GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 11/00101 11 april 2013 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van (de erven van) [X], wonende te [Y], belanghebbende(n), gemachtigde mr. F. Jagersma (Russo Van der Waal belastingadviseurs + advocaten) te Amsterdam, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/6251 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 25 januari 2011 in het geding tussen belanghebbenden en de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Alkmaar, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 8 juli 2009 aan wijlen [X] (hierna ook: belanghebbende) voor het jaar 2007 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en wonen van € 606.738 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.883 (hierna: de aanslag). Bij beschikking met dezelfde dagtekening heeft hij een bedrag van € 30.217 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak gedagtekend 10 november 2009, de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 25 januari 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Op 1 februari 2011 is bij de rechtbank een brief van gemachtigde ingekomen welke door de rechtbank is aangemerkt als hogerberoepschrift en als zodanig aan het Hof is doorgezonden; dit geschrift is door het Hof ontvangen op 9 februari 2011. Bij brief van 2 maart 2011 heeft de gemachtigde het hoger beroep nader gemotiveerd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2013. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Feiten 2.1. De door de rechtbank in haar uitspraak sub 2.1 tot en met 2.9 vastgestelde feiten luiden als volgt (waarbij, evenals in de verderop aangehaalde passages van die uitspraak, belang-hebbende is aangeduid als “eiser” en de inspecteur als “verweerder”): “2.1. Eiser heeft tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw [(te ...)] een varkenshouderij geëxploiteerd. 2.2. In 1975 is eiser in de vorm van een eenmanszaak begonnen met het exploiteren van een kinderspeelboerderij, genaamd [Bedrijf A]. De resultaten hieruit heeft eiser in zijn aangiften inkomstenbelasting steeds aangemerkt als winst uit onderneming. 2.3. De Sociale dienst van de gemeente [(...)] heeft eiser bij beschikking van 23 mei 1991 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ uitkering) toegekend. Hierbij zijn als eisen gesteld dat eiser zich uitschrijft bij de Kamer van Koophandel en de onderneming als zelfstandige beëindigt. In de beschikking is vermeld: “Nadat U als zelfstandige uw bedrijf hebt beëindigd en bent uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel kan aan U een IOAZ-uitkering worden toegekend. Aan U is toestemming verleend om met behoud van de IOAZ uitkering als vrijwilliger werkzaam te zijn in een stichting die beoogd de kinderboerderij als niet commercieel bedrijf voort te zetten”. 2.4. Bij akte van 8 mei 1991 is door de echtgenote van eiser, mevrouw[Z], opgericht de Stichting [Bedrijf A] (hierna: de Stichting). In de akte van oprichting is het doel van de Stichting als volgt omschreven: "De Stichting heeft ten doel het bevorderen van educatieve dagrecreatie met als voornaamste kenmerk het exploiteren van een kinderspeelboerderij met al hetgeen hier rechtstreeks of zijdelings verband houdt, voorts het verbreden caso quo verbeteren van hetgeen ter ontspanning aan de [(te ...)] verblijvende toeristen en de bewoners van [(...)] geboden wordt. Zij beoogt niet het maken van winst". 2.5. Met ingang van 1 juni 1991 heeft eiser de kinderspeelboerderij in 1991 verhuurd aan de Stichting. De daartoe opgemaakte overeenkomst houdt – voor zover hier van belang – het volgende in: "(…) Object (…) 1.1 Deze overeenkomst heeft betrekking op het object, hierna “het gehuurde’ genoemd dat plaatselijk bekend is als [Locatie 1], [Locatie 2], [Locatie 3] en [Locatie 4] nabij [Y] [(te ...)], omvattende de gehele onderneming, bestaande uit: de goodwill, vergunningen, relatiekringen en onroerende goederen, zijnde een woonhuis met aanbouw, een grote schuur waarin voormalige stallen, een stenen stal alsmede een houten bedrijfsschuur, alles met onder en bijgelegen eigen grond, erf en tuin, houtopstanden speeltoestellen en erfverharding benevens de volledige complete inventaris en levende have. Het totale complex is kadastraal bekend Gemeente [(...)], sectie R, nummer 581, ter grootte