arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM sector handelsrecht zaaknummer : 200.061.519/01 zaak- /rolnummer rechtbank Amsterdam : 421630 / HA ZA 09-742 arrest van de meervoudige kamer van 14 mei 2013 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] , gevestigd te [woonplaats], APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL APPEL, GEÏNTIMEERDE IN HET INCIDENTEEL APPEL, advocaat: mr. C. Blanken, te Den Haag, t e g e n [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL APPEL, APPELLANT IN HET INCIDENTEEL APPEL, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam. 1Verder verloop van het geding Partijen worden hierna wederom [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. In deze zaak heeft het hof op 18 december 2012 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Ingevolge het tussenarrest heeft [appellante] op 15 januari 2013 een nadere memorie genomen. Partijen hebben de zaak ter zitting van 28 maart 2013doen bepleiten, [appellante] door mr. C. Blanken, voornoemd, en [geïntimeerde] door mr. B.J. Sol, advocaat te Haarlem, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.1Grief 1 in principaal hoger beroep slaagt. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering rust op [geïntimeerde] de plicht te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting van de aan die stelling ten grondslag gelegde feiten, te bewijzen dat [appellante] een beroepsfout heeft begaan door hem onvoldoende te waarschuwen voor de risico’s die verbonden waren aan het weigeren van de door [X] (verder: [X]) gestelde bankgarantie. De overtuigingskracht van de door [appellante] overgelegde telefoonnotities kan in het kader van het (tegen)getuigenverhoor aan de orde komen. Deze notities zijn niet van dien aard dat op grond daarvan (voorshands) geoordeeld kan worden dat [geïntimeerde] het bewijs heeft geleverd, behoudens tegenbewijs. Het hof zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen. 2.2 Grief 2 in principaal hoger beroep faalt. De rechtbank heeft – in appel onbestreden – overwogen dat de stelling, dat op goede gronden kon worden getwijfeld aan de tekst van de gestelde bankgarantie, niet afdoet aan de plicht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat om in een geval als dit zijn cliënt op de hoogte te stellen van de risico’s die weigering van de bankgarantie meebrengt. Indien – na vorenbedoelde bewijslevering bewezen wordt geacht dat [appellante] niet in voldoende mate en tijdig zou hebben gewezen op de risico’s van het niet accepteren van de gestelde bankgarantie, heeft zij [geïntimeerde] de kans ontnomen zich zelf een gefundeerd oordeel te vormen over de goede en kwade kansen die het niet accepteren van de bankgarantie met zich mee zou brengen. Het bestreden oordeel van de rechtbank is in zoverre juist en de rechtbank heeft met dat oordeel, anders dan Nagtegaal niet miskend dat het nemen van een risico op zichzelf nog geen beroepsfout oplevert. 2.3 Grief 3 in het principale appel faalt. Onder “intrekking en buiten effectstelling” van een betekeningsexploot van 1 juni 2008 heeft [X] bij exploot van 4 juli 2008 het arbitrale vonnis met dwangsomveroordeling aan [geïntimeerde] doen betekenen. Met ingang van 11 juli 2008 zijn de dwangsommen verbeurd geraakt en wel tot en met 21 juli 2008; de beslagen werden 22 juli 2008 opgeheven. De verjaring van de eerst verbeurde dwangsom ving dus op 12 juli 2008 aan. De laatst verbeurde dwangsom zou 22 januari 2009zijn verjaard. Partijen zijn het erover eens dat de dwangsommen inmiddels zijn verjaard als geen sprake is van een vaststellingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [X] waarin – kort gezegd – is overeengekomen dat de eerste geen beroep op verjaring zal doen. Voorts is gesteld noch gebleken dat [appellante] door [geïntimeerde] is betrokken bij de onderhandelingen met [X] of het besluit van [geïntimeerde] om geen beroep te doen op een verjaringstermijn. 2.4 De eerste vraag die in dit verband aan de orde is, is of de schadebeperkingsplicht van [geïntimeerde] zover gaat dat hij, in dit geval, zich jegens [X] op verjaring had moeten beroepen en niet een vaststellingsovereenkomst had moeten sluiten. De tweede vraag is wat het gevolg zou zijn geweest als [geïntimeerde] dat inderdaad wel respectievelijk niet had gedaan. 2.5 Uit de stukken blijkt dat [X] bij exploot houdende bevel tot betaling van 15 september 2008 aanspraak heeft gemaakt op verbeurde dwangsommen in de periode 11 juli 2008 tot en met 21 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.