GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Sector civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.023.803 (zaaknummer rechtbank 241392) arrest van de zesde civiele kamer van 29 mei 2012 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hazeleger Transporten B.V., mede h.o.d.n. Chickliner Int. Transport, gevestigd te Renswoude, appellante, hierna: Hazeleger, advocaat: mr. A. Knigge, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brinky Bouw en Ontwikkeling B.V., gevestigd te Ermelo, hierna: Brinky, geïntimeerde, advocaat: mr. L.F. Jansen. 1 Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 februari 2008 en 8 oktober 2008 die de rechtbank Utrecht tussen Hazeleger als gedaagde en Brinky als eiseres heeft gewezen. Van het laatste vonnis is een kopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 8 januari 2009, waarbij het op 23 december 2008 bete-kende exploot is ingetrokken en buiten effect is gesteld, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord, - de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is partijen akte verleend van het in geding brengen van hun respectieve producties bij berichten van 16 april 2012. Na afloop van de pleidooien heeft mr. Janssen nog overgelegd de stukken die in eerste aanleg voorafgaand aan de comparitie in het geding zijn gebracht. 2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier. 3 De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis van 8 oktober 2008. 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Deze zaak gaat kort samengevat over het volgende. Hazeleger heeft van Brinky op-dracht gekregen eendagskuikens te vervoeren van Denemarken naar Sint Petersburg in Rus-land. Hazeleger heeft de lading onder een CMR-vrachtbrief op 27 december 2005 opgehaald. De kuikens zijn vervoerd met een vrachtwagencombinatie waarvan de oplegger voorzien was van noodaggregaten. Bij de grensovergang van Estland naar Rusland, waar de douaneforma-liteiten ongeveer 3 uren in beslag namen, is de brandstof van de oplegger vanwege de lage omgevingstemperatuur (oplopend tot -19 °C) gaan vlokken. De chauffeurs hebben gepro-beerd de noodaggregaten op te starten maar ook de brandstof daarvan was gaan vlokken. De laadruimte met de kuikens werd daardoor niet langer geventileerd en verwarmd. De vracht-wagen is na afronding van de formaliteiten naar het afleveradres gereden. Bij aankomst op 29 december 2005 bleken ongeveer 110.000 kuikens overleden en de helft van de resterende kuikens in slechte staat te verkeren. 4.2 Brinky heeft Hazeleger op 2 januari 2006 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het overlijden van de kuikens. Deze is begroot op € 51.655,39. Bij brief van 30 juni 2006 heeft Hazeleger iedere aansprakelijkheid afgewezen. Bij inleidende dagvaarding van 5 december 2007 heeft Brinky Hazeleger vervolgens gedagvaard. Bij eindvonnis van 8 oktober 2008 heeft de rechtbank het beroep op verjaring verworpen, de gevorderde post voor vernietiging van de overleden kuikens afgewezen en overigens Hazeleger veroordeeld om aan Brinky een bedrag van € 50.389,03 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, en met veroordeling van Hazeleger in de proceskosten. 4.3 In haar eerste grief richt Hazeleger zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van Brinky niet was verjaard alvorens deze in rechte aanhangig is gemaakt. Haze-leger betoogt daartoe dat op grond van het hier toepasselijk CMR-Verdrag een verjarings-termijn geldt van één jaar, te rekenen vanaf de aflevering op 29 december 2005. Door de aansprakelijkheidsstelling op 2 januari 2006 heeft Brinky de verjaring geschorst als bedoeld in artikel 32 lid 2 CMR. Nadat Hazeleger op 30 juni 2006 de aansprakelijkheid had afgewe-zen, is de schorsing opgeheven. De resterende termijn van 362 dagen was al verstreken op het moment dat Brinky Hazeleger heeft gedagvaard op 5 december 2007. Anders dan Brinky en de rechtbank hebben aangenomen, is stuiting na een schorsing onder de CMR niet moge-lijk, aldus nog steeds Hazeleger. Ongeacht de vraag of de brieven van 29 augustus 2006 en 16 april 2007 van Brinky zijn aan te merken als stuitingshandelingen dan wel of tussen par-tijen sprake was van onderhandelingen, hebben die de verjaring dus niet gestuit. 4.4 Met haar grief stelt Hazeleger de vraag aan de orde naar de verhouding tussen het tweede en derde lid van artikel 32 CMR en meer in het bijzonder of samenloop van schor-sing en stuiting mogelijk is. Dit betreft een vraag van uitleg van de CMR. Die uitleg dient te geschieden aan de hand van artikelen 31 en 32 Weens Verdragenverdrag. Op grond daarvan dient artikel 32 te worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van deze bepaling met inachtneming van de context en in het licht van voorwerp en doel van de CMR. Behalve met de context moet ook rekening gehouden worden met een latere gebruike-lijke toepassing van de CMR die op overeenstemming van de verdragspartijen inzake uitleg van de CMR wijst. Dit brengt mee dat ook de heersende opvatting in de rechtspraak en litera-tuur van de verdragsstaten een primair interpretatiemiddel bij uitleg van de CMR vormt. Bij uitleg van de CMR kan geen gebruik worden gemaakt van de wordingsgeschiedenis daarvan, omdat geen verslag of documentatie van voorbereidende werkzaamheden (travaux prépara-toires) is gepubliceerd of anderszins voor publieke inzage beschikbaar is (HR 18 december 2009, LJN: BI6315, NJ 2010, 481 jo. HR 29 juni 1990, LJN: AD1191, NJ 1992,106). 