GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.031.524/01 rolnummer rechtbank : 771735 DX EXPL 06-113 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 oktober 2013 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.), gevestigd te Amsterdam, appellante, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen: [GEÏNTIMEERDE], wonend te [woonplaats], geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd. Dexia is bij dagvaarding van 19 augustus 2008 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 21 mei 2008, onder bovengenoemd rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie/verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, tevens akte wijziging van eis, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Partijen hebben de zaak ter zitting van 31 mei 2013 doen bepleiten, Dexia door mr. V.L. van den Berg, advocaat te Amsterdam en [geïntimeerde] door mr. Maliepaard voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. Dexia heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, hem – uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Dexia ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met rente, met beslissing over de proceskosten, met rente en nakosten. [geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan, met beslissing over de proceskosten. In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de daarbij uitgesproken kostenveroordeling, en tot toewijzing – uitvoerbaar bij voorraad – van zijn vorderingen zoals deze zijn verwoord in de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof als uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.2 [geïntimeerde] is in maart 2001 een leaseovereenkomst met de naam Triple Effect Vooruitbetaling (hierna: de leaseovereenkomst) aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia). De looptijd van de leaseovereenkomst was 36 maanden. 2.3 Op grond van de leaseovereenkomst heeft [geïntimeerde] een bedrag van Dexia geleend. Met dat bedrag zijn aandelen aangekocht die [geïntimeerde] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [geïntimeerde] rente verschuldigd. De leaseovereenkomst is een zogenoemd restschuldproduct. 2.4 De leaseovereenkomst is inmiddels beëindigd. Na verkoop van de aandelen bedroeg de restschuld € 22.260,24. De restschuld is niet voldaan. 2.5 Bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033; NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [geïntimeerde] heeft door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW tijdig laten weten dat hij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst − de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden wil zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de overeenkomst ten aanzien van hem geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst [geïntimeerde] niet bindt. 3Beoordeling 3.1 [geïntimeerde] heeft Dexia gedagvaard en in conventie gevorderd zoals omschreven in het bestreden vonnis onder 2.1. Dexia heeft in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 22.260,24, zijnde de restschuld. 3.2 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in conventie Dexia uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 6.421,19 te betalen, met rente en kosten alsmede om (op straffe van een dwangsom) het Bureau Krediet Registratie te Tiel te berichten dat [geïntimeerde] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering van Dexia afgewezen. Zij heeft Dexia veroordeeld in de kosten van de procedure zowel in conventie als in reconventie en daarbij de kosten in reconventie begroot op nihil. 3.3 In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd. Hij vordert dat het hof voor recht zal verklaren primair, dat het beroep op dwaling c.q. bedrog gegrond is en dat de leaseovereenkomst nietig is wegens strijd met artikel 41 NR 1999 en subsidiair dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door hem de leaseovereenkomst te doen aangaan zonder voldoende informatie te verstrekken over de aan de leaseovereenkomst inherente beleggingstechnische tekortkomingen, door de waarschuwings- en de informatieplicht niet te respecteren, en door artikel 41 NR te schenden, alsmede primair en subsidiair voor recht zal verklaren dat de kantonrechter in het bestreden vonnis terecht oog heeft gehad voor de bijzondere omstandigheden en die omstandigheden terecht heeft meegewogen bij het toepassen van artikel 6:101 BW alsmede Dexia zal veroordelen aan [geïntimeerde] te voldoen al hetgeen hij aan Dexia heeft betaald, met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen door [geïntimeerde] aan Dexia. Nu Dexia tegen de eiswijziging geen bezwaar heeft gemaakt en deze niet in strijd is met een goede procesorde, zal het hof daarop recht doen. Dwaling 3.4 Mede met grief 2 in incidenteel appel stelt [geïntimeerde] dat de kantonrechter ten onrechte zijn beroep op dwaling heeft verworpen. 