina BV (het hof begrijpt: HSIJ) aan Ballados open stond van ongeveer fl. 12.000.000,--. [J.H.] zei ons dat het hem was opgevallen dat hij, nadat dat bedrag was betaald, van [W.E.] opdrachten bleef ontvangen om geldbedragen te betalen aan Ballados dan wel aan Ballados gerelateerde bedrijven. [J.H.] zei ons dat [W.E.] tegen hem zei dat hij extra betalingen moest blijven doen aan [verdachte] omdat hij werd afgeperst en dat [W.H.] daar achter zat. Hij had met [A.T.] (het hof begrijpt: [A.T.]) overleg gehad over de vraag op welke wijze de extra betalingen in de boekhouding afgedekt moesten worden. Als bijlage bij dit proces-verbaal zijn onder meer documenten gevoegd die betrekking hebben op de betalingen 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9 en
- * De getuige [J.H.] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 april 201061 onder meer het volgende verklaard: In maart 2003 ben ik in dienst getreden bij Convoy (het hof begrijpt: bij het concern van [W.E.]). Ik ben gestart als controller. In de loop van 2003 ben ik directeur financiële zaken geworden. Tijdens mijn werkzaamheden kwam ik transacties tegen waarvan ik de grondslag niet wist. Ik zag betalingen zonder titel. Dat ben ik niet gewend. Ik wist niet waarom ze gedaan werden. In augustus 2003 heb ik [W.E.] hierover aangesproken. Hij heeft mij apart genomen en buiten kantoor verteld dat hij werd afgeperst door [W.H.] en dat de betalingen aan Ballados in dat kader geplaatst moesten worden. [W.E.] heeft mij verteld dat het op dat moment nog ging om een bedrag van 30-40 miljoen. Ik kreeg geen specifieke opdrachten van [W.E.]. Ik moest de betalingen alleen in goede banen leiden. Het moest goed in de boeken verwerkt worden, zodat er geen fiscale vragen kwamen. [A.T.] kende ik uit het verleden. We zijn begonnen met het aflossen van de lening van HSIJ aan Ballados. Ik heb aan het trustkantoor gevraagd of zij hetzelfde bedrag in de boeken van Ballados hadden. De trust vertelde mij de vordering niet te kennen. Daarna nam [A.T.] contact met mij op. Toen ik hoorde dat Ballados de vordering niet kende was het probleem dat er al betaald was. In de loop van maart tot en met augustus 2003 heb ik me een beeld gevormd van de betalingen zonder grondslag. De omschrijvingen van de betalingen kwamen van [W.E.]. Later dat jaar, aan het einde, is er een afspraak geweest waarbij [W.E.] en [A.T.] aanwezig waren. Dit was op mijn initiatief, omdat ik de afspraken goed wilde verwerken. Deze bijeenkomst was in Hilversum, in de woning van [A.T.]. Het gesprek ging over winstrechten, dat weet ik nog goed. Op enig moment was de lening afgelost en de aankoop van Bayline boekhoudkundig verwerkt. Er was meer betaald en daar moest een titel aan worden gegeven. Dat werd het winstrecht dat in HSIJ aanwezig was. Deze titel werd aangedragen door [W.E.]. Hij pakte een papiertje en schreef daar het bedrag aan winstrecht op waar we op uit moesten komen. Dit was de eerste keer dat ik iets over winstrecht hoorde. Volgens mij heeft [W.E.] mij nooit verteld dat er afspraken waren over het winstrecht. [W.E.] rekende het bedrag voor, hoe je op het totale bedrag zou komen. Ik weet niet meer op hoeveel het winstrecht is vastgesteld. Niet lang daarna gingen we weg. De uitkomst van het overleg was dat er een overeenkomst moest worden opgesteld waarin de winstrechten op een fiscale manier verantwoord werden. Ik heb de overeenkomst nooit onder ogen gehad. Vrij kort hierna is [W.E.] overleden. Het gesprek heeft eind 2003, begin 2004 plaatsgevonden. Het winstrecht is nooit geactiveerd. Het enige wat in de boeken stond was een schuld aan Ballados. * [A.T.] is op 9 juni 2004 als verdachte gehoord in het dossier Enclave.62 Deze verklaring maakt deel uit van het dossier tegen de verdachte. [A.T.] heeft toen het volgende verklaard: In december 2002 ben ik door de heer [verdachte] gevraagd om te adviseren over en te assisteren bij de afwikkeling van de financiële vorderingen in het kader van de ontvlechting die ongeveer in 1999 had plaatsgevonden. [verdachte] (het hof begrijpt hier en in de verdere verklaringen van [A.T.]: de verdachte) en [W.E.] (het hof begrijpt hier en in de verdere verklaringen van [A.T.]: [W.E.]) hadden blijkbaar onderling al overleg gehad over de omvang van de bedragen en de wijze waarop betaald moest worden. Mij is gevraagd dat fiscaal en juridisch te begeleiden. In de loop van 2003 zijn de nodige zaken in de afspraken tussen partijen gewijzigd. Dit betreft dan de samenstelling van de vordering die uit meerdere elementen was opgebouwd, zoals onder andere commissies. Dat is echter fiscaal niet aantrekkelijk omdat je hier belasting over moet betalen. Het was mij bekend dat [W.E.] betalingsmoeilijkheden had. Daarover heeft hij mij zelf geïnformeerd. Er waren onvoldoende liquide middelen aanwezig maar wel schuldeisers, onder wie [W.H.]. Hij heeft die naam genoemd. Hij heeft verteld dat hij onder druk stond om te betalen. * In een derde, op 10 juni 2004 afgelegde, verklaring63 zegt [A.T.] het volgende: [verdachte] vertelde mij dat de geldelijke transacties reeds met [W.E.] besproken waren en ook de wijze waarop dit diende te worden afgehandeld. Hierbij noemde hij tevens de titels welke aan deze betalingen ten grondslag zouden liggen. Ik heb de heer [verdachte] aangegeven dat ik mij niet kon vinden in al de aangedragen titels vanuit mijn positie als fiscaal adviseur. De titel die ik direct heb afgewezen betrof de aankoop van een telecombuis tussen Schiphol-Rijk en Zandvoort, welke [verdachte] eerst zou verwerven en vervolgens zou doorverkopen aan [W.E.]