arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer: 200.113.307/01 zaaknummer rechtbank: 1368517 KK EXPL 12-1089 (Amsterdam) arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 mei 2013 inzake DE GEMEENTE AMSTERDAM, DIENST WERK EN INKOMEN, gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. A.A.H. Bruinhof te Amsterdam, tegen: DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE DIENST WERK EN INKOMEN VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. L.J.M. van Westerlaak te Utrecht. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna respectievelijk DWI en de OR genoemd. DWI is bij dagvaarding van 10 september 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 17 augustus 2012, in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen DWI als gedaagde en de OR als eiser. De appeldagvaarding bevat de grieven. De OR heeft daarna een memorie van antwoord ingediend. DWI heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van de OR zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten. De OR heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 januari 2013 doen bepleiten, DWI door mrs. F.J.A. van Ooijen en W.Th. Snoek, beiden advocaat te Amsterdam, en de OR door zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat, mr. L.J.M. van Westerlaak, allen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.14, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan. 3Beoordeling 3.1. DWI is een onderdeel van de gemeente Amsterdam dat zich bezighoudt met de uitvoering van bepaalde wettelijke taken, onder andere voortvloeiend uit de Wet werk en bijstand en de Wet inburgering, en bepaald gemeentelijk beleid. Zij verleent in dit kader diensten aan burgers die zich voor hulp of steun tot haar wenden. Binnen de gemeente Amsterdam is de kwaliteit van de dienstverlening door DWI, waaronder begrepen haar bereikbaarheid en externe communicatie, onderwerp van aandacht. Met het oog op de verbetering van deze dienstverlening heeft DWI beleid ontwikkeld dat erop is gericht de bereikbaarheid van haar medewerkers voor burgers door middel van e-mail, te vergroten. In dit verband heeft DWI op 20 juni 2012 de volgende instructie aan haar medewerkers bekendgemaakt: ‘Op vakantie? Onze dienstverlening gaat gewoon door! (…) Zet je afwezigheidsassistent aan als je er niet bent (ook bij je standaard deeltijddag) en geef aan wie mailers kunnen bellen of mailen in dringende gevallen. (…). Machtig daarnaast een collega (je buddy) of je teammanager voor toegang tot je mailbox. Je kunt zelf bepalen wie jij wilt machtigen. Deze collega houdt bij afwezigheid langer dan één dag je mailbox in de gaten om te kijken of er e-mails zijn binnengekomen die toch beantwoord of opgepakt moeten worden (…) Mocht iemand toch vergeten zijn de buddy of teammanager te machtigen of de medewerker is onverwacht langer dan één dag afwezig, dan kan de teammanager via het bedrijfsbureau S&M toegang tot de mailbox krijgen. (…) De toegang tot de mailbox van een collega wordt natuurlijk alleen gebruikt om benodigde zaken uit de mailbox te halen om klanten en collega te kunnen helpen. En hierbij gelden vanzelfsprekend ook de regels rond geheimhouding en vertrouwelijkheid.’ 3.2. De OR, de ondernemingsraad van DWI, heeft tegenover DWI het standpunt ingenomen dat de hierboven aangehaalde instructie een besluit inhoudt waarvoor op grond van artikel 27, eerste lid, Wet op de ondernemingsraden, hierna ‘de WOR’, de instemming van de OR is vereist. DWI heeft dit standpunt van de hand gewezen. Hierop heeft de OR bij brief van 13 juli 2012 aan DWI een beroep gedaan op de nietigheid van het betrokken besluit en DWI verzocht om daaraan geen uitvoering te geven en het besluit alsnog ter goedkeuring aan de OR voor te leggen. DWI heeft vervolgens aan de OR laten weten vast te houden aan de meegedeelde instructie, van mening te zijn dat deze geen instemmingsplichtig besluit zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, WOR inhoudt en het verzoek om daaraan geen uitvoering te geven, niet in te willigen. Daarop heeft de OR DWI in kort geding gedagvaard en gevorderd, kort gezegd, dat het DWI met onmiddellijke ingang wordt verboden uitvoering te geven aan het op 20 juni 2012 bekend gemaakte besluit, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag waarop DWI zich niet aan dit verbod houdt. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering toegewezen, zij het met bepaling dat boven een bedrag van € 100.000,- geen dwangsom meer zal worden verbeurd. 3.3. Het hoger beroep is gericht tegen het door de kantonrechter uitgesproken verbod en de overwegingen waarop de daartoe strekkende beslissing berust. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de OR onweersproken gesteld dat DWI de onder 3.1 aangehaalde instructie inmiddels (wel) ter goedkeuring aan de OR heeft voorgelegd ‘voor zover vereist’, dat de OR de gevraagde goedkeuring heeft geweigerd en dat de OR en DWI ieder verzoeken om bemiddeling en advies zoals bedoeld in artikel 36, derde lid, WOR, hebben ingediend bij de bedrijfscommissie voor de overheid. De OR heeft bij pleidooi in hoger beroep voorts onweersproken meegedeeld een bodemprocedure bij de kantonrechter aanhangig te hebben gemaakt teneinde, kort gezegd, de naleving van het door de OR gestelde instemmingsrecht te verzekeren. Onder verwijzing naar deze procedures, het stadium waarin zij verkeren en het feit dat DWI het besluit betreffende de omstreden instructie tot dusverre niet heeft uitgevoerd, betoogt de OR dat DWI wegens het ontbreken van voldoende belang niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. 3.4. De OR kan in dit betoog niet worden gevolgd. Zolang partijen (al of niet) naar aanleiding van de bemiddeling en het advies van de bedrijfscommissie niet een minnelijke oplossing van hun geschil zijn overeengekomen en zolang de kantonrechter in de bodemprocedure geen uitspraak heeft gedaan, moet DWI het verbod dat bij het bestreden vonnis is uitgesproken, als voorlopige voorziening tegen zich laten gelden en kan zij dus geen uitvoering geven aan de onder 3.1 aangehaalde instructie. Het belang van DWI bij het hoger beroep, waarmee zij wil bereiken dat zij het desbetreffende verbod niet meer tegen zich hoeft te laten gelden, is hiermee gegeven. DWI kan daarom in het hoger beroep worden ontvangen. 3.5. De aangevallen beslissing van de kantonrechter berust in het bijzonder op het oordeel dat de omstreden instructie moet worden aangemerkt als ‘een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen’ zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid onder l, WOR. Een besluit tot vaststelling van een dergelijke regeling, betrekking hebbend op alle of een groep van in de onderneming werkzame personen, behoeft op grond van artikel 27 WOR de instemming van de OR. Die instemming ontbrak naar de stand van zaken ten tijde van het geding in eerste aanleg en ontbreekt ook nu nog: de OR heeft – zoals onder 3.3 vermeld – immers geweigerd met de instructie in te stemmen. Met de grieven V, VI en VII bestrijdt DWI het zojuist bedoelde oordeel van de kantonrechter. 3.6. De genoemde grieven zijn tevergeefs voorgesteld. Hiertoe is het volgende bepalend. De onder 3.1 aangehaalde instructie houdt onder andere in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.