3.5 [geïntimeerde] voert daartoe aan dat Dexia voor het aangaan van de leaseovereenkomst informatie aan [geïntimeerde] had behoren te verstrekken over de “beleggingstechnische gebreken” van de leaseovereenkomst. [geïntimeerde] noemt in dat verband de geringe spreiding van de effectenportefeuille, de korte looptijd van drie jaren, de in rekening gebrachte rente en kosten, de onmogelijkheid de leaseovereenkomst tussentijds te beëindigen en het niet bieden van de mogelijkheid om koersverliezen af te dekken. Nu Dexia de als ernstige gebreken aangeduide kenmerken niet aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld, heeft Dexia [geïntimeerde] (welbewust) misleid met betrekking tot het werkelijke karakter van de leaseovereenkomst en heeft hij gedwaald. 3.6 Het hof is van oordeel dat uit de bewoordingen van de voorwaarden van de leaseovereenkomst voldoende duidelijk kenbaar is dat Dexia op grond daarvan tegen een bepaalde koers aandelen ging aankopen, dat de leaseovereenkomst een bepaalde looptijd heeft, dat [geïntimeerde] gedurende de looptijd van de leaseovereenkomst over het aankoopbedrag rente diende te betalen en dat de leasesom (het aankoopbedrag vermeerderd met de verschuldigde rente) door [geïntimeerde] aan Dexia diende te worden voldaan: de rente deels bij ondertekening van de leaseovereenkomst en deels in maandelijkse termijnen en het aankoopbedrag aan het einde van de leaseovereenkomst. Daaruit had [geïntimeerde] redelijkerwijs kunnen en ook behoren te begrijpen dat Dexia aan [geïntimeerde] een geldlening verstrekte, dat het geleende bedrag zou worden belegd in bepaalde specifieke aandelen, dat [geïntimeerde] over dat bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op het tijdstip van verkoop daarvan. Hiermee was tevens voldoende duidelijk kenbaar dat geen sprake was van “sparen” en, gezien het feit dat zou worden belegd in aandelen, evenmin van een veilige of risicoloze wijze van vermogensopbouw of van een tevoren vaststaande “opbrengst” van de leaseovereenkomst. Uit de omstandigheid dat werd belegd in aandelen was immers kenbaar dat de leaseovereenkomst een risico van vermogensverlies met zich bracht (door een waardedaling van de aandelen waarin werd belegd) en het risico dat het beoogde rendement niet zou worden behaald, terwijl verder kenbaar was dat de “opbrengst” van de leaseovereenkomst afhankelijk was van de waarde van de betrokken aandelen op het tijdstip van verkoop daarvan. Gelet op dit alles heeft Dexia voorafgaande aan het aangaan van de leaseovereenkomst aan [geïntimeerde] op wezenlijke punten voldoende duidelijke inlichtingen verstrekt – wat er ook zij van mogelijke uitlatingen van de tussenpersoon – om een onjuiste voorstelling van zaken over de eigenschappen van de leaseovereenkomst en de eraan verbonden risico’s te voorkomen, ook met betrekking tot de door [geïntimeerde] aangevoerde punten. Dan kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde] de leaseovereenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken waarvoor Dexia een verwijt treft doordat zij is tekortgeschoten in een op haar rustende mededelingsplicht (zoals bedoeld in artikel 6:228, eerste lid, BW), zodat hij zich niet met succes op dwaling kan beroepen. 3.7 Verder gaat [geïntimeerde] eraan voorbij dat ook indien ervan zou worden uitgegaan dat hij de leaseovereenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken mede wegens de uitlatingen van de tussenpersoon en indien die uitlatingen – mits bewezen – voor rekening zouden kunnen komen van Dexia, dit niet zonder meer meebrengt dat [geïntimeerde] bevoegd is de leaseovereenkomst met een beroep op dwaling te vernietigen. Van [geïntimeerde] mocht worden verwacht dat hij ten aanzien van de door de tussenpersoon gegeven aanprijzingen de nodige omzichtigheid en oplettendheid in acht nam, waaruit volgt dat hij aan op zichzelf staande opmerkingen van de tussenpersoon niet de betekenis van een alomvattende voorstelling van zaken betreffende de eigenschappen van de leaseovereenkomst en de eraan verbonden risico’s mocht toekennen. Deze bedoelde inspanningen, omzichtigheid en