. Ik overlegde met [verdachte] nog over de titels. Hiermee bedoel ik de redenen van de overeenkomsten. De titels zijn: - aflossing vordering Ballados en - commissies ten gunste van Bergheim. Hierna heb ik aangegeven dat de voorgestelde commissie betalingen aan Bergheim om fiscale en feitelijke redenen geen goede betalingsreden waren. Feitelijk was dit gebakken lucht, de reden was de afgesproken betalingen. [verdachte] zei dat er sprake was van een totaal aan betalingen die [W.E.] nog verschuldigd was. Dit was in het kader van oude afspraken en deze betalingen moesten nu op korte termijn worden afgehandeld. Op 10 april 2003 hebben [W.E.] en ik afgesproken bij de notaris. Ik vertegenwoordigde bij de notaris Ballados en Bergheim als adviseur van [verdachte], in opdracht van [verdachte]. De notaris in kwestie was Jelle ten Have. Voor de ondertekening verliet [W.E.] het pand. Hij zei niet bereid te zijn een stuk te ondertekenen met een dergelijke boetebepaling. Bij het vertrek was [W.E.] zeer ontdaan. [W.E.] kwam ongeveer een half uur later weer terug. * Op 12 juni 2004 verklaart [A.T.]64 (als verdachte, de verklaring maakt deel uit van het dossier tegen de verdachte) nog het volgende: De afspraken voor de winstverdeling inzake HSIJ zijn gemaakt nadat ik had aangegeven dat ik de commissiebetalingen van Port Greve aan Bergheim niet logisch en uitlegbaar vond. [W.E.] had hiervoor al eens aangegeven dat er ook gesproken kon worden over winstrechten met betrekking tot de aandelenverkoop Ballados en Sea Port IJmuiden. Ik heb nooit stukken/documenten gezien over de verkoopafspraken die [W.E.] en [verdachte] hebben gemaakt ten tijde van de verkoop van de aandelen. * [A.T.] heeft op 16 december 2008 als verdachte (de verklaring maakt deel uit van het dossier van de verdachte) bij de rechter-commissaris het volgende verklaard:65 In de herfst van 2003 vertelde [W.E.] mij dat hij onder druk stond om anderen te betalen. Later, eind 2003, begreep ik van [J.H.] dat het om [W.H.] en [J.M.] ging. * [A.T.] heeft voorts als getuige op 2 maart 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris66 nog het volgende verklaard: Na het afblazen van de telecombuis moesten we de betalingen van [W.E.] aan [verdachte] zo fiscaal gunstig mogelijk en binnen de grenzen van de wet verantwoorden. Het resultaat van deze besprekingen is het overzicht gemaakte afspraken. * Een geschrift met de volgende inhoud (het zogenoemde 'Overzicht gemaakte afspraken'):67 * Op Bayline Ltd. Is een bod gedaan van Dfl. 7 mio. Concept overdrachtsbalans volgt z.s.m. Het is nu nog niet bekend of Bayline als onroerende zaak vennootschap wordt aangemerkt. Om iedere discussie over overdrachtsbelasting te vermijden is het wenselijk geen der nieuwe aandeelhouders meer dan 33 1/3 % te laten houden. Graag ontvang ik een opgaaf wie de nieuwe aandeelhouders worden. In samenhang met de volgende punten wordt echter afgesproken de koopsom te stellen op Dfl. 10 mio. Deze betaling dient zo spoedig mogelijk (direct) overgemaakt te worden aan Ballados (zie hierna). Deze transactie moet voor 1 maart zijn afgewikkeld. Aandelen worden door trust overgedragen aan op te geven aandeelhouders zodra betaling ontvangen is. * Voor de afkoop van de winstrechten HSY (het hof begrijpt: HSIJ) (...) ontvangt Ballados Dfl. 15 mio direct. * Voor een bedrag van Dfl. 15 mio wordt pandrecht gevestigd op de aandelen van Recreatiepark Port Greve B.V. en Alrama Zandvoort B.V.. Bevestigd dient te worden dat deze beide vennootschappen aan jou behoren en dat de bezitting betreffen de aandelen in o.a. Fabege Enterprises B.V. Dit pandrecht wordt gevestigd vanwege winstrecht en commissies in verband met de aankoop van de vakantieparken en de verkoop van het WFC. Een nadere overeenkomst wordt hiervoor opgesteld en zal begin maart worden afgestemd. Deze rechten worden verstrekt aan Bergheim S.A. Betaling van dit resterende bedrag dient voor 31 maart 2003 plaats te vinden. Indien dit niet het geval is worden de aandelen verbeurd aan pandnemer. Voorts is bij late betaling de boeterente ad 0,5% verschuldigd zoals eerder overeengekomen met persoonlijke garantie van jou. * Betaling van de eerste twee bedragen dient direct plaats te vinden aan Ballados: bankrekening nummer[rekeningnummer 887]. Voor Bergheim S.A. volgen nog instructies. * Bij vragen graag contact opnemen. Het totaalbedrag is iets hoger dan laatst besproken i.v.m. te maken kosten voor structurering en advisering. Samenvartting: Dfl. Euro
- Betaling Bayline 7 3.176.462 (direct)
- Extra vergoeding Bayline 3 1.361.341 (direct)
- Winstrecht HSY 15 6.806.703 (direct)
- Winstrecht etc. WFC 15 6.806.703 (voor 31 maart 2003) * [A.T.] heeft als getuige ter zitting in eerste aanleg van 9 april 2010 het volgende verklaard:68 Het 'overzicht gemaakte afspraken' (Enclave 2 391 [het hof begrijpt: Enclave 3 961]) is door mij opgesteld. Dit overzicht is het resultaat van een aantal zaken die [W.E.] mij had verteld toen de telecombuistransactie geen doorgang kon vinden. [W.E.] heeft vervolgens een aantal zaken aangedragen waarbij wel gelden aan [verdachte] konden worden betaald. Hij heeft onder meer de commissie en de zaken in het overzicht aangedragen. Het overzicht is gemaakt op basis van wat beide partijen mij hebben verteld. De zaken werden primair door [W.E.] aangedragen en dat heb ik geprobeerd schriftelijk vast te leggen. * [A.T.] heeft als getuige ter zitting in hoger beroep van 5 september 2011 nog het volgende verklaard:69 Er zijn vanaf december 2002 door [W.E.] betalingen verricht aan de verdachte. Ik heb een reeks betalingen gezien over de periode van één jaar, waarvan de bedragen niet bij transacties aansloten. Ik wist dat er een totaalsom was overgemaakt. Onderdeel van dit bedrag zou, in overleg met de verdachte en [J.H.], de koopprijs van Bayline zijn. Ik heb zelf nooit de aansluiting kunnen maken. Vanaf het begin van 2003 zijn wij er van uitgegaan dat de eerste betalingen van [W.E.] betrekking hadden op het aflossen van de lening van HSIJ. [J.H.] heeft mij op een gegeven moment een overzicht van de betalingen laten zien. Naar aanleiding van het overzicht van [J.H.] is vastgesteld dat er voldoende was betaald voor de overdracht van de aandelen Bayline. Ik kreeg begin 2000 de instructie dat de aandelen van Bayline overgedragen zouden worden aan [W.E.]