GERECHTSHOF AMSTERDAM Sector familierecht Uitspraak: 26 maart 2013 Zaaknummer: 200.115.116/ 01 Zaaknummer eerste aanleg: 139248 / OT RK 12-942 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder], wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. C. Ravesteijn te Amsterdam, tegen Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, gevestigd te Alkmaar, geïntimeerde. 1Het geding in hoger beroep 1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en LJR genoemd. 1.2. De moeder is op 17 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 augustus 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar (hierna: de kinderrechter), met kenmerk 139248 / OT RK 12-942. 1.3. LJR heeft op 20 november 2012 een verweerschrift ingediend. 1.4. De heer [x] (hierna: de vader) heeft op 21 november 2012 een verweerschrift ingediend. 1.5. De moeder heeft op 26 november 2012 nadere stukken ingediend. 1.6. De zaak is op 29 november 2012 ter terechtzitting behandeld. 1.7. Na die behandeling ter zitting is op 10 januari 2013 een brief van de zijde van de moeder, inhoudende een akte tot wijziging van haar verzoek, binnengekomen. LJR heeft hier bij faxbrief van 15 januari 2013 op gereageerd. De advocaat van de vader heeft gereageerd met een faxbrief van 14 januari 2013. Voorts is op 11 februari 2013 binnengekomen een brief van LJR gedateerd 8 februari 2013. Hoewel het hof de behandeling reeds had gesloten, heeft het hof gelet op de inhoud van de brief klemmende redenen gezien opnieuw een mondelinge behandeling te bepalen. 1.8. De behandeling is heropend ter zitting van 21 februari 2013. Ter terechtzitting zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; mevrouw A. Wendel, namens LJR; de vader, bijgestaan door mr. M. Verkijk; mevrouw A. Hogendorp, vertegenwoordiger van de Raad. 1.9. Na de behandeling ter zitting van 21 februari 2013 is op 8 maart 2013 een brief van de zijde van de moeder, andermaal inhoudende een akte tot wijziging van haar verzoek, binnengekomen. 1.10 Op het indienen van laatstgenoemde brief heeft de vader bij faxbrief van 12 maart 2013 gereageerd. 2De feiten 2.1. De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren[naam minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2005. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [de minderjarige]. 2.2. De vader leeft samen met zijn partner. Uit deze samenleving is geboren [zoon] [in] 2010. 2.3. De Raad heeft onderzoek verricht naar de vraag of sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De Raad heeft op 26 april 2012 een rapport uitgebracht. 2.4. Bij beschikking van 15 mei 2012 van de kinderrechter is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZNH) voor de duur van twaalf maanden, tot 15 mei 2013. 3Het geschil in hoger beroep 3.1. Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van LJR, gedaan namens BJZNH, machtiging verleend aan BJZNH om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 15 mei 2013. 3.2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en – naar het hof begrijpt – het inleidend verzoek van LJR alsnog af te wijzen. 3.3. LJR verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek in hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. 3.4. De vader verzoekt de grieven van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4Beoordeling van het hoger beroep 4.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de kinderrechter terecht en op juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van de [de minderjarige] heeft verleend en, zo ja, of die gronden ook nu nog aanwezig zijn. 4.2. Ingevolge het bepaalde in art. 1:261 Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 4.3. De moeder betoogt in hoger beroep dat uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet noodzakelijk is. In dit verband verwijst zij naar het rapport van de Raad, waarin wordt geconcludeerd dat uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet in haar belang moet worden geacht, maar dat verdere verbeteringen in de woon- en leefsituatie bij de moeder noodzakelijk zijn. Volgens de moeder hebben LJR en de betrokken gezinsvoogd vervolgens geen enkele poging gedaan haar hierin te steunen en hebben zij ook tijdens de procedure tot uithuisplaatsing nimmer aangetoond in hoeverre sprake is van veranderingen, positief of negatief, in de situatie van de moeder. De doorslaggevende overweging voor de kinderrechter bij de beslissing tot het geven van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is geweest dat de vader is gaan samenwonen met zijn vriendin. Dit staat echter - aldus de moeder - niet vast, nu de vader niet eens is ingeschreven op het adres van zijn vriendin. Volgens de moeder is de thuissituatie bij de vader niet stabieler en niet beter voor [de minderjarige] dan bij haar. Sinds de uithuisplaatsing vertoont [de minderjarige] nerveus gedrag, eet zij slecht en raakt zij elke keer overspannen als zij na een bezoek aan de moeder terug moet naar de vader, aldus nog steeds de moeder. 