oplettendheid heeft [geïntimeerde] kennelijk niet in acht genomen nu uit zijn stellingen volgt dat hij geheel vertrouwde op de tussenpersoon die hij als een deskundige onafhankelijk adviseur beschouwde. Hiervoor onder 3.6 is beschreven dat de wezenlijke punten van de leaseovereenkomst voor [geïntimeerde] voldoende kenbaar waren. Om te voorkomen dat hij de leaseovereenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken zou aangaan, mocht van [geïntimeerde] worden verwacht dat hij zich redelijk inspande om het bepaalde in de leaseovereenkomst en daaruit voor hem voortvloeiende risico’s te begrijpen alvorens deze aan te gaan, in ieder geval door zorgvuldig kennis te nemen van de inhoud van de voorwaarden van de leaseovereenkomst. Een en ander brengt mee dat de onjuiste voorstelling van zaken voor rekening van [geïntimeerde] behoort te blijven (op grond van artikel 6:228, tweede lid, BW), zodat hij de leaseovereenkomst – ook hierom – niet met een beroep op dwaling kan vernietigen. Bedrog 3.8 Voor zover [geïntimeerde] beoogt te stellen dat, nu Dexia de onder 3.5 genoemde beleggingstechnische gebreken niet aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld, de leaseovereenkomst door bedrog tot stand is gekomen, volgt het hof hem daarin niet. De door [geïntimeerde] als beleggingstechnische gebreken aangeduide kenmerken zijn voldoende kenbaar, dan wel af te leiden uit de leaseovereenkomst, zodat niet gezegd kan worden dat Dexia [geïntimeerde] tot het aangaan van de leaseovereenkomst heeft bewogen door die kenmerken daartoe opzettelijk te verzwijgen. Daarom kan niet gezegd worden dat de leaseovereenkomst door bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW tot stand zijn gekomen. Toezichtregelgeving en gedragingen van de tussenpersoon 3.9 [geïntimeerde] stelt dat Dexia geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Dexia aansprakelijk is voor gedragingen van de tussenpersoon. Om die reden staat volgens [geïntimeerde] vast dat Dexia aansprakelijk is voor het handelen van tussenpersoon Future & Finance. 3.10 Deze conclusie is onjuist. In r.o. 4.2 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder verwijzing naar jurisprudentie een kort overzicht gegeven van uitgangspunten die voor zaken als de onderhavige gelden. Daaronder is begrepen dat een effecteninstelling, zoals Dexia, aansprakelijk is voor gedragingen van een tussenpersoon. De kantonrechter heeft naar aanleiding van de stellingen van [geïntimeerde] over de aansprakelijkheid van Dexia voor gedragingen van Future & Finance in het concrete geval echter niets overwogen. De aansprakelijkheid van Dexia is door de kantonrechter alleen gebaseerd op de schending door Dexia van de op haar rustende zorgplicht. Aldus moet worden vastgesteld dat de kantonrechter over de aansprakelijkheid van Dexia voor hulpersonen in de voorliggende zaak niets heeft beslist, zodat Dexia dit punt in haar memorie van grieven ook niet aan de orde hoefde te stellen. 3.11 [geïntimeerde] stelt dat de werkzaamheden van Future & Finance zich niet hebben beperkt tot het aanbrengen van hem als potentiële klant bij Dexia, maar dat hij door Future & Finance is geadviseerd en dat specifieke beleggingsproducten van Dexia door Future & Finance zijn aangeprezen. Voor deze werkzaamheden was een vergunning nodig krachtens artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995). Dexia wist dat of behoorde dat volgens [geïntimeerde] te weten. Desondanks heeft Dexia van de diensten van deze tussenpersoon gebruik gemaakt en is de leaseovereenkomst die via deze tussenpersoon is aangevraagd door Dexia geaccepteerd. Dexia was het volgens [geïntimeerde] op grond van artikel 41 NR 1999 verboden cliënten te accepteren van Future & Finance voor zover deze tussenpersoon in verband daarmee vergunningsplichtige werkzaamheden had verricht. Door dat wel te doen is de tussen [geïntimeerde] en Dexia gesloten leaseovereenkomst, die als gevolg van de verboden advisering zijn gesloten, nietig op grond van het bepaalde in artikel 3:40 BW, althans heeft Dexia volgens [geïntimeerde] daardoor onrechtmatig jegens hem gehandeld, aldus [geïntimeerde]. 