← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2013:3247

GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.035.875/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 911047 DX EXPL 07-1873 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2013 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V. , gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen:

  1. [geïntimeerde sub 1], en
  2. [geïntimeerde sub 2], beiden wonend te [woonplaats], geïnitmeerden, advocaat: mr. E.H. Hoeksma te Enschede. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerden] of ieder afzonderlijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd. In deze zaak heeft het hof op 2 april 2013 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Ingevolge het tussenarrest heeft Dexia onder overlegging van één productie een akte genomen. [geïntimeerden] hebben daarop bij antwoordakte gereageerd. Ten slotte is wederom arrest gevraagd. 2Verdere beoordeling 2.
  3. In het tussenarrest is overwogen dat uitgaande van de door [geïntimeerden] bij memorie van antwoord genoemde bedragen de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware last op [geïntimeerde sub 1] legden. Dexia is vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte op de door [geïntimeerden] genoemde bedragen en daarbij overgelegde producties te reageren. 2.
  4. Bij akte na tussenarrest heeft Dexia de door [geïntimeerden] genoemde bedragen aan inkomen en (relevant) vermogen in het jaar 1998 betwist, in het bijzonder - zo vat het hof samen - omdat geen overzichten van biljetten van proces met gegevens over 1998 zijn overgelegd - met conclusie dat de leaseovereenkomsten niet naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware last op [geïntimeerde sub 1] legden. 2.
  5. Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerden] hebben voor de onderbouwing van de door hen genoemde bedragen aan inkomen en vermogen in 1998 overgelegd: -een uit de eigen administratie afkomstige Aanslag 1998 Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen ten laste van [geïntimeerde sub 1]; -een door de Belastingdienst verstrekt zogenoemd overzicht biljetten van een proces met gegevens over 1999 betreffende [geïntimeerde sub 1]; -een aan [geïntimeerde sub 1] geadresseerde brief van de Belastingdienst van september 2012, inhoudende dat complete aangiftegegevens van vóór 1999 niet langer beschikbaar zijn; -een aan [geïntimeerde sub 2] geadresseerde brief van de Belastingdienst van oktober 2011, inhoudende dat door [geïntimeerde sub 2] inkomensverklaringen voor het jaar 1999 en/of 2000 zijn opgevraagd en dat de Belastingdienst in het geval van [geïntimeerde sub 2] niet over procesgegevens van het betreffende jaar beschikt. 2.
  6. Het door [geïntimeerden] gestelde inkomen correspondeert met het inkomen dat volgt uit de overgelegde Aanslag
  7. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] aldus het door hen genoemde bedrag aan inkomen in 1998 voldoende onderbouwd. Weliswaar ontbreekt het voor de onderbouwing van het inkomen aan een overzicht van biljetten van een proces betreffende het jaar 1998, maar met de overgelegde brief van de Belastingdienst van september 2011 is genoegzaam aangetoond dat [geïntimeerden] daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Gesteld noch gebleken is bovendien wat de meerwaarde zou zijn geweest van het door Dexia verlangde overzicht van biljetten van een proces voor het bewijs van het inkomen van [geïntimeerde sub 1] in 1998 nu dat inkomen reeds genoegzaam blijkt uit de wel overgelegde Aanslag
  8. 2.
  9. Vervolgens is het voor de vaststelling van het gezamenlijke inkomen van [geïntimeerden] in 1998 de vraag of ervan kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde sub 2] in 1998 geen inkomen had. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] die stelling voldoende onderbouwd en toegelicht met hun eigen schriftelijke verklaringen en de aan [geïntimeerde sub 2] geadresseerde brief van de Belastingdienst van oktober 2011 waaruit volgt dat [geïntimeerde sub 2] in 1999 in ieder geval geen inkomen had. Weliswaar ontbreekt het verder aan objectief bewijs voor de stelling dat [geïntimeerde sub 2] in 1998 (ook) geen inkomen had, maar dat kan [geïntimeerden] niet worden aangerekend, nu - als overwogen - de gegevens van voor 1999 niet meer bij de Belastingdienst beschikbaar zijn. Het hof ziet geen aanleiding om de bewijsnood waarin [geïntimeerden] aldus zijn komen te verkeren op hen af te wentelen, in het bijzonder niet omdat die bewijsnood moet worden toegeschreven aan het tijdsverloop waarvan [geïntimeerden] in elk geval geen (voldoende) verwijt kan worden gemaakt, in aanmerking nemende dat de inleidende dagvaarding waarmee zij onderhavige procedure zijn aangevangen al dateert van 5 november
  10. Overigens doet ook Dexia zelf dat kennelijk niet - het afwentelen van de bewijsnood ten aanzien van de inkomensgegevens van [geïntimeerde sub 2] op [geïntimeerden] - nu zij voor het gezamenlijk inkomen van [geïntimeerden] uitgaat van het inkomen van (alleen) [geïntimeerde sub 1] in 1999, zoals daarvan blijkt uit het overzicht van biljetten van een proces betreffende dat jaar. Er bestaat echter geen grond om voor het inkomen van (alleen) [geïntimeerde sub 1] in 1998 uit te gaan van zijn inkomen in 1999, nu - als overwogen - het inkomen van [geïntimeerde sub 1] in 1998 genoegzaam blijkt uit de Aanslag
