← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2013:2553

Rekestnummer: 001018-13 (591a Sv HB) Parketnummer: 15-741156-11 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM BESCHIKKING op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Haarlem van 28 maart 2013 op het verzoekschrift krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum]1935, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. B.J.W. Tijkotte, Lagendijk 64A, 1541 KC Koog aan de Zaan. 1Inhoud van het verzoek Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 357,- terzake van de kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van voormelde zaak, alsmede ter hoogte van het forfaitaire bedrag terzake van de kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift. 2Procesverloop De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer en heeft op 7 augustus 2013 de advocaat-generaal en de advocaat ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van het forfaitaire bedrag terzake van de kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift en tot afwijzing van het verzoek voor het overige. 3Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Alvorens toe te komen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek dient het hof de vraag te beantwoorden of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering dat de “zaak” geëindigd is zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 19 februari 2013 (LJN BX5566) onder andere uitgelaten over de vraag of aan een gewezen verdachte wiens zaak is geseponeerd, een vergoeding kan worden toegekend voor de kosten van een raadsman. De Hoge Raad oordeelde dat een redelijke uitleg van de wet met zich meebrengt, dat het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering niet is uitgesloten. Daarbij liet de Hoge Raad in het midden of dit voor zowel het zogenaamde “OM-sepot” als het “politiesepot” geldt, ook indien in het laatste geval noch een officier van justitie noch een (gemandateerde) parketsecretaris enige inhoudelijke bemoeienis met de zaak heeft gehad. In de onderhavige zaak is er sprake van een zuiver “politiesepot”, dat wil zeggen dat uit het dossier niet blijkt van enige inhoudelijke bemoeienis van een officier van justitie of een (gemandateerde) parketsecretaris. In casu is tegen de verzoeker (en zijn echtgenote) door hun schoondochter aangifte gedaan van onttrekking van haar minderjarige dochter (de kleindochter van verzoeker) aan het ouderlijk gezag en van opzettelijke vrijheidsberoving van die minderjarige. De verzoeker en zijn echtgenote zijn daarop door de politie als verdachte gehoord op 26 juli 2012. Zij hebben de beschuldigingen van meet af aan ten stelligste ontkend. Bij brief van 2 oktober 2012 van de hulpofficier van justitie J. van den Burg van politie Zaanstreek-Waterland is de verzoeker bericht dat is besloten niet tot vervolging over te gaan wegens het ontbreken van voldoende bewijs. Tussentijds (eind augustus 2012) heeft de verzoeker juridisch advies ingewonnen bij zijn hierboven vermelde raadsman. Het onderhavige verzoek ziet op de in verband daarmee gemaakte kosten van rechtsbijstand. De omschreven omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof gronden van billijkheid aanwezig de gevraagde vergoeding van € 357,- alsmede € 965,- zijnde het forfaitaire bedrag voor opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoekschrift in twee instanties toe te kennen. 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep. Kent ten laste van de staat aan verzoeker een vergoeding toe van € 1.322,00 (duizenddriehonderdtweeëntwintig euro en nul cent). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, H.W.J. de Groot en J.G. Bulsing, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer als griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 21 augustus 2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.