parketnummer: 23-005183-10 datum uitspraak: 11 mei 2012 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 25 november 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-801008-10 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1985], adres: [adres], [woonplaats]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 november 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 april 2012. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 925,9 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte komt dan de politierechter. Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de invoer van cocaïne. De raadsman heeft daartoe - in de kern en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte de laptoptas waarin de cocaïne is aangetroffen vlak voor vertrek uit Suriname cadeau heeft gekregen van zijn neef [betrokkene], van wie hij geen reden had om te twijfelen dat hij zich met enige handeling ten aanzien van drugs inliet, zodat de verdachte geen reden had om achterdochtig te zijn. De verdachte heeft de tas voor zijn gebruik gecontroleerd door in alle vakken te kijken, maar daarbij is hem niets bijzonders aan de tas opgevallen, behalve dan dat deze wat zwaar aanvoelde, aldus de raadsman. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte willens en wetens cocaïne binnen Nederland heeft ingevoerd. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen de verbalisanten hebben opgemerkt dat de tas van de verdachte abnormaal zwaar aanvoelde, hetgeen de verdachte ook moet hebben gevoeld toen hij de tas in ontvangst nam. De advocaat-generaal heeft in dit verband ook aangevoerd dat de wisselende en tegenstrijdige verklaringen van de verdachte, afgelegd tijdens het vooronderzoek, het relaas van de verdachte ongeloofwaardig maken. De advocaat-generaal heeft voorts aangevoerd dat hij wordt gesterkt in zijn overtuiging dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs doordat hij het in hoge mate onwaarschijnlijk acht dat iemand een hoeveelheid drugs aan een nietsvermoedende persoon meegeeft, zonder dat er een vervolgafspraak bij aankomst met die persoon is gemaakt, omdat de kans dat die drugs in het ongerede raken dan wel erg groot wordt. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in beide instanties is gebleken dat de verdachte op 24 augustus 2010 vanuit Suriname naar Schiphol is gevlogen en dat hij bij die gelegenheid een lederen aktetas van het merk Polo Senlong als handbagage bij zich droeg. Uit onderzoek is gebleken dat zich in de wanden van de aktetas twee platte pakketten cocaïne bevonden en dat het gewicht van die pakketten tezamen 925,9 gram bedroeg. Deze pakketten werden zichtbaar na het opensnijden van die wanden. Het gewicht van de tas inclusief de cocaïne bedroeg 3350 gram. De verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor bij de politie op 26 augustus 2010 steeds ontkend dat hij wist van de aanwezigheid van de cocaïne in de door hem meegenomen aktetas. Zijn verklaring komt er in de kern op neer dat hij voor zijn vertrek naar Nederland met zijn neef [betrokkene] in de stad was, dat hij bij die gelegenheid een namaaktas met daarop het merk Gucci voor zijn vriendin en een lederen laptoptas voor zichzelf wilde kopen, dat hij daarbij mede zijn oog had laten vallen op een lederen aktetas van het merk Polo Senlong, dat hij op dat moment echter onvoldoende geld bij zich had om beide tassen te kopen, dat zijn neef [betrokkene] toen heeft toegezegd de tassen op een later moment voor hem te kopen en dat hij beide tassen uiteindelijk één dag voor vertrek van [betrokkene] cadeau heeft gekregen. De verdachte heeft verklaard dat hij de laptoptas voor gebruik heeft gecontroleerd door in de vakken van die tas te kijken, maar dat hem niets bijzonders aan die tas is opgevallen, behalve dan dat deze enigszins zwaar aanvoelde. De verdachte heeft verklaard dat hij geen argwaan koesterde omdat lederen tassen in het algemeen van zichzelf zwaar zijn, dat hij toen niet aan de aanwezigheid van drugs in die tas heeft gedacht, ook omdat hij geen redenen had om niet blind te kunnen vertrouwen op zijn familie, in casu zijn neef. Het hof acht de door de verdachte geschetste gang van zaken voorafgaand aan de invoer van de cocaïne op zichzelf beschouwd niet zonder meer dermate onaannemelijk dat de verklaring van de verdachte hierover als ongeloofwaardig terzijde kan worden geschoven. De gang van zaken, zoals geschetst door de verdachte, vindt weliswaar geen bevestiging in overige stukken van het dossier, maar deze wordt evenmin weersproken door de inhoud van dat dossier. Daarbij komt, dat enig voor de hand liggend onderzoek door of vanwege het openbaar ministerie achterwege is gebleven. De omstandigheden dat de verdachte in het vooronderzoek op ondergeschikte punten wisselend heeft verklaard en dat hij voorts niet aanstonds heeft verklaard van welk familielid hij de aktetas cadeau heeft gekregen, maken dit oordeel niet anders. Deze punten houden niet zodanig verband met de kern van de verklaring van de verdachte, in het bijzonder waar het zijn wetenschap van de inhoud van de tas betreft, dat er aanleiding bestaat voor andersluidende conclusies. Het hof overweegt voorts, dat het meergewicht van de tas niet zodanig is geweest dat reeds op grond daarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de verdachte moet hebben geweten dat daarin cocaïne was verborgen, zoals door de advocaat-generaal is gesteld. Bij die stand van zaken,is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne in de aktetas, hetgeen leidt tot de slotsom dat het ten laste gelegde opzet in de betekenis van willens en wetens handelen niet voor bewezenverklaring in aanmerking komt. Het hof is voorts van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden evenmin toereikend zijn om te kunnen concluderen dat de verdachte het voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne heeft gehad, in de zin dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de tas die hij met zich meevoerde cocaïne verstopt zat. Het hof overweegt daartoe het volgende. Uit de verklaringen van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, volgt dat de verdachte in abstracto op de hoogte was van een mogelijk drugsrisico door de tas van [betrokkene] aan te nemen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat vanuit Suriname op allerlei manieren drugs worden vervoerd naar Nederland. De verdachte heeft bovendien verklaard dat zijn ouders hem altijd hebben gewaarschuwd voor gevaren van het meenemen van tassen van anderen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij bekend was met de aanwezigheid van borden op de luchthaven Zanderij, die door de daarop geplaatste opschriften reizigers waarschuwen voor 100% controles op Schiphol en die afraden 'voor anderen' zaken mee te nemen. Het hof overweegt dat het enkele besef van een mogelijk risico op aanwezigheid van drugs nog geen aanvaarding van de aanmerkelijke kans daarop impliceert. Het aanvaarden van de aanmerkelijke kans kan worden bewezen indien de betrokkene onder, naar objectieve maatstaven gemeten, verdachte omstandigheden geen onderzoek heeft gedaan naar de inhoud van de meegegeven voorwerpen. Dergelijk geboden onderzoek dient in zo'n geval te bestaan in het nemen van voor de hand liggende maatregelen. Door dergelijk onderzoek, voor het verrichten waarvan (gelet op de omstandigheden van het geval) alle aanleiding kan bestaan, achterwege te laten, wordt er blijk van gegeven dat men het drugsrisico aanvaardt. De vraag dient derhalve te worden beantwoord of in casu sprake is geweest van verdachte omstandigheden die de verdachte tot bijzondere actie hadden moeten bewegen. Het hof komt niet tot een bevestigende beantwoording van die vraag. In de onderhavige zaak kan niet gezegd worden dat van verdachte omstandigheden sprake was. Verdachte heeft immers verklaard dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.