Gerechtshof TE Amsterdam Voorzitter VAN DE Ondernemingskamer Beschikking – ECLI:NL:GHAMS:2012:BX9492
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VOORZITTER VAN DE ONDERNEMINGSKAMER BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.111.204/01 OK van 1. de naamloze vennootschap ING DIRECT N.V., gevestigd te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschap ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTERS, advocaat: mr. A.F.E. Versteegh, kantoorhoudende te Amsterdam.
2.2 Verzoeksters zijn betrokken bij een splitsing in de zin van artikel 2:334a leden 1 en 3 BW waarbij ING Bank (als verkrijgende vennootschap) het afgesplitste deel van het vermogen van ING Direct (als afsplitsende vennootschap) verkrijgt.
2.3 ING Groep N.V. (hierna ING Groep te noemen) houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van ING Bank. Deze laatste houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van ING Direct.
2.4 Voorafgaand aan de afsplitsing zal ING Groep één of meer aandelen verwerven in het geplaatste kapitaal van ING Direct, zodat ING Groep naast ING Bank aandeelhouder van ING Direct zal zijn.
2.5 Op 7 augustus 2012 heeft ING Groep in verband met de voorgenomen afsplitsing het volgende verklaard: “(…) it grants its consent, in its capacity as the sole shareholder of the [ING Bank] (…), to exclude application of paragraphs 1 and 3 of Section 2:334aa of the Dutch Civil Code, as a consequence of which an auditors’ statement is not required with respect to the matters referred to in these paragraphs.”
ING Bank heeft, in haar hoedanigheid van aandeelhouder van ING Direct, een soortgelijke verklaring afgelegd.
3.2 Het tweede lid van artikel 2:334aa BW en artikel 2:334bb BW behelzen voorschriften van kapitaalbescherming. De verklaring zoals bedoeld in artikel 2:234aa lid 2 BW wordt slechts verlangd ten aanzien van het vermogen van de voortbestaande splitsende vennootschap terwijl de verklaring zoals bedoeld in 2:334bb BW juncto artikel 2:94b BW slechts hoeft te worden afgelegd ten aanzien van de verkrijgende vennootschap. Bij deze achtergrond en het doel van voornoemde verklaringen past niet dat deze elk zowel door de splitsende als door de verkrijgende vennootschap zouden moeten worden afgelegd. Het voorgaande brengt mee dat voor goedkeuring van de aanwijzing van “dezelfde persoon als accountant” door de voorzitter van de Ondernemingskamer geen plaats is. Een en ander betekent dat verzoeksters niet ontvankelijk in hun verzoek dienen te worden verklaard.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter van de Ondernemingskamer, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 september 2012.