  11. 2.6 De conclusie is dat bij de beantwoording van de vraag of de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware last legden op [geïntimeerde sub 1] kan worden uitgegaan van het door [geïntimeerden] genoemde bedrag aan inkomen in 1998 en dat in het verlengde daarvan de klacht van Dexia tegen de vaststelling van dat inkomen in het vonnis onder 1.2 ongegrond is. 2.7 Daarmee is voor de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een naar redelijke verwachting onaanvaardbaar zware last alleen nog van belang of het in het overzicht van biljetten van een proces genoemde bedrag aan vermogen van fl. 159.927,- al dan niet ziet op de waarde van de eigen woning en mitsdien buiten beschouwing moet worden gelaten. [geïntimeerden] hebben voor de onderbouwing van die stelling verwezen naar hun eigen schriftelijke verklaringen. Bovendien - zo stelt het hof vast - vindt die stelling steun in het overzicht biljetten van een proces zelf, waarin het belastbaar vermogen van [geïntimeerden] op nihil is gesteld. Daaruit volgt dat het door [geïntimeerden] genoemde - en door Dexia op zichzelf niet bestreden - bedrag aan vermogen ziet op de (over)waarde van de eigen woning. Hiermee is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en toegelicht dat in 1998 geen ander vermogen aanwezig was dan de (over)waarde van de eigen woning. 2.8 Niet is in geschil dat uitgaande van de door [geïntimeerden] genoemde bedragen en met toerekening van het bedrag aan vermogen aan de (over)waarde van de eigen woning de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware last legden op [geïntimeerde sub 1]. Die vaststelling - dat sprake is van een naar redelijke verwachting onaanvaardbaar zware last - brengt mee dat Dexia [geïntimeerde sub 1] had moeten adviseren de leaseovereenkomsten niet aan te gaan en dat Dexia (ook) een deel van de betaalde rente en aflossing moet vergoeden. Grief II is tevergeefs is voorgesteld. 2.9 In het tussenarrest is reeds beslist dat grief I slaagt. Gevolg daarvan is dat de omvang van de schadevergoedingsplicht van Dexia niet - zoals de kantonrechter heeft gedaan - moet worden vastgesteld aan de hand van het zogenoemde categoriemodel, maar aan de hand van daarop gevolgde bestendige rechtspraak. Volgens die rechtspraak heeft de afnemer in een geval als waar het hier om gaat - waarin dus sprake is van een onaanvaardbaar zware last - recht op een schadevergoeding gelijk aan 2/3 van het bedrag aan betaalde rente en aflossing minus het voordeel dat van de leaseovereenkomst is genoten. Omdat Dexia niet heeft gewaarschuwd voor het risico van een restschuld moet Dexia bovendien 2/3 van de restschuld vergoeden. Voor deze zaak leidt dit per saldo - zoals [geïntimeerden] bij memorie van antwoord onder 7) door Dexia onweersproken hebben berekend - tot een betalingsverplichting van Dexia aan [geïntimeerden] van in hoofdsom € 11.975,
  12. De kantonrechter heeft in conventie Dexia veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van een hoofdsom van € 9.409,
  13. Nu [geïntimeerden] niet zelf incidenteel beroep hebben ingesteld - omdat naar zij stellen in hun memorie van antwoord onder 7) het verschil tussen beide bedragen wegvalt tegen de rente - zal het vonnis voor zover het die veroordeling betreft worden bekrachtigd. 2.10 Met grief III is Dexia opgekomen tegen de toewijzing in het vonnis in conventie van de wettelijke rente. 2.11 Deze grief is gegrond. In het vonnis is in conventie beslist dat Dexia wettelijke rente verschuldigd is berekend over 46,5% van elke betaling telkens vanaf de betaaldatum tot aan de dag der algehele voldoening. Ook deze binnen de rechtbank Amsterdam ontwikkelde regel is achterhaald door bestendige rechtspraak. Volgens die rechtspraak is Dexia eerst wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop de effectenleaseovereenkomsten zijn geëindigd. Pas dan blijkt immers of een leaseovereenkomst tot schade bij de afnemer heeft geleid en kan de bank met betaling van schadevergoeding in verzuim geraken. In het vonnis is onder 1.4 in hoger beroep niet weersproken vastgesteld dat de leaseovereenkomsten op 11 april 2005 zijn geëindigd, zodat Dexia eerst vanaf die datum de wettelijke rente verschuldigd is en wel berekend over de hoofdsom. Dat betekent dat het vonnis op het punt van de toewijzing in conventie van wettelijke rente moet worden vernietigd. 3Slotsom De grieven I en III zijn gegrond en grief II is ongegrond. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd op het punt van de toewijzing in conventie van de wettelijke rente en in zoverre opnieuw rechtdoende zal de wettelijke rente als na te melden worden toegewezen. Voor het overige zal het vonnis, zowel in conventie als in reconventie gewezen, worden bekrachtigd. Dexia zal als de in overwegende mate ook in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. 4Beslissing Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover Dexia in conventie is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente berekend over 46,5% van elke betaling, telkens vanaf de betaaldatum, tot aan de dag der algehele voldoening; en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt Dexia tot betaling van de wettelijke rente berekend over de hoofdsom van € 9.409,56 vanaf 11 april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening; bekrachtigt het vonnis zowel in conventie als in reconventie gewezen voor al het overige; veroordeelt Dexia in de kosten van het hoger beroep tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen, begroot op € 262,- aan griffierechten en € 948,- (1 ½ punten á € 632,-) voor salaris. Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.P. van Achterberg en A.S. Arnold en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2013 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.