. Amicorp zou aan de verdachte vragen of hij de overdracht kon bevestigen. Dit heeft de verdachte ook gedaan. Voor mij was duidelijk dat Bayline was overgedragen aan [W.E.]. Hij heeft daar ook wat handelingen mee verricht. Achteraf heeft hij verklaard dat hij niet de eigenaar was. Als je puur kijkt naar de certificaten en het aandeelhoudersregister is juridisch de conclusie dat de vennootschap was overgedragen aan [W.E.]. Ik wist dat [W.E.] en de verdachte hun belangen wilden splitsen. Ik ben er daarom voor mezelf van uit gegaan dat die overdracht van vennootschappen in 2000 daar deel van uitmaakte. Omdat ik niet geïnformeerd was over betalingen, ging ik er van uit dat Bayline, Leopard en Xenia deel uitmaakten van een transactie met gesloten beurs. Ik heb later van de verdachte begrepen dat afspraken niet waren nagekomen en dat Bayline nog steeds zijn eigendom was. Het is mij niet bekend wat die afspraken inhielden. Ik weet niet of de koopsom van 7 miljoen gulden al in 1999 is afgesproken. In december 2002 is mij meegedeeld dat de koopsom van Bayline 7 miljoen gulden bedroeg. * Ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 201070 heeft de verdachte verklaard: Ik heb aan [W.E.] gevraagd om een verklaring op te laten maken dat hij geen aandeelhouder van Xenia en Bayline is geweest. Dat heeft hij gedaan. * Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 201071 heeft de verdachte verklaard: U vraagt mij wat ik wist van de grootte en het moment van de 10 betalingen die op het overzicht staan. Ik heb met [W.E.] besproken wat hij over zou maken. Het ging mij om het totaalbedrag. Op een papiertje hield ik bij wat er binnen kwam. Ik heb geen idee waar de omschrijving 'Flamingo' op slaat. * Ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 201072 heeft de verdachte ten slotte verklaard: [W.H.] heb ik twee keer bij [W.E.] thuis gezien. Het hof acht, op grond van al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat [W.E.] door [W.H.] is afgeperst. Het neemt hierbij over hetgeen de rechtbank heeft overwogen ter zake van de omstandigheid dat het hier gaat om een getuige die zelf niet meer onderworpen kan worden aan onderzoek omtrent wat hij heeft verklaard, te weten de volgende passages73: "4.1 Bruikbaarheid bewijsmiddelen (..) Allereerst stelt de verdediging dat [W.E.] als de belangrijkste getuige en de enige leverancier van direct bewijs tegen verdachte nooit door de verdediging bevraagd is kunnen worden. Dit behoeft op grond van Europese jurisprudentie inhoudelijke compensatie, hetgeen volgens de verdediging niet meer mogelijk is. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vastgesteld moet worden dat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest om [W.E.] te ondervragen, nu hij op 17 mei 2004 van het leven is beroofd. Dit maakt dat stevige eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van andere bewijsmiddelen die steun moeten bieden aan belastende informatie die in de schriftelijke weergave van de zogenoemde "achterbankgesprekken" en in de zogenoemde "dagboekaantekeningen" is neergelegd. Om van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te kunnen spreken, dient de rechtbank vervolgens te beoordelen of er voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om de verdediging in staat te stellen de verklaringen van [W.E.] inhoudelijk te betwisten. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdediging in het licht van artikel 6 van het EVRM voldoende compensatiemogelijkheden zijn geboden. Er is een aanzienlijk aantal getuigen gehoord, de verdediging heeft de gelegenheid gekregen de "achterbankgesprekken" te beluisteren en naar aanleiding daarvan verbeteringen in de transcripties te doen aanbrengen en vele andere door de verdediging naar voren gebrachte onderzoekswensen zijn eveneens toegewezen. (..) De rechtbank overweegt met betrekking tot de bewijswaarde van de "achterbankgesprekken" nog het volgende. Vooropgesteld wordt dat de achterbankgesprekken bewijstechnisch gezien te gelden hebben als schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering en derhalve alleen gebezigd kunnen worden voor het bewijs in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Wat betreft de betrouwbaarheid van de schriftelijke weergave van de achterbankgesprekken overweegt de rechtbank dat hiervan met behoedzaamheid gebruik gemaakt dient te worden. Deze gesprekken tussen [W.E.] en CIE-medewerkers zijn nimmer bedoeld als verklaringen die in een strafrechtelijke procedure een rol zouden moeten spelen. [W.E.] is in deze gesprekken niet altijd specifiek en lijkt soms bewust het geven van antwoorden te vermijden. De rechtbank sluit zeker niet uit dat [W.E.] niet altijd de waarheid sprak. De rechtbank ziet onder ogen dat [W.E.] verdachte is geweest van meerdere strafbare feiten en ook van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft aangenomen van personen uit het criminele circuit. Dit laat evenwel onverlet dat diverse uitlatingen van [W.E.] controleerbaar juist zijn gebleken. (..) De verdediging heeft nog aangevoerd dat het de waarheidsvinding niet ten goede is gekomen dat de dagboekaantekeningen van [W.E.] door de familie [W.E.] niet integraal aan justitie zijn verstrekt. