GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.119.320/01 zaaknummer rechtbank: 520887 / HA ZA 12-811 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 mei 2013 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] gevestigd te [plaats], appellante, advocaat: mr. P.M. Keegstra te Amsterdam, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde] , gevestigd te [plaats], geïntimeerde, advocaat: mr. S. Peekel te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 7 december 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2012 in een incident ex artikel 223 Rv, gewezen tussen [appellante] als eiseres in het incident en [geïntimeerde] als verweerster in het incident. De appeldagvaarding, met producties, bevat één grief. [geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord ingediend. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft geconcludeerd – kennelijk – dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de in het appelexploot geformuleerde vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. Voorwaardelijk, voor het geval het hof de vorderingen van [appellante] geheel of gedeeltelijk zal toewijzen, heeft [geïntimeerde] gevorderd dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat [appellante] voldoende zekerheid zal stellen. 2Feiten 2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] houdt zich onder meer bezig met het verwerven, restaureren en het verkopen van onroerende zaken. [geïntimeerde] is een aannemingsbedrijf. 2.2 Partijen hebben een geschil gekregen over door hen op 28 juni 2010 gesloten samenwerkingsovereenkomst en de op 17 augustus 2010 gesloten aanvullende overeenkomst. 2.3 Op 7 en 8 februari 2012 heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag doen leggen ten laste van [appellante]. Het betreft onder meer derdenbeslagen onder Centraal Apotheek C.V. en de Rabobank Meppel-Steenwijkerland U.A. 2.4 [geïntimeerde] heeft [appellante] op 15 februari 2012 in kort geding gedagvaard en bij wijze van voorlopige voorziening betaling gevorderd van € 463.511,77, ter zitting in kort geding verminderd tot € 404.799,97, te vermeerderen met rente en kosten. In reconventie heeft [appellante] vorderingen tegen [geïntimeerde] ingesteld, onder andere strekkende tot opheffing van de gelegde beslagen. 2.5 Bij vonnis in kort geding van 9 maart 2012, hersteld bij vonnis van 19 maart 2012, heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam de in conventie en in reconventie gevraagde voorzieningen afgewezen. 2.6 Eind maart 2012 heeft [appellante] vernomen dat dagvaarding in kort geding niet aan de derden was overbetekend. Op 4 april 2012 heeft de advocaat van [appellante] de advocaat van [geïntimeerde] per fax en e-mail verzocht hem en de derden vóór 12.00 uur de volgende dag te berichten dat de op 7 en 8 februari 2012 gelegde beslagen waren vervallen, althans nietig waren en dat het de derden vrijstond om betalingen aan [appellante] te verrichten. De genoemde bevestiging is op 5 april 2012 nogmaals per e-mail gevraagd. Op deze verzoeken is van de kant van [geïntimeerde] geen reactie gekomen. 2.7 Op 5 april 2012 heeft [geïntimeerde] nogmaals verlof gevraagd tot het leggen van beslag ten laste van [appellante]. Nadat het verlof was verleend, is op 10 april 2012 wederom beslag gelegd onder andere onder de hiervoor onder 2.3 genoemde derden. 3Beoordeling 3.1 In deze bodemprocedure heeft [appellante] bij wijze van voorlopige voorziening het volgende gevorderd:primair: opheffing van de door [geïntimeerde] op 10 april 2012 gelegde derdenbeslagen; subsidiair: gedeeltelijke opheffing van deze beslagen, met dien verstande dat al hetgeen de derden vóór 10 april 2012 aan [appellante] verschuldigd waren niet onder dit beslag valt; meer subsidiair: veroordeling van [geïntimeerde], op straffe van verbeurte van een dwangsom, om de derden te berichten dat de op 7 en 8 februari 2012 onder hen gelegde beslagen van rechtswege zijn vervallen, althans nietig zijn en dat het hun vrijstaat om alle aan [appellante] vóór 10 april 2012 verschuldigde bedragen te voldoen. 3.2 De door [appellante] gevraagde voorzieningen zijn door de rechtbank bij het bestreden vonnis in het incident afgewezen. De grief van [appellante] is daartegen gericht. [appellante] is op grond van artikel 337 lid 1 Rv ontvankelijk in het hoger beroep tegen dit tussenvonnis. 3.3 Aan haar vorderingen legt [appellante] het volgende ten grondslag. [appellante] meent dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door ondanks het daartoe strekkende verzoek niet aan de derden mee te delen dat de gelegde beslagen van rechtswege waren vervallen, althans nietig waren. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst zij naar het arrest van dit hof van 28 april 2009 (LJN: BI4417) waarin is beslist dat de beslaglegger niet eigener beweging, maar wel desgevraagd derdenbeslagenen en/of de beslagene juiste informatie dient te verschaffen omtrent de rechtsgeldigheid van de derdenbeslagen. Verder stelt [appellante] dat [geïntimeerde] in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv door in het tweede verlofrekest er geen melding van te maken dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.