van 2 hectaren 53 aren en 30 centiaren. (…) Voorwaarden 2.1 Van deze overeenkomst maken deel uit: De algemene bepalingen huurovereenkomst bedrijfsruimte (…). (…) Duur (…) 3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 (één) jaar, ingaande op 1 juni 1991 en eindigende op 31 mei 1992. (…) 3.3 Als de in 3.1 genoemde periode verstrijkt zonder opzegging (…), loopt de overeenkomst door voor onbepaalde tijd. (…) Betalingsverplichting, betaalperiode 4.1 De betalingsverplichting van huurder bestaat uit * de huurprijs; * de vergoeding voor de onder 6 bedoelde bijkomende leveringen en diensten; * de over deze huurprijs en deze vergoeding wettelijk verschuldigde omzetbelasting dan wel een daarmee overeenkomend bedrag als bedoeld onder 5. 4.2 De huurprijs bedraagt ƒ 40.000, zegge veertig duizend gulden per jaar. (…) 4.3 De vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten wordt bepaald overeenkomstig artikel 11 van de algemene bepalingen en op deze vergoeding wordt een systeem van voorschotbetalingen met latere verrekening toegepast, zoals daar is aangegeven. (…) 4.5 Per betaalperiode van 1 (één) maand bedraagt de huurprijs: zie artikel 4.2 Als voorschot op de vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten, is de huurder een bedrag van ƒ 500,00 per maand verschuldigd, maandelijks bij vooruitbetaling te betalen. (…) Leveringen en diensten 6 Als door of vanwege verhuurder te verzorgen bijkomende leveringen en diensten komen partijen overeen: Huurder zal voor de levering van gas, water en electriciteit, alsmede voor het meebetalen van kosten zoals uitwaterende sluizen enz. jaarlijks per vooruitbetaling aan huurder betalen een bedrag van ƒ 6.000,00. Verrekening zal plaatsvinden als bedoeld in artikel 11 van de algemene bepalingen. (…)" De van de overeenkomst deel uitmakende algemene bepalingen huurovereenkomst bedrijfsruimte houden - voor zover hier van belang - in: “(…) Vergunningen 2.5.1 Huurder dient zelf te zorgen voor het voldoen aan vereisten, waaronder het beschikken over vergunningen, goedkeuringen, ontheffingen enz., in verband met de uitoefening van zijn bedrijf of beroep in het gehuurde (…). Het niet of niet langer voldoen aan die vereisten geeft huurder nimmer aanleiding tot ontbinding of nietigverklaring van de huurovereenkomst, noch tot enige andere aktie tegen verhuurder. 2.5.2 Indien aan of in het gehuurde in verband met 2.5.1 wijzigingen of voorzieningen al dan niet op overheidsvoorschrift noodzakelijk zijn, is huurder onverminderd het onder 2.9 bepaalde er voor aansprakelijk dat bij de uitvoering van de werkzaamheden voldaan wordt aan terzake door de overheid gestelde of te stellen eisen, alsmede dat eventueel benodigde vergunningen worden verkregen, terwijl de kosten van de wijzigingen of voorzieningen voor huurders rekening zijn. (…) Onderhoud Voor rekening van verhuurder 9.1 Tenzij het werkzaamheden betreft die moeten worden beschouwd als geringe en dagelijkse reparaties als bedoeld in de wet (art. 1619 BW) dan wel werkzaamheden aan zaken die niet door of vanwege verhuurder zijn aangebracht, zijn voor rekening van verhuurder a. onderhoud, herstel en vernieuwing van constructieve onderdelen van het gehuurde (…); b. onderhoud, herstel en vernieuwing van trappen, traptreden, leidingen, rioleringen, afvoeren, goten, buitenkozijnen, en dergelijke, onverminderd het onder 9.2.f gestelde; c. herstel en vernieuwing van installaties zoals de lift-, centrale verwarmings- en hydrofoorinstallatie; d. buitenschilderwerk. Voor rekening van huurder 9.2 Voor rekening van huurder zijn alle overige onderhoud, herstel en vernieuwingen zoals a. inwendig onderhoud niet zijnde onderhoud als bedoeld onder 9.1, alsmede het uitwendig onderhoud indien en voor zover het werkzaamheden betreft die moeten worden beschouwd als gering en dagelijks onderhoud in de zin van de wet (art. 1619 BW) (…) Kosten van energie, enz. en van leveringen en diensten 11.1 Boven de huurprijs zijn voor rekening van huurder de kosten van het gebruik van water en energie ten behoeve van het gehuurde, waaronder begrepen de kosten van het aangaan van een overeenkomst tot levering en de meterhuur, alsmede eventuele andere kosten en boetes die door de nutsbedrijven in rekening worden gebracht. Huurder dient zelf de overeenkomsten tot levering met de betrokken instanties af te sluiten. (…) Belastingen, lasten, heffingen, premies enz. 14.1 Voor rekening van huurder komen, ook als verhuurder darvoor wordt aangeslagen: a. de onroerend-goedbelastingen ter zake van het feitelijk gebruik van het gehuurde (…) b. overige bestaande of toekomstige belastingen, precariorechten, lasten, heffingen en retributies ter zake van het gehuurde en van zaken van huurder; c. milieuheffingen (…)” 2.6. De Stichting is met haar gehele vermogen aangemerkt als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting. De resultaten van de Stichting zijn op aangifte van de Stichting in de heffing van de vennootschapsbelasting betrokken. 