4.5 De Nederlandse tekst van artikel 32 lid 2 en 3 CMR luidt: "2. Een schriftelijke vordering schorst de verjaring tot aan de dag, waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. In geval van gedeeltelijke aanvaarding van de vordering hervat de verjaring haar loop alleen voor het deel van de vordering, dat betwist blijft. Het bewijs van ontvangst van de vordering of van het antwoord en van het terugzenden der stukken rust op de partij, die dit feit inroept. Verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderin-gen schorsen de verjaring niet. 3. Met inachtneming van de bepalingen van het tweede lid, wordt de schorsing van de verjaring beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. Hetzelfde geldt voor de stuiting van de verjaring." 4.6 De CMR kent twee authentieke teksten, namelijk de Franse en Engelse. De Neder-landse versie van lid 3, tweede zin, is op dit punt gelijkluidend aan de Franse ("Il en est de même en ce qui concerne l’interruption de la prescription."). De Engelse tekst van lid 3 daar-entegen luidt: "3. Subject to the provisions of paragraph 2 above, the extension of the period of limitation shall be governed by the law of the court or tribunal seised of the case. That law shall also govern the fresh accrual of rights of action. " De Duitse tekst van de CMR sluit hierop aan: "3. Unbeschadet der Bestimmungen des Absatzes 2 gilt für die Hemmung der Verjährung das Recht des angerufenen Gerichtes. Dieses Recht gilt auch für die Unterbrechung der Verjährung." 4.7 Hieruit volgt dat waar de Nederlandse vertaling van lid 3, tweede zin, begint met "Hetzelfde geldt… ", daarmee wordt verwezen naar het toepasselijk recht en niet (ook) naar de eerste zin van het derde lid. 4.8 Indien met het hof wordt aangenomen dat in het derde lid, naar de tekst genomen, niet meer staat dan dat voor de stuiting de lex fori geldt, staan drie mogelijkheden open wat de betekenis hiervan betreft. De eerste mogelijkheid neemt als uitgangspunt dat artikel 32 CMR behoudens in lid 2 geen eigen procesrechtelijke bepalingen kent. Er is alleen voorzien in een schorsing van de verjaring zoals vormgegeven in het tweede lid. Behoudens het voorschrift dat de schorsing teweeg wordt gebracht door een schriftelijke vordering, bevat de CMR geen formele vereisten. Daarin voorziet het derde lid. Voorts is onder ogen gezien dat niet elk aangesloten land (uitsluitend) de rechtsfiguur schorsing kent. Voor dat geval bepaalt het der-de lid dat het recht van dat land tevens bepaalt welke formele vereisten gelden voor een rechtsgeldige stuiting. De termen schorsing en stuiting omvatten alle situaties waarin de ver-jaringstermijn ofwel voor zekere tijd wordt verlengd, ofwel wordt voorkomen dat deze ver-strijkt. De formele vereisten van de lex fori gelden in aanvulling op de (overige) vereisten voor de schorsing als bedoeld in het tweede lid. Het derde lid behelst in die visie niet meer dan een verwijzing naar de lex fori voor de formele vereisten waaraan voldaan moet zijn, wil de schorsende werking van het tweede lid werking krijgen. Afhankelijk van de lex fori moet de in het tweede lid bedoelde schriftelijke vordering bijvoorbeeld bij exploot, bij aangete-kende brief of bij gewone brief/fax/e-mailbericht etc. bij de vervoerder worden ingediend. Het resultaat van deze benadering is dat de samenhang tussen het tweede en derde lid aldus is dat een naar Nederlands recht naar de vorm geldige stuitingshandeling (3:317 lid 1 BW) de verjaring schorst als bedoeld in lid 2 - vgl. HR 30 maart 2012, LJN: BV2839 over de ei-sen waaraan een (naar Nederlands recht als stuitingshandeling aan te merken) ‘schriftelijke vordering’ ex art. 32, lid 2, CMR moet voldoen wil deze schorsende werking hebben als bedoeld in dat arttikellid. Indien op die wijze is geschorst, kan de vervoerder een einde ma-ken aan de schorsing door de vordering af te wijzen. In deze uitleg ligt besloten dat een nieuwe stuitingshandeling niet mogelijk is omdat de stuiting naast de schorsing geen zelf-standige/aanvullende betekenis heeft in de CMR. De hier uiteengezette zienswijze lijkt ten grondslag te liggen aan de uitspraken van gerechtshof ’s-Hertogenbosch (16 maart 2010, LJN BL8026), rechtbank Rotterdam (8 juni 2011, LJN: BQ8195, S&S 2011, 140) en recht-bank Arnhem (30 mei 2002, LJN: AL2177, S&S 2003, 105) en eerder gerechtshof ’s-Gravenhage (23 april 1996, LJN: AK3622, S&S 1998, 122). In deze visie stuiten nadere stuitingshandelingen, mits op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende, de verjaring niet. 4.9 Bij het hiervoor onder 4.7 aanvaarde uitgangspunt dat "Hetzelfde geldt... " slechts slaat op de verwijzing naar de lex fori, veronderstelt de tweede mogelijke betekenis hiervan geen verband tussen de in de CMR wel geregelde schorsing en de in de CMR niet geregelde stui-ting. De CMR bepaalt in die opvatting slechts dat op stuiting de lex fori van toepassing is, waarmee geen enkel verband wordt gelegd met de schorsing. De CMR onderkent daarmee dat het hier gaat om twee verschillende rechtsfiguren. De mogelijkheid van stuiting wordt (processueel en materieel) geheel aan het nationale recht overgelaten. Indien in het nationale recht schorsing naast stuiting niet voorkomt, is bij uitsluiting de nationale stuitingsregeling van toepassing en heeft het tweede lid geen betekenis in dat nationale recht. 4.10 De derde interpretatiemogelijkheid borduurt hierop voort maar veronderstelt dat schorsing als Fremdkörper mogelijk is naast de naar nationale recht toepasselijke stuiting. Daaruit volgt dat schorsing en stuiting naast (of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.