GERECHTSHOF AMSTERDAM SCHORSING VOORLOPIGE HECHTENIS Parketnummer: 23-000812-12 Gezien de strafzaak van het openbaar ministerie tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1974], opgegeven verblijfsadres: [adres] te [woonplaats], thans verblijvende in [detentieadres] Gezien de stukken, waaronder het bevel tot gevangenneming van 20 april 2007; Gelet op het onderzoek ter terechtzitting van 30 juli 2012, waarbij de verdachte en zijn raadsman zijn gehoord; Gehoord de advocaat-generaal; Overwegende, dat het hof termen aanwezig acht de voorlopige hechtenis te schorsen in voege als na te melden. Het hof heeft hierbij het volgende in zijn beschouwingen betrokken. De verdachte is - mede voor het feit dat thans nog alleen aan de orde is en dat gezien de inhoud van de tenlastelegging plaatsvond op 26 juli 2003 - op 3 april 2007 in verzekering gesteld en op 6 april 2007 in bewaring gesteld. De voorlopige hechtenis heeft sedertdien voortgeduurd, met een onderbreking gedurende de tijd dat de verdachte zich aan zijn vrijheidsbeneming heeft weten te onttrekken door zich voor justitie verborgen te houden. Op 15 april 2008 heeft de rechtbank haar vonnis gewezen, waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft de verdachte op 14 december 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Tegen dat arrest heeft de verdachte zich van cassatie voorzien. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof op 7 februari 2012 ten aanzien van één onderdeel, te weten de door het hof genomen beslissingen met betrekking tot het onder A2 ten laste gelegde en de strafoplegging vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Naar het zich laat aanzien zal de VI-datum omstreeks april of juni 2013 zijn. Op de terechtzitting van 30 juli 2012 zijn onderzoekswensen door de verdediging geformuleerd, waarop het hof heden heeft beslist dat een aantal getuigen zal moeten worden gehoord. Bij deze stand van zaken overweegt het hof dat een redelijke belangenafweging met zich brengt dat de verdachte de behandeling van zaak voor het nog aan het oordeel van het hof onderworpen onderdeel niet in voorlopige hechtenis behoeft af te wachten. Uitgangspunt is dat de verdachte zoveel mogelijk op vrije voeten is, tenzij feiten en omstandigheden dit verhinderen. Het onschuldpresumptie-beginsel brengt dit met zich. Het hof overweegt dienaangaande dat geen feiten of omstandigheden een schorsing verhinderen. Het hof betrekt daarbij dat gelet op het onderzoek dat nog moet plaatsvinden, niet te verwachten is dat de behandeling van de zaak tegen de verdachte op korte termijn plaats zal kunnen vinden, doch op z'n vroegst in de loop van het voorjaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.