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. De enkele omstandigheid dat niet alle aantekeningen aan justitie ter beschikking zijn gesteld, staat op zichzelf niet aan de betrouwbaarheid van de aantekeningen in de weg. Niet ter discussie staat immers dat de aantekeningen door [W.E.] zijn gemaakt. Ook voor de dagboekaantekeningen van [W.E.] heeft te gelden dat de rechtbank hiervan behoedzaam gebruik dient te maken en dat deze slechts voor het bewijs gebezigd kunnen worden in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt voorts dat de dagboekaantekeningen niet uitblinken in duidelijkheid en berusten op een door [W.E.] op een later tijdstip gemaakte reconstructie van het 'echte' dagboek, dat op enig moment in het ongerede is geraakt. Niettemin kan worden vastgesteld dat deze aantekeningen op een aanzienlijk aantal punten bevestiging vinden in concrete gebeurtenissen, documenten (onder meer bankafschriften) en getuigenverklaringen. De dagboekaantekeningen zijn - onder de geschetste voorwaarden - wel degelijk bruikbaar voor het bewijs." Met betrekking tot de vraag of de documenten al dan niet integraal aan de justitie zijn verstrekt voegt het hof hier het volgende aan toe. * Met betrekking tot deze vraag is in hoger beroep onder anderen door de raadsheer-commissaris [D.P.]74 gehoord. [D.P.] heeft verklaard: [H.E.] kon het dagboek niet meer vinden op de plek waar het opgeborgen was en daarom is er op allerlei andere plekken gezocht waar stukken door [W.E.] werden bewaard, die niet voor anderen bestemd waren. Samen met [A.E.] [W.E.] heb ik een aantal papieren gevonden in de garage aan de Minervalaan te Amsterdam. Dit was een stapeltje dat met een binder aan elkaar was gehecht. Kort nadat wij deze stukken gevonden hadden, vertelde [A.E.] mij dat hij gebeld was door [E.D.], die in Breda stukken gevonden had. [A.E.] heeft die stukken opgehaald. [H.E.], [A.E.] en ik zijn in het kantoor van [W.E.] bij elkaar geweest. Wij hebben de stukken bekeken en gekopieerd. De stukken die in Breda zijn gevonden en de stukken die in Amsterdam zijn gevonden, zijn bij elkaar gevoegd. Ik denk dat elk van de stapeltjes een dikte had van 1 centimeter. Als u mij de stukken laat zien in het dossier op de pagina's 2 0704 tot en met 2 716, zeg ik u dat ik deze stukken herken. Ik weet niet meer of dit de stukken uit de garage of uit Breda zijn. Er was meer dan dat u mij nu laat zien. Ik herken het handschrift van Wim [W.E.]. Ik herinner mij dat de stukken betrekking hadden op geldbedragen en transacties. De advocaat-generaal laat mij nu een stapel stukken zien uit het Kolbakdossier (D5-15 t/m 131). Dit lijkt meer op het stapeltje papier dat wij gekopieerd hebben en dat naar de politie moest dan de 18 pagina's die u mij eerder liet zien. Ik meen mij te herinneren dat dit de stapel is die naar de politie moest. Ik zie dat de 18 pagina's die u mij eerder liet zien, deel uit maken van deze stapel. Ik herinner mij inderdaad dat er onder andere stukken van een notaris bij zaten. Het hof constateert dat de hiervoor bedoelde door de advocaat-generaal aan de getuige getoonde stukken uit het Kolbakdossier door de Criminele Inlichtingen Eenheid aan het onderzoeksteam ter beschikking zijn gesteld75 en dat als bijlage zijn gevoegd de pagina's D5-15 t/m D5-131, waaronder de eerdergenoemde 'dagboekaantekeningen' en voorts kopieën van overzichten, brieven, aktes, overeenkomsten en andere stukken. Gelet op deze verklaring is het hof van oordeel dat er geen grond is voor de stelling van de verdediging dat de 'dagboekaantekeningen' niet integraal aan de justitie zijn verstrekt. Ten aanzien van de geloofwaardigheid van hetgeen [W.E.] in woord en in geschrift heeft gezegd over de afpersing overweegt het hof nog het volgende. [W.E.] heeft - volgens de desbetreffende notaris "zeer geëmotioneerd" - zich tot een notaris gewend om een verklaring af te leggen, inhoudend beschuldigingen aan het adres van anderen, met de uitdrukkelijke stipulatie dat die verklaring alleen aan de politie openbaar mocht worden gemaakt in het geval dat betrokkene zou worden geliquideerd. Het valt moeilijk aan te nemen dat een in dergelijke omstandigheden afgelegde verklaring volledig uit de lucht zou zijn gegrepen. Deze zou immers alleen enig effect kunnen sorteren in het geval dat [W.E.] daadwerkelijk zou worden geliquideerd. Het feit dat [W.E.] kort nadien is geliquideerd verleent daarmee op zich al - bij het ontbreken van enig aanknopingspunt voor de gedachte dat [W.E.] zich met die verklaring op onschuldigen zou willen wreken, anders dan de enkele omstandigheid dat [W.E.] wel eens met de term "schijtnicht" aan de verdachte schijnt te hebben gerefereerd, hetgeen voor een dergelijke verstrekkende conclusie niet voldoende is - geloofwaardigheid daaraan. Daarbij komt dat het hof constateert dat hetgeen [W.E.] heeft verklaard - op zichzelf gedetailleerd en consistent, in alle van hem afkomstige bronnen - zozeer op essentiële details wordt ondersteund door andere, niet rechtstreeks op [W.E.] te herleiden bewijsmiddelen, dat uitgegaan mag worden van de juistheid van wat [W.E.] op dit punt heeft gezegd. Het hof acht ook bewezen dat de tien in de tenlastelegging genoemde betalingen zijn verricht in het kader van die afpersing. Het hof baseert zich daarbij op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en voegt daar nog de volgende overwegingen aan toe. Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven dagboekaantekeningen het volgende op, daarbij grotendeels doch niet geheel aansluitend bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en geconcludeerd.76 In de aantekeningen worden bedragen en data genoemd, die in belangrijke mate, en wat de vermeldingen op pagina 15 van de hiervoor weergegeven dagboekaantekeningen betreft, vrijwel geheel, aansluiten bij de door de verdachte ontvangen betalingen. Zo begrijpt het hof dat op pagina 3 van de dagboekaantekeningen een overzicht van het totaalbedrag dat [W.E.] gedwongen zou moeten betalen, is vermeld, te weten 49.500 (het hof begrijpt: fl. 49,5 miljoen). Het staatje lijkt voorts aan te geven wat er al betaald is en wat er nog open staat: 23.500 (het hof begrijpt: fl. 23,5 miljoen). Het hof leest dat er onder de noemer 'Bayline' een bedrag van 10.000 (het hof begrijpt: fl. 10 miljoen) door [W.E.] is betaald en dat dit afgetrokken wordt van hetgeen aan [W.H.] (het hof begrijpt: [W.H.]) betaald moet worden. Dit bedrag sluit aan bij het door [A.T.] opgestelde 'Overzicht gemaakte afspraken', dat als eerste afspraak de betaling van fl. 10 miljoen in verband met de koop door [W.E.] van Bayline omschrijft. Op deze pagina van de dagboekaantekeningen noteert [W.E.] eveneens dat hij voor 1 april (het hof begrijpt: 2003) dient te betalen, omdat verdachte anders alles (de aandelen Port Greve) afneemt voor W.H. (het hof begrijpt: [W.H.]). Op pagina 5 van de dagboekaantekeningen schrijft [W.E.] over een BV die de verdachte heeft teruggenomen. Dit sluit aan bij de hiervoor opgenomen verklaring van [A.T.] ("Voor mij was duidelijk dat Bayline was overgedragen aan [W.E.]