2.7. Eiser heeft de inkomsten uit de verhuur in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting voor de jaren 1991 tot en met 2007 als winst uit onderneming verantwoord. 2.8. In 2007 is de kinderspeelboerderij verkocht aan een derde. Volgens de akte van levering van 17 september 2007 is verkocht en geleverd de onroerende zaak met adres [Locatie 1], [Locatie 2], [Locatie 3], [Locatie 4] [(te ...)], ter grootte van 2.53.30 ha. alsmede roerende zaken en de bedrijfs-inventaris, waaronder begrepen de zich op het terrein bevindende speeltoestellen en midgetgolfbaan. Het geheel is verkocht voor € 850.000, waarvan € 50.000 voor goodwill en roerende zaken. Het verkochte omvat ook klantenbestanden, e-mailadressen, domeinnamen en de handelsnaam. Tevens is in de overeenkomst een non-concurrentiebeding opgenomen. De onroerende zaak is verkocht en geleverd door eiser en de roerende zaken door de Stichting. 2.9. Verweerder heeft bij het vaststellen van de onderhavige aanslag de bij de verkoop van de (…) kinderspeelboerderij behaalde boekwinst ten bedrage van € 698.231 tot eisers inkomen uit werk en woning gerekend.” 2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit. Het Hof zal de door de rechtbank gebezigde definities in het vervolg van deze uitspraak overnemen. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de inspecteur terecht de bij de verkoop van de kinderspeelboerderij behaalde winst in de stakingswinst van belanghebbende heeft begrepen. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting. 4Beoordeling van het geschil 4.1. In hoger beroep heeft belanghebbende de door hem in eerste aanleg aangevoerde primaire en subsidiaire standpunten herhaald. Primair stelt hij dat de kinderspeelboerderij nimmer een onderneming althans een bron van inkomen heeft gevormd omdat de daarmee gemoeide activiteiten structureel verliesgevend waren. Daarom kan evenmin sprake zijn van een staking daarvan waarbij moet worden afgerekend over de behaalde boekwinst. Subsidiair stelt belanghebbende dat, zo de kinderspeelboerderij aanvankelijk (vanaf 1975) een onderneming vormde, deze in 1991 als gevolg van de verhuur aan de Stichting is gestaakt en dat de daarmee behaalde stakingswinst met toepassing van de foutenleer in het jaar 2007 in aanmerking moet worden genomen. 4.2. De rechtbank heeft ter zake van deze standpunten van belanghebbende het volgende overwogen: “4.1. Eiser stelt primair dat de activiteiten met betrekking tot de kinderspeelboerderij nimmer een onderneming hebben gevormd, omdat sprake is van structurele verliezen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een bron van inkomen dienen de financieringslasten buiten beschouwing te blijven (vgl. HR 28 april 1976, nr. 17 853, BNB 1976/152, HR 22 juli 1982, nr. 20 535, BNB 1982/241 en HR 3 december 1986, nr. 24 120, BNB 1987/88). De omstandigheid dat niet alle vermogensbestanddelen van de onderneming met geleend geld zijn gefinancierd doet daaraan, anders dan eiser betoogt, niet af. De resultaten exclusief financieringslasten die behaald zijn met de kinderspeelboerderij in de jaren dat eiser deze in de vorm van een eenmanszaak exploiteerde (voor zover deze in geding zijn gebracht) bedroegen – naar tussen partijen niet in geschil is - als volgt: 1975: ƒ 12.808 negatief 1976: ƒ 128 negatief 1978: ƒ 19.362 1980: ƒ 4.191 1981: ƒ 14.376 1982: ƒ 5.467 1983: ƒ 5.084 negatief. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten met betrekking tot de kinderspeelboerderij in de jaren dat hij deze zelf exploiteerde blijvend verlieslijdend waren. Van de exploitatie van de kinderspeelboerderij mocht redelijkerwijs voordeel worden verwacht. Eiser heeft met de exploitatie van de kinderspeelboerderij ook voordeel beoogd: hij heeft de resultaten van de kinderspeelboerderij in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting steeds als winst uit onderneming verantwoord. Aangezien niet in geschil is dat de activiteiten met betrekking tot de kinderspeelboerderij, die mede omvatten de exploitatie van een midgetgolfbaan, een speeltuin en de verkoop van ijs en snacks, in het economische verkeer zijn verricht, moet geconcludeerd worden dat de exploitatie door eiser van de kinderspeelboerderij van de aanvang af in 1975 een onderneming vormde. 4.2. Eiser stelt subsidiair dat de activiteiten met betrekking tot de kinderspeelboerderij in 1991 zijn gestaakt, aangezien de Stichting nimmer een onderneming heeft gedreven omdat zij geen winst beoogde en deze redelijkerwijs ook niet te verwachten was. Van een voortgezette onderneming is derhalve evenmin sprake, aldus eiser. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Gelet op het in 4.1 overwogene, op hetgeen is vermeld in artikel 1.1 van de tussen eiser en de Stichting gesloten huurovereenkomst alsmede op hetgeen is vermeld in de akte van levering van 17 september 2007 moet worden geconcludeerd dat de Stichting van medio 1991 tot medio 2007 een onderneming heeft gedreven. Ingevolge artikel 2, lid 1, letter d, van de Wet vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) was de Stichting als zodanig vennootschapsbelastingplichtig. Zij heeft zich ook feitelijk als zodanig gedragen door steeds jaarstukken op te maken en aangifte vennootschapsbelasting te doen. 4.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de verhuur van de onderneming aangemerkt kan worden als de voortzetting van een onderneming. 4.3.1. In zijn arrest van 26 januari 1955, nr. 12 088, BNB 1955/216 heeft de Hoge Raad met betrekking tot een door een ondernemer, die het tot dusver door hem uitgeoefende bedrijf is gaan verhuren als volgt overwogen: “dat bij verhuring van een bedrijf (…) geen liquidatie plaats vindt, omdat het bedrijf als geheel in stand blijft, en het evenmin wordt overgedragen, omdat de oorspronkelijke ondernemer den eigendom daarvan behoudt; dat in zodanig geval ten aanzien van dien oorspronkelijken ondernemer (…) slechts een verandering optreedt in den vorm der bedrijfsuitoefening, in dien zin, dat voor den in de huurovereenkomst bepaalden tijd de exploitatie van het bedrijf wordt overgelaten aan een ander en voor den oorspronkelijken ondernemer aldus een meestal vaste huursom als bedrijfsinkomsten in de plaats treedt van de tot dusver wisselende ontvangsten der eigen exploitatie (…)”. 4.3.2. In zijn arrest van 7 september 1977, nr. 18 349, BNB 1977/235 heeft de Hoge Raad overwogen: “dat (…) voor de heffing van inkomstenbelasting uit het bepaalde in artikel 6, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 volgt dat degeen, die een tot dan toe door hem zelf uitgeoefende onderneming niet overdraagt of liquideert maar gaat verhuren, geacht wordt uit hoofde van die verhuur winst uit onderneming te blijven genieten (…)”. 4.3.3. De rechtbank leidt uit deze jurisprudentie af dat in geval van verhuur van een onderneming in beginsel sprake is van één objectieve onderneming die voor rekening van twee ondernemers de verhuurder en de huurder – wordt gedreven. Er is dus sprake van twee subjectieve ondernemingen. 4.3.4. Voor het onderhavige geval betekent dit dat met ingang van 1 juni 1991, het ingangstijdstip van de tussen eiser en de Stichting gesloten huurovereenkomst, de door eiser verhuurde kinderspeelboerderij voor hem een subjectieve onderneming vormt. Met de invoering van de Wet IB 2001 is hierin voor het onderhavige geval en voor zover hier van belang geen wijziging gekomen. 4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder de bij de verkoop van de kinderspeel-boerderij behaalde winst terecht in de stakingswinst heeft begrepen. Beslist moet worden als hierna vermeld.” 4.3. Het Hof gaat, zoals hierna zal blijken, uit van een (enigszins) ander toetsingskader dan de rechtbank. 4.4.1. Het is in beginsel aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat ter zake van bepaalde activiteiten van een belastingplichtige een bron van inkomen bestaat of heeft bestaan. Voor het bestaan van een onderneming als inkomensbron is vereist (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.