Beslissing Gerechtshof Amsterdam Sector strafrecht Het standpunt van de verdachte De raadsman heeft ter terechtzitting van 13 september 2013 preliminair het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Dit verweer is door de raadsman per brief van 31 juli 2013 aangekondigd. Het verweer is in die brief kort aangeduid en komt – zo begrijpt het hof uit de door de raadsman ter terechtzitting gegeven toelichting – in de kern erop neer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging aangezien sprake is geweest van een, zoals de raadsman dat noemt, “gebrekkige” overlevering van de verdachte. De raadsman heeft ter terechtzitting van 13 september 2013 het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde notities getiteld “aanvulling preliminair verweer/reactie openbaar ministerie”. Voor de onderbouwing van het preliminair verweer heeft de raadsman voorts verwezen naar zijn ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 februari 2012 overgelegde pleitnotities. Op basis van hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd en gelet op de inhoud van genoemde pleitnotities begrijpt het hof dat de verdediging het standpunt inneemt dat sprake is geweest van een overlevering met gebreken. De verdachte is vervolgd voor en er zijn vrijheidsbenemende maatregelen toegepast ter zake andere feiten dan die waarvoor de autoriteiten van de uitvoerende staat toestemming hadden verleend. Hierdoor is gehandeld in strijd met het in artikel 27 van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel (hierna te noemen: het Kaderbesluit) neergelegde specialiteitsbeginsel. Bovendien is de aanvullende toestemming die op 28 november 2008 was verkregen op 5 februari 2012 door het Spaans Constitutioneel Hof nietig verklaard. Aan die vernietiging dient, zo stelt de raadsman, terugwerkende kracht te worden toegekend. Hierdoor is, zo stelt de raadsman, geen sprake geweest van een rechtmatige overlevering. De verdachte heeft daarom een periode van een aantal jaren zonder geldige titel in voorlopige hechtenis doorgebracht. Dit levert een schending op van artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit gebrek kan niet door een latere toestemming worden hersteld en dient, aldus de raadsman, te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Dit dient vervolgens tot consequentie te hebben dat het hof oordeelt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft aan de hand van ter terechtzitting van 13 september 2011 overgelegde schriftelijke notities betoogd dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. Kort samengevat heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat uit artikel 27, derde lid, onder c van het Kaderbesluit volgt dat een verdachte zonder (aanvullende) toestemming van de overleverende autoriteit wél kan worden vervolgd en berecht voor een ander feit dan ter zake waarvoor hij is overgeleverd, voor zover hij voor dat feit niet in voorlopige hechtenis wordt genomen. Pas bij de uiteindelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde straf dient de aanvullende toestemming te zijn verkregen. Nu de door de raadsman gesignaleerde gebreken in de overlevering zijn hersteld – de Spaanse autoriteiten hebben immers alsnog toestemming gegeven voor de vervolging – is geen grond aanwezig voor nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting, laat staan voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bovendien, zo vervolgt de advocaat-generaal, kunnen dergelijke gebreken alleen gevolgen hebben voor de eventuele voortduring van de voorlopige hechtenis. De toepassing van de voorlopige hechtenis van de verdachte is verlopen conform de Nederlandse wetgeving en voor de verdachte heeft telkens de mogelijkheid opengestaan om het bestaan van de ernstige bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis ten overstaan van een onafhankelijke rechter ter beoordeling voor te leggen. De verdediging heeft – bewust – de gebrekkige overlevering op die momenten niet aan de orde gesteld. Mede gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kunnen gebreken in de voorlopige hechtenis – en derhalve ook het ontbreken van aanvullende toestemming – niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de weg staan. Het oordeel van het hof De feitelijke gang van zaken Het hof stelt, voor zover voor bespreking van het verweer van belang, de volgende feitelijke gang van zaken vast. Op 7 augustus 2006 heeft de uitvoerende justitiële autoriteit in Spanje op grond van een daartoe strekkend Europees Aanhoudingsbevel van de officier van justitie van 4 juni 2004 de overlevering van de verdachte ter fine van de executie van een onherroepelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar toegestaan. De verdachte is op 14 augustus 2006 feitelijk overgeleverd; In het bestek van de in de zaaksdossiers “Cobra”, “Indiana” en “Tanta” gerelateerde feiten en omstandigheden heeft de officier van justitie op respectievelijk 1 maart 2007, 5 maart 2007 en 9 maart 2007 een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek gedaan; Ten aanzien van de verdachte zijn ter zake van de in het zaaksdossier “Cobra” verantwoorde onderzoeksresultaten van 30 oktober 2007 tot 13 november 2007 vrijheidsbenemende dwangmiddelen toegepast; De verdachte is in dit kader op 1 november 2007 voorgeleid aan de rechter-commissaris ten einde te worden gehoord en ter toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling, alsmede ter beoordeling van de vordering tot inbewaringstelling; Ten aanzien van de in het zaaksdossier “Tanta” verantwoorde onderzoeksresultaten zijn van 19 februari 2008 tot en met heden vrijheidsbenemende dwangmiddelen toegepast; De verdachte is in het kader van zaaksdossier “Tanta” op 22 februari 2008 voorgeleid aan de rechter-commissaris. Op 4 maart 2008 heeft de raadkamer van de rechtbank Amsterdam de gevangenhouding van de verdachte bevolen voor de duur van negentig dagen. Namens de verdachte is tegen die beslissing een rechtsmiddel ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft het beroep van de verdachte op 29 april 2008 ongegrond verklaard; Op 15 mei 2008 is de inleidende dagvaarding ter zake zaakdossiers “Tanta”, “Cobra, “Opa” en “Indiana” – kortgezegd: de “Passagezaak” – uitgebracht en op diezelfde dag aan de verdachte betekend; Op zowel 28 november 2008 als 19 januari 2009 is een aanvullend Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd, ten einde aanvullende toestemming te verkrijgen voor de vervolging van de verdachte in de “Passagezaak”; De Spaanse uitvoerende justitiële autoriteit heeft op 30 januari 2009 aanvullende toestemming verleend voor verdachtes vervolging in de “Passagezaak”; Namens de verdachte is op 26 juli 2010 in Spanje een buitengewoon rechtsmiddel ingesteld tegen die beslissing tot verlening van aanvullende toestemming; het Spaans Constitutioneel Hof heeft bij arrest van 5 februari 2012 die beslissing tot verlenen van aanvullende toestemming nietig verklaard, omdat verzuimd was de verdachte te horen; Op 11 april 2012 heeft de bevoegde Spaanse justitiële autoriteit – nadat de verdachte alsnog in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord – nogmaals aanvullende toestemming verleend voor de overlevering van de verdachte in verband met, kort gezegd, de “Passagefeiten”; De verdediging heeft in de gedingfase in eerste aanleg op respectievelijk 16 februari 2009, 2 februari 2012 en 4 juni 2012 verweer gevoerd omtrent de overlevering van de verdachte en in het verlengde daarvan verzocht het openbaar ministerie integraal althans partieel niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging en de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Namens de verdachte is een rechtsmiddel ingesteld tegen de tussenbeslissing van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2012, strekkende tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Het hof heeft de verdachte bij beschikking van 12 maart 2012 niet-ontvankelijk verklaard in dit hoger beroep. Het wettelijk kader Artikel 27 van het Kaderbesluit houdt in, voor zover van belang: … Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten 2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. 3. Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin: …
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.