. Hij heeft daar ook wat handelingen mee verricht. Achteraf heeft hij verklaard dat hij niet de eigenaar was. Als je puur kijkt naar de certificaten en het aandeelhoudersregister is juridisch de conclusie dat de vennootschap was overgedragen aan [W.E.].") en anderzijds bij de eveneens hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2010 ("Ik heb aan [W.E.] gevraagd om een verklaring op te laten maken dat hij geen aandeelhouder van Xenia en Bayline is geweest. Dat heeft hij gedaan.") Op pagina 7 van de dagboekaantekeningen schrijft [W.E.] met betrekking tot 22 juni (het hof begrijpt: 2003): "Ik moet naar de Japaner in IJmuiden. Marcel belde. W.H. zal daar zijn en hij is boos want hij wil geld zien van W.F.C. Staat in Frankfurt van Port Greve en moet ik overmaken, naar een [T] dat schijnt rekening te zijn van [verdachte]! Hij wil nog 10 mio Euro. Ik kan er maar 3 betalen en restant als boot verkocht wordt 4,
- Ontmoeting met Marcel bij Shell Station IJmuiden om 9 uur komt W. Holle daar. Ik kreeg brief met vragen over dat geld maar ik had geen €10 mio overgemaakt maar slechts € 2.800 naar Ballados (het hof begrijpt hier en verder: Ballados Investment N.V.)." Uit het overzicht van de door [W.E.] gedane en door de verdachte (middellijk) ontvangen bedragen van hiervoor blijkt dat er een betalingsopdracht is van 24 juni 2003 op naam van Recreatiepark Port Greve BV, waarbij € 2.800.00 wordt overgemaakt naar de zogenoemde [T]rekening van de verdachte bij de UBS bank.77 Het hof leidt hier, met de rechtbank, uit af dat [W.H.] op de hoogte was van een privébankrekening van de verdachte en zijn betalingen op die rekening wenste te ontvangen. Dat de verdediging kennelijk begrijpt78 en blijft begrijpen79 dat de rechtbank hier concludeert dat [W.E.] in juni 2003 voor het eerst van [W.H.] zou hebben gehoord dat de verdachte de zogenaamde [T]-rekening had, berust op een onjuiste lezing van de desbetreffende overweging van de rechtbank. Pagina 15 van de dagboekaantekeningen is weliswaar niet volledig te doorgronden, maar bevat wel een overzicht van betalingen die gelijk zijn aan de hiervoor genoemde betalingen die [W.E.] aan de verdachte heeft gedaan. De 1e en de 2e betaling vormen samen een bedrag van (afgerond) fl. 10 miljoen, het bedrag dat bovenaan de pagina wordt genoemd. Na 28-2 wordt een bedrag vermeld dat gelijk is aan de 3e betaling, € 3.400.000 op naam van Ballados. Na 2-4 wordt een bedrag vermeld van € 900.000, met vermelding Balla, hetgeen overeenkomt met de 5e betaling op de rekening van Ballados. Na 13-3 staat een bedrag van € 1.500.000 [T] opgenomen en dat komt overeen met de 4e betaling op de zogenoemde [T]rekening. Na 26-5 staat een bedrag vermeld van € 1.500.000 -> Akragon. Dit is identiek aan de 7e betaling, afkomstig van de derdengeldrekening van Loyens&Loeff, vrijkomend uit een transactie met betrekking tot de Akragontoren. Onder deze regel staat een bedrag vermeld van € 450.000 Bank Ballados 21-4-
- Het hof ziet hierin de 6e betaling vermeld. De regel hieronder noemt een bedrag van 2800,- [T] 26-
- Het hof is van oordeel dat hier moet worden gelezen € 2.800.000 en dat [W.E.] hiermee de 8e betaling verwoordt, gestort op de [T]rekening. Nagenoeg onderaan staat een bedrag vermeld van € 400.000,-- Ballados +/- 25 juli. Dit ziet naar het oordeel van het hof op de 9e betaling. Hoewel de tiende betaling niet in de dagboekaantekeningen voorkomt, noch anderszins door [W.E.] genoemd wordt, merkt het hof in navolging van de rechtbank ook deze betaling als afgedwongen betaling aan, nu deze betaling blijkens de verklaring van de verdachte samenhangt met de overige betalingen en deel uitmaakt van het totaalbedrag dat [W.E.] aan de verdachte moest betalen
- Het hof acht deze aantekeningen, bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, voldoende duidelijk om deze conclusies te kunnen trekken. Dat andere aantekeningen niet, in ieder geval niet direct, in het licht van dit dossier te begrijpen zijn, maakt dat niet anders. Anders dan de verdediging ziet het hof voorts niet in dat het enkele feit dat op pagina 18 van de dagboekaantekeningen een optelling van bedragen die niet met deze zaak in verband zijn te brengen kennelijk eveneens leidt tot een totaal bedrag van € 49.500.00 voor de verdachte ontlastend zou zijn. Voor een dergelijke conclusie geven noch het dossier, noch de aantekeningen op zichzelf, aanleiding. Voorts geldt dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is geweest van willekeurige betalingen van aanzienlijke bedragen, die door [W.E.] op zijn betalingsopdrachten niet of van een vage omschrijving werden voorzien. Dit is een hoogst ongebruikelijke handelwijze voor een schuldenaar die er toch belang bij heeft om aan te kunnen tonen welke schulden hij heeft voldaan. Dit geldt eens te meer als daarbij fiscale overwegingen een rol spelen. Ook aan de ontvangende kant blijkt niemand in staat te zijn te zeggen op welke verplichtingen de individuele betalingen betrekking hebben. Het hof trekt hieruit de conclusie dat dit ook niet de bedoeling is geweest, aangezien het om wit te wassen criminele betalingen ging. De verdediging heeft op dit punt nog aangevoerd dat geen conclusies kunnen