GERECHTSHOF AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [ X ] B.V., gevestigd te [ vestigingsplaats ], APPELLANTE, advocaat: mr. H.A. van Beilen te Leeuwarden, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GEODIS WILSON NETHERLANDS B.V., gevestigd te Rotterdam, GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. A.J. Franken te ’s-Gravenhage. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna (ook) [ appellante ] en Geodis genoemd. Bij dagvaarding van 16 mei 2011 is [ appellante ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de ¬rechtbank Haarlem van 16 februari 2011, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 165533 / HA ZA 10-81 gewezen tussen haar als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en Geodis als eiseres in conventie, verweerster in reconventie. Bij arrest van 14 juni 2011 heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft op 10 oktober 2011 plaatsgevonden. Bij arrest van 26 juli 2011 heeft het hof op verzoek van [ appellante ] beslist dat artikel 127a lid 2 Rv buiten toepassing wordt gelaten en iedere verdere beslissing aangehouden. Bij memorie van grieven heeft [ appellante ] twee grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen zal toewijzen en de vorderingen van Geodis zal afwijzen, met veroordeling van Geodis in de kosten van het geding in beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft Geodis de grieven bestreden, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [ appellante ] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Ten slotte is arrest gevraagd. 2. Feiten 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1, tot en met 2.4, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan. 2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.2.1. Geodis heeft aan [ appellante ] over de periode vanaf 3 juni 2008 tot en met 1 juli 2009 in totaal € 29.039,16 in verband met verschillende werkzaamheden, gerelateerd aan het vervoer van zeecontainers, die Geodis als expediteur voor [ appellante ] heeft verricht. 2.2.2. [ appellante ] heeft deze facturen onbetaald gelaten. 2.2.3. Geodis heeft vanaf september 2007 containers van [ appellante ] laten controleren op de aanwezigheid van gas en bij het aantreffen daarvan, door een derde laten ontgassen. 2.2.4. Bij brief gedateerd 31 augustus 2009 heeft de advocaat van [ appellante ] Geodis bericht: “ (…) De vordering van Geodis Wilson wordt integraal door cliënte betwist. Uw cliënte heeft de afgelopen jaren diverse diensten voor cliënte verricht waarvoor uw cliënte meerdere facturen heeft gezonden. Achteraf is cliënte gebleken dat zij veel kosten heeft moeten maken die niet gemaakt hoeven worden. Daarbij bedoelt zij met name op het ontgassen van de containers. Thans blijkt namelijk dat het ontgassen van de containers volstrekt niet noodzakelijk is. Los daarvan; de thans nog openstaande facturen heeft cliënte pas een jaar na dato ontvangen. Thans kan zij de juistheid van de facturen niet meer controleren. (…)” 3. Beoordeling 3.1 In dit geding vordert Geodis dat [ appellante ] vanwege onbetaald gebleven facturen wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 33.348,08 (€ 29.039,16 in hoofdsom), vermeerderd met rente en kosten. [ appellante ] heeft de verschuldigdheid van deze facturen niet betwist maar gesteld een tegenvordering op Geodis te hebben. Zij vordert op haar beurt (na wijziging van eis) dat Geodis wordt veroordeeld tot betaling van € 79.857,93, althans € 64.007,57, vermeerderd met rente en kosten. Primair beroept zij zich op onverschuldigde betaling en subsidiair op dwaling. Daartoe voert zij aan, dat Geodis haar kosten voor het ontgassen van containers in rekening heeft gebracht, maar dat [ appellante ] daartoe geen opdracht heeft gegeven en voorts, dat [ appellante ] in 2009 is gebleken dat haar containers niet ontgast hoeven te worden. 3.2 De rechtbank heeft de vorderingen van Geodis toegewezen en de vorderingen van [ appellante ] afgewezen. 3.3 Met grief 1 richt [ appellante ] zich tegen het oordeel van de rechtbank, dat [ appellante ] haar betwisting van een onderliggende overeenkomst met Geodis tot controle op gas/ontgassen onvoldoende heeft onderbouwd. [ appellante ] bestrijdt verder dat Geodis “jarenlang” heeft gecontroleerd op gas/heeft ontgast, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 aanneemt. Deze activiteiten zijn volgens haar pas begonnen rond september 2007, terwijl het minder dan een jaar later was, namelijk vanaf medio juni 2008, dat een medewerker van [ appellante ] (de heer [ A ]) de noodzaak van gascontrole/ontgassen ter discussie stelde en daarna nog slechts incidenteel opdracht daartoe heeft gegeven. [ appellante ] bestrijdt tevens dat zij in de periode vanaf september 2007 tot medio juni 2008 ter zake een standaardprocedure of standaardinstructie hanteerde en voert aan dat een expliciete opdracht door een vertegenwoordigingsbevoegde persoon aan de zijde van [ appellante ] ontbrak. Volgens [ appellante ] heeft zij de e-mail van Geodis aan de heer [ appellante ] van 31 oktober 2007, waaruit anders zou blijken, nooit ontvangen. [ appellante ] voert met grief 2 aan dat zij ter zake van de noodzaak tot (controle op de aanwezigheid van gassen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.