3.12 Het hof overweegt het volgende. Op grond van artikel 7 Wte 1995 is het verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Future & Finance was een cliëntenremisier en kan als zodanig worden aangemerkt als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder sub b Wte 1995. Ingevolge artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 behoefde Future & Finance niet over een vergunning te beschikken indien en voor zover zij zich bij het als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van diensten beperkte tot het aanbrengen van cliënten bij een effecteninstelling die wel over een vergunning beschikte als bedoeld in artikel 7 Wte 1995. Niet in geschil is dat Dexia over een dergelijke vergunning beschikte. 3.13 Naar het oordeel van het hof faalt het hiervoor bedoelde beroep van [geïntimeerde] op de nietigheid of vernietigbaarheid van de leaseovereenkomst. De genoemde bepalingen uit de toezichtregelgeving hebben, voor zover de tussenpersoon bij de totstandbrenging van de leaseovereenkomst diensten als effectenbemiddelaar heeft verricht, de strekking om met betrekking tot diens werkzaamheden een zorgvuldige, deskundige en integere handelwijze te waarborgen. Zij hebben niet de strekking om bij niet-inachtneming ervan de geldigheid aan te tasten van leaseovereenkomsten bij de totstandbrenging waarvan de tussenpersoon werkzaam is geweest. Ingevolge art. 3:40 lid 3 BW mist de sanctie van lid 2 dus toepassing (vergelijk HR 28 oktober 2011, LJN: BQ5986). Verder is bij leaseovereenkomsten die tot stand zijn gekomen zonder dat aan de voorschriften uit de toezichtregelgeving is voldaan geen sprake van een inbreuk op zo fundamentele beginselen van de rechtsorde, dat strijd met de openbare orde als bedoeld in art. 3:40 lid 1 BW aanwezig is (vergelijk HR 5 juni 2009, LJN: BH2822). De gestelde overtreding van de hiervoor genoemde bepalingen door Future & Finance, wat daarvan verder ook zij, heeft daarom niet de nietigheid of vernietigbaarheid van de leaseovereenkomst tot gevolg. 3.14 Ten aanzien van de gestelde onrechtmatige daad van Dexia overweegt het hof het volgende. Uit vaste jurisprudentie volgt dat Dexia tegenover afnemers van effectenleaseovereenkomsten is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende onderzoeks- en waarschuwingsplicht. Dexia onderkent dat zij conform de vaste jurisprudentie is gehouden de daardoor voor [geïntimeerde] ontstane schade te vergoeden. Bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding is het uitgangspunt dat [geïntimeerde] zonder dat tekortschieten de leaseovereenkomst niet zou hebben gesloten. Het hof is van oordeel dat uitgaande van deze tekortkoming het hiervoor bedoelde verwijt, dat Dexia de leaseovereenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten ondanks dat de werkzaamheden van Future & Finance zich niet hebben beperkt tot het aanbrengen van [geïntimeerde] bij Dexia, geen zelfstandige betekenis heeft. Dit verwijt veronderstelt dat [geïntimeerde] ten onrechte door Future & Finance is geadviseerd, dan wel dat de advisering door Future & Finance niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Dit kan er echter niet aan toe- of afdoen dat Dexia zelf als aanbieder de op haar rustende verplichtingen jegens [geïntimeerde] niet is nagekomen en uit hoofde daarvan in beginsel tot schadevergoeding is gehouden. In dit verband maakt [geïntimeerde] ook niet concreet duidelijk dat en in hoeverre hij door de gedragingen van Future & Finance – mits bewezen en ervan uitgaande dat deze voor rekening komen van Dexia – méér of ander nadeel lijdt dan hetgeen volgens de genoemde vaste jurisprudentie voor schadevergoeding in aanmerking kan komen op grond van de eigen schending van de zorgplicht door Dexia. Op grond van het vorenstaande gaat het hof voorbij aan de verwijten die [geïntimeerde] Future & Finance maakt, waarbij zoals gezegd bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding het uitgangspunt is dat [geïntimeerde] zonder het tekortschieten van Dexia de leaseovereenkomst niet zou hebben gesloten. Omvang van de zorgplicht van Dexia 3.15 [geïntimeerde] stelt dat in de vaste rechtspraak ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat Dexia is gehouden een onderzoek te doen naar de beleggingsdoelstelling en de beleggingservaring van de potentiële afnemer. 3.16 Uit de rechtspraak volgt (zie o.a. HR 5 juni 2009, NJ 2012, 183) dat de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht van Dexia afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het beleggingsproduct en de daaraan verbonden risico's, en de regelgeving tot nakoming waarvan de effecteninstelling is gehouden, met inbegrip van de voor haar geldende gedragsregels. 3.17 Daarbij geldt dat uit artikel 20 Bte 1992 en artikel 24 Bte 1995 volgt dat een effecteninstelling (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.