worden verbonden aan het soort omschrijving dat [W.E.] aan zijn betalingsopdrachten gaf zolang niet duidelijk is in hoeverre [W.E.] gewoon was om bij betalingen aan vaste zakenpartners vage of ontbrekende omschrijvingen te vermelden. De verdediging ziet er daarbij echter aan voorbij dat hier juist geen sprake meer was van vaste zakenpartners, maar van twee mensen die volgens de verdachte hun zakelijke belangen enige jaren daarvoor bewust hadden gescheiden en behoudens deze betalingen zakelijk niets meer met elkaar te maken hadden. In die situatie liggen vage of ontbrekende omschrijvingen bij betalingen, wanneer die dan na enige jaren eindelijk worden gedaan, niet voor de hand. De verdediging heeft getracht het bewijs van afgedwongen betalingen ten bate van [W.H.] te ontkrachten en heeft daartoe veel werk gemaakt van het, met name ook boekhoudkundig, uiteenzetten hoe de betalingen aan de hand van bestaande verplichtingen van [W.E.] jegens [verdachte] kunnen worden uitgelegd. Een en ander heeft het hof echter niet overtuigd. Indien hier sprake was geweest van reguliere betalingen in het economisch verkeer, en wel tot een totaal van ruim 17 miljoen euro, had verwacht mogen worden dat er onderliggende stukken zouden zijn, daterend uit de periode waarin de afspraken waarop deze betalingen zouden zijn terug te leiden zijn gemaakt, te weten 1998/1999, waaruit verschuldigdheid en prestatie duidelijk naar voren komen, en waarbij een duidelijke en directe relatie is te leggen met de verrichte betalingen. Direct valt dan op dat anders dan de notariële akte van 31 december 199981 (inhoudend de overdracht van de aandelen HSIJ van de aan de verdachte toebehorende onderneming Ballados aan Marpollo) en de daarop volgende overdracht van die aandelen nooit enig schriftelijk stuk naar voren is gekomen waarin de afspraken die de verdachte stelt in 1998 of 1999 met [W.E.] te hebben gemaakt, en op welke afspraken alle betalingen terug te voeren zouden zijn, zijn opgeschreven, hoewel de verdachte verklaart dat een dergelijk stuk er wel is geweest. Uiteraard kunnen stukken zoek raken. Onverklaarbaar vindt het hof echter, dat de verdachte, toen [A.T.] opdracht kreeg deze betalingen in goede banen te leiden, niet de beschikking heeft gekregen over dit stuk, waarbij de verdachte zelfs heeft verklaard (ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2010, als hiervoor weergegeven) dat verstrekking van het toen kennelijk nog wel voorhanden zijnde stuk aan [A.T.] niet aan de orde was. Tevens is onaannemelijk dat de verdachte niet meer zou weten of dit stuk in het ongerede is geraakt of dat hij het heeft weggegooid. Het hof gelooft derhalve niet dat dit stuk ooit heeft bestaan en dat de gestelde afspraken destijds zijn gemaakt. De verdediging heeft er op gewezen dat [A.T.] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat het in het door hem opgestelde 'overzicht gemaakte afspraken' genoemde winstrecht al sinds 1999 bestond en dat zowel de verdachte als [W.E.] hem dat hebben verteld. Het hof kan echter geen voor de verdachte ontlastende betekenis aan deze mededeling hechten. Enerzijds is de bron van die informatie de verdachte, die er belang bij had om te versluieren waarop de betalingen echt betrekking hadden en daartoe nu juist [A.T.] had aangezocht. Anderzijds is het [W.E.], die in die periode, zo blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, actief deelnam aan de pogingen plausibele verklaringen te vinden voor de betalingen en daartoe ook ideeën aandroeg. Het hof acht een en ander daarom onvoldoende om aan te nemen dat er in 1999 al afspraken waren gemaakt over bedoeld winstrecht, al kon dat achteraf gezien wel als plausibel worden geconstrueerd. Verder komt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen duidelijk het volgende beeld naar voren: er zijn betalingen gedaan die boekhoudkundig niet zijn thuis te brengen, maar die aan beide zijden, zowel bij de betaler als bij de betaalde, wel boekhoudkundig moesten worden verwerkt, en wel aldus dat een en ander geen vragen zou oproepen bij een eventuele controle. Daartoe moesten onderliggende verplichtingen aangedragen of gezocht worden, daar is het nodige overleg voor nodig geweest en zelfs speciaal iemand voor aan het werk gezet, namelijk [A.T.]. Sommige "kandidaat-verplichtingen" zijn hangende het proces afgevallen. Deze hele gang van zaken past bij het zonder argwaan te wekken in de boekhouding verstoppen van criminele betalingen, en niet bij het voldoen van reguliere betalingen in het economisch verkeer. Dat de achteraf gevonden betalingstitels op grond van de zakelijke verhoudingen in 1998/1999 tussen de verdachte en [W.E.], ook boekhoudkundig, nog wel in meer of mindere mate aannemelijk zijn te maken, doet aan het voorgaande niet af. Een noodzaak tot het alsnog toegang verlenen van de verdediging tot de gedigitaliseerde administratie van [W.E.] doet zich op dit punt dan ook niet voor. Overigens blijft wat het hof betreft overeind dat in ieder geval aan de betalingstitels Bayline en de winstrechten HSIJ de nodige gebreken kleven. Zo lijkt toch duidelijk te zijn dat Bayline in 2000 aan [W.E.] is overgedragen, gelet ook op de hiervoor aangehaalde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2011 van [A.T.] op dit punt en erkent de verdachte dat hij in 2002 [W.E.] heeft gevraagd te verklaren dat deze geen aandeelhouder van Xenia en Bayline is geweest. Evenzeer blijft overeind dat in de hiervoor genoemde notariële akte van 31 december 1999 is uitgesloten dat er nog aanspraak zou kunnen worden gemaakt op enige winstuitkering. Hoe dat ook zij, een en ander is niet relevant nu het hof bewezen acht dat er van achteraf geconstrueerde dan wel erbij gezochte betalingstitels sprake is die onder de 10 betalingen zijn geschoven, en dat deze 10 betalingen niet zijn terug te voeren op in 1998/1999 gemaakte afspraken. De verdediging heeft er in dit verband nog op gewezen dat de verdachte juist in de periode dat [A.T.] met zijn opdracht voor de verdachte doende was, wel aan de als getuigen gehoorde [R.H.] en [J.S.] - en in mindere mate aan de getuige [E.W.] - precies uiteengezet zou hebben welke financiële verplichtingen [W.E.] nog jegens hem zou hebben. Het hof kan aan deze getuigenverklaringen geen geloof hechten, omdat wat zij verklaren, gelet juist op wat hiervoor is overwogen, niet aannemelijk is. Het hof acht het bovendien niet geloofwaardig dat de getuigen [J.S.] en [R.H.], gehoord in 2010, op dat moment nog in zoveel detail als waarin zij hebben verklaard zouden weten wat de verdachte hun in 2000/2001 dan wel 2002 zou hebben verteld over zijn zakelijke bemoeienissen met [W.E.]