4.4. LJR stelt daarentegen dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is. Het bleef [de minderjarige] ook na het uitspreken van de ondertoezichtstelling ontbreken aan voldoende structuur, stabiliteit en duidelijkheid, die ze in deze fase van haar ontwikkeling nodig heeft. In de huidige situatie bij de vader krijgt zij volgens LJR wel de kans zich te ontwikkelen in een omgeving die haar tegemoet komt in haar behoeften aan stabiliteit en structuur. De beweringen van de moeder omtrent hoe het nu met [de minderjarige] gaat, staan haaks op de bevindingen van LJR. LJR betwist dat aan de moeder onvoldoende sturing en/of ondersteuning is geboden om haar situatie zodanig te verbeteren dat de bedreigingen voor de ontwikkeling van [de minderjarige] werden afgewend. 4.5. Volgens de vader is het onjuist dat hij pas korte tijd met zijn nieuwe partner samenwoont. Voor de verhuizing naar [a] woonden zij al samen in een appartement in [b]. Hij heeft dit enige tijd stilgehouden, omdat de moeder – aldus de vader – zijn nieuwe partner ernstig heeft bedreigd. De vader wijst er op dat hij tweemaal een huurwoning voor de moeder heeft geregeld, maar dat de moeder niet op deze aanbiedingen is ingegaan. Uit het feit dat de hulpverleningsgeschiedenis van [de minderjarige] zich al over enige jaren uitstrekt, acht de vader de conclusie gerechtvaardigd dat deze situatie veeleer te lang dan te kort heeft geduurd. De vader betwist dat [de minderjarige] zou zijn afgevallen sinds zij bij hem woont en dat zij het bij hem niet naar haar zin zou hebben. 4.6. De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ter onderbouwing van dit advies heeft de Raad naar voren gebracht dat [de minderjarige] jarenlang in een onveilige situatie heeft verkeerd en dat de moeder [de minderjarige] niet op korte termijn een veilige situatie kan bieden. In de situatie waarin [de minderjarige] bij de vader woont kan LJR haar de hulp kan bieden, die zij nodig heeft, aldus de Raad. 4.7. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat op 17 november 2009 voor het eerst een zorgmelding is gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) naar aanleiding van huiselijk geweld tussen de moeder en haar toenmalige vriend. Op 30 juli 2010 is een zorgmelding gedaan bij het AMK vanwege geweld tussen de vader en de toenmalige vriend van de moeder en tevens van huiselijk geweld tussen de moeder en haar vriend. Op 15 november 2011 heeft de politie weer een zorgmelding gedaan bij het AMK vanwege een worsteling tussen de moeder en de grootmoeder van moederszijde. Naar aanleiding daarvan heeft het AMK de Raad verzocht onderzoek te verrichten naar de vraag of er sprake is van een zodanig bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. Zoals hiervoor reeds onder 2.5 is vermeld, heeft de Raad op 26 april 2012 rapport van dit onderzoek uitgebracht. Hieruit blijkt dat sprake is van een bedreiging, die erin bestaat dat [de minderjarige] opgroeit in een opvoedsituatie waarin haar niet de structuur, rust en stabiliteit geboden wordt die zij nodig heeft. [de minderjarige] is teveel bezig met zaken van volwassenen. Zij maakt zich zorgen over de moeder, die veel persoonlijke problemen heeft, zoals een drugsverslaving in het verleden en problemen op het gebied van huisvesting en financiën. Daarnaast heeft [de minderjarige] een achterstand op school door veelvuldig verzuim. Door de vele verhuizingen van de moeder en [de minderjarige] is de noodzakelijke hulpverlening onvoldoende van de grond gekomen, aldus de Raad. Het vorenstaande vindt bevestiging in het Verzoek tot Raadsonderzoek van het AMK van 26 januari 2012, het Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling van 25 juni 2012 en het Plan van Aanpak Ondertoezichtstelling van 23 juli 2012. De Raad heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de meest passende maatregel in verband met meergenoemde bedreiging een ondertoezichtstelling is en dat uithuisplaatsing nog niet aan de orde was, nu uithuisplaatsing in een pleeggezin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.