. Daar komt bij dat bijvoorbeeld de getuige [M.M.] - wier verklaring niet door de verdachte is betwist - op dit punt weer heel anders heeft verklaard, zoals hiervoor is weergegeven. Laatstgenoemde verklaring bevat overigens nog wel een mogelijke verklaring voor het feit dat er inderdaad in de zakelijke verhoudingen tussen de verdachte en [W.E.] zoals die in 1998/1999 waren, achteraf bezien nog wel financiële verschuldigdheden van [W.E.] jegens de verdachte bedacht konden worden. De verdediging heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat er wel sprake was van reeds langer bestaande betalingsverplichtingen van [W.E.] jegens de verdachte nog een beroep gedaan op de verklaring die door de getuige [F.J.] in hoger beroep is afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris.82 Bij die gelegenheid heeft [F.J.] onder meer het volgende verklaard: U vraagt mij van welke kunstwerken ik zelf wetenschap en herinnering heb dat [verdachte] die in zijn bezit heeft gehad. Dat hij de Monet heeft gekocht, weet ik zeker. Ik weet niet meer welke Monet het was. Dat [verdachte] een Botero had, heb ik in 1989 of 1990 van hem gehoord. Ik weet ook dat hij een Chagall had. Dat heeft hij mij verteld. Ik heb de Botero en de Chagall niet gezien. Ik heb (..) (hof: de mij destijds verhorende politie-ambtenaar) (..) gevraagd om in mijn verklaring ook op te nemen wat ik over [W.E.] zei. Dat weigerde hij. (..) U vraagt mij wat ik dan had willen zeggen over [W.E.]. Ik ben er tussen 1995 en, dat zal dan 2004 geweest zijn als u zegt dat [W.E.] in 2004 is vermoord, ik dacht dat het eerder was, meermalen geweest. Hij heeft een keer of drie tegen mij gezegd: "Ga jij nog steeds om met die nicht?" Ik zei dan steeds: "Als je [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) bedoelt, die heb ik gisteren nog gezien." En dan begon hij te zeuren over dat hij [verdachte] nog geld schuldig was in verband met IJmuiden. Dit was in de laatste twee tot drie jaar voor zijn dood en met name in het laatste half jaar voor zijn dood en dat is een keer of twee, drie gebeurd. Op enig moment zijn de verhoudingen tussen [verdachte] en mij bekoeld. Ik was er niet blij mee dat hij buiten mij om dingen verkocht. Ik heb hem gevraagd: "Ga je verkopen?" Toen zei hij: "Ja, maar dat is toch te groot voor jou." Toen heb ik het kasteel verlaten en hebben wij in mijn beleving zo'n anderhalf jaar geen contact meer gehad. Dit is eind jaren negentig geweest. De raadsman houdt mij voor dat [verdachte] eerst in 2000 op Kasteel Bolenstein is gaan wonen. Dan moet het in het kantoor van Mediamax zijn geweest. U vraagt mij of ik zeker weet of dat eind jaren negentig was. Nee, dat weet ik niet zeker. Het ging niet alleen om het verkopen van de Botero. U vraagt mij hoe ik dan weet dat er meer is verkocht dan de Botero, zoals ik nu zeg. Dat weet ik niet. Dat denk ik achteraf, op grond van het bedrag dat met de verkoop gemoeid was. 8,5 miljoen is veel te veel voor één Botero. Over wát hij heeft verkocht, heeft hij mij niets gezegd, hij keek wel uit. Ik heb twee tot drie weken geleden voor het laatst contact gehad met [verdachte]. Hij belt af en toe. Hij komt dan een kop koffie drinken. Wij spreken dan over de rechtszaken, maar ook over andere dingen. Hij wist mij, voordat ik de oproep voor mijn getuigenverhoor ontving, te vertellen wanneer mijn verhoor zou plaatsvinden. Ik heb later van [verdachte] gehoord wat hij nog meer had verkocht. Dat was toen dat bedrag van 8,5 miljoen werd genoemd. Ik dacht trouwens dat het om 18 miljoen ging. Dat heb ik van [verdachte] gehoord, naar aanleiding van de strafzaak in eerste aanleg. Ik had in de aankoop door [verdachte] van kunst bij Royal Fine Arts en galerie K geen enkele rol maar ik wees hem wel op interessante werken. Ik heb niet iets tastbaars gezien van die aankoop. Ik ben voor een groot deel afgegaan op wat [verdachte] mij heeft verteld. U wijst mij erop dat [verdachte] pas in 2000 op Bolenstein is gaan wonen, dat ik alleen daar zou hebben getaxeerd en dat ik heb verklaard dat mijn eerste taxatie in 1997/1998 is geweest. Het zal dan inderdaad zo zijn geweest dat die eerste taxatie niet op Bolenstein is geweest. Die taxatie zal ik dan gedaan hebben op grond van mijn archief en andere informatie. U raadpleegt uw aantekeningen en mr. De Bree en mr. Posthumus ook. Daaruit concludeert u dat ik zowel heb gezegd dat ik weet dat [verdachte] in 1989/1990 met een Botero bezig is geweest als dat ik weet dat hij die in 1989/1990 had gekocht. U vraagt mij welke van de twee mededelingen nou klopt. Ik weet het niet meer. Uit de hiervoor aangehaalde verklaring concludeert het hof dat deze getuige enerzijds de neiging heeft zijn eigen conclusies en wat hij van anderen heeft gehoord als feiten te presenteren en anderzijds geen duidelijk beeld lijkt te hebben van waar en wanneer bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Voorts is duidelijk dat de getuige en de verdachte regelmatig contact hebben gehad en de inhoud van de beschuldigingen jegens de verdachte hebben besproken. Dit heeft tot gevolg dat het hof de juistheid van de mededelingen van deze getuige in twijfel trekt en daar geen voor de verdachte ontlastende betekenis aan kan hechten. De verdediging ziet er voorts aan voorbij, waar zij de omstandigheid dat verschillende getuigen hebben verklaard dat [W.E.] de verdachte tot vlak voor zijn dood om leningen vroeg als ontlastend opvoert, dat een dergelijk gegeven juist heel goed past bij de situatie dat de betalingen die [W.E.] aan de verdachte deed (uiteindelijk) niet voor de verdachte bestemd waren, maar voor [W.H.]. Dat de pogingen van [W.E.] om in zijn (betalings)nood op alle mogelijke manieren aan geld te komen om aan de eisen van [W.H.] te voldoen tevens het vragen van leningen aan degene aan wie hij zijn betalingen aan [W.H.] moest doen omvatten, acht het hof geenszins onaannemelijk. De verdediging heeft zich er op beroepen dat er nog een scenario op grond van het dossier mogelijk is, dat niet in strijd is met de in het geval van een bewezenverklaring te bezigen bewijsmiddelen, maar wel met een bewezenverklaring. Uitgaande van afpersing door [W.H.] van [W.E.], zou op grond van de inhoud van het dossier zeer wel betoogd kunnen worden dat [W.H.] liever zou zien dat [W.E.] zijn spaarzame liquiditeiten aan de verdachte zou betalen dan aan een concurrent-crimineel van [W.H.], aan wie [W.E.] ook geld verschuldigd was. Het zou dan vervolgens in de rede liggen dat daarna de verdachte afgeperst zou worden, zodat [W.H.] zijn geld alsnog binnen zou krijgen. Een en ander zou verklaren waarom [W.E.] zou hebben gedacht dat de verdachte van de afpersing wist en waarom het openbaar ministerie geen contacten tussen [W.H.] en de verdachte in de jaren 2002 tot 2004 heeft kunnen vaststellen. Het hof verwerpt dit verweer. Het acht niet aannemelijk dat [W.H.] of welke afperser dan ook iemands leven en dat van zijn familie op uiterst serieuze wijze zou bedreigen om ervoor te zorgen dat betrokkene zijn reguliere schulden zou voldoen. Evenmin valt in te zien dat een dergelijke merkwaardige handelwijze, waarmee dan toch aanzienlijke tijd en moeite zouden zijn gemoeid, mogelijk zou moeten maken dat de afperser dan vervolgens opnieuw tijd en moeite moet gaan steken in een tweede afpersing, namelijk die van de inmiddels betaalde reguliere schuldeiser. Dit alles, terwijl de mogelijkheid ook open had gestaan om de schuldenaar er toe te dwingen de betalingen direct ten gunste van de afperser te doen. Dat alleen via die omslachtige methode zou kunnen worden voorkomen dat eerst een concurrent-afperser zou worden betaald, ziet het hof niet in. Het vorenstaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte willens en wetens door [W.E.] betaalde geldbedragen die door [W.H.] ten behoeve van zichzelf waren afgedwongen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en dat aldus gezegd kan worden dat hij dit verwerven en voorhanden hebben tezamen en in vereniging met [W.H.] heeft gedaan. Doordat verdachte dit feit gedurende een lange periode en door middel van diverse transacties heeft begaan, acht het hof in navolging van de rechtbank bewezen dat sprake is van (het medeplegen van) gewoontewitwassen. De verdediging heeft een beroep op de nietigheid van de dagvaarding gedaan in het geval dat het hof tot het oordeel zou komen dat het onderliggende misdrijf niet afpersing door [W.H.] zou zijn maar wel zou veroordelen voor witwassen. Nu deze situatie zich niet voordoet, behoeft dit beroep geen verdere bespreking. De verdediging heeft verder betoogd dat de verklaring van de getuige [advocaat Z] niet voor het bewijs kan en mag worden gebezigd, nu de verdediging nooit in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en zijn verklaring wordt betwist. Voor de getuige [advocaat Z], die is overleden, geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor met betrekking tot de eveneens overleden [W.E.] is overwogen. Het hof erkent en onderkent dat de omstandigheid dat niet één, maar twee belastende getuigen niet meer ondervraagd kunnen worden, een serieuze hindernis is voor de verdediging. Niettemin is het hof van oordeel dat de verdediging hiervoor toch voldoende is gecompenseerd doordat zowel rechtbank als hof in ruime mate tegemoet zijn gekomen aan de onderzoekswensen van de verdediging ten aanzien van de overige inhoud van het dossier. Om het pleidooi in hoger beroep op dit punt aan te halen: De bak met getuigenbewijs is in dit dossier enorm. Te hooi en te gras zijn getuigen gehoord en herhoord. Lappen tekst zijn aan de woordelijke uitwerking van het gezegde gewijd, verhoorverslagen soms belopend tot meer dan 80 pagina's. Tevens is het hof van oordeel dat er voldoende overig bewijsmateriaal hiervoor is aangehaald, dat - los van de van [W.E.] afkomstige verklaringen - de verklaring van de getuige [advocaat Z] op esssentiële punten ondersteunt. Er is geen sprake van een situatie waarin de verdachte wordt veroordeeld op niets meer dan de verklaringen van twee overleden belastende getuigen. Gelet op het vorenstaande acht het hof het gerechtvaardigd ook de verklaring van de getuige [advocaat Z] voor het bewijs te gebruiken. De verdediging heeft betoogd, zo begrijpt het hof, dat het hof op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, slechts tot één van de volgende vier conclusies kan komen: I. de vennootschappen en lening waren niets waard op grond waarvan de betaling in 2002 en 2003 als witwassen van afpersingsbedragen moet worden beschouwd; II. de vennootschappen en lening vertegenwoordigden wel een waarde maar daarvoor was reeds eerder betaald of verrekend met andere transacties; III. de vennootschappen en lening vertegenwoordigden wel een waarde maar de verdachte zou [W.E.] dat voordeel aanvankelijk hebben geschonken om daarna de transacties terug te draaien en onder druk van afpersing het daadwerkelijk verschuldigde te incasseren; IV. de vennootschappen en lening vertegenwoordigden wel een waarde. De betalingen