arrest ________________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.123.080/01 zaak-/rolnummer rechtbank Haarlem: 559829 CV EXPL 12-4485 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 oktober 2013 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] , gevestigd te [woonplaats], gemeente [gemeente], APPELLANTE, advocaat: mr. A.M. Ubink, te Zwolle, tegen: [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente], GEÏNTIMEERDE,advocaat: mr. J. Jong, te Zaandam. 1Het geding in hoger beroep Appellante wordt hierna [appellante] en geïntimeerde [geïntimeerde] genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 21 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam (hierna: de kantonrechter) van 27 december 2012, gewezen tussen haar als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en hem zal veroordelen om terug te betalen al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis een aantal feiten, a tot en met k, als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Omtrent deze vaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 3Beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1 [appellante] heeft in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] een nieuwe woonark gebouwd, waarvoor [geïntimeerde] een tekening en diverse specificaties heeft verstrekt, waarin onder andere staat vermeld: “(…) afwerking buitenzijde ark absoluut onderhoudsvrij, bij toepassing van behandeld hout dus ook op lange termijn geen verkleuring(…)”. 3.1.2 De door partijen ondertekende opdrachtbevestiging d.d. 26 november 2010 vermeldt met betrekking tot de dakrandafwerking: “Gootconstructie voorzien van watervast plaatwerk, gerekend rondom het dak als boeideel met aan de lange kanten van het dak aangepast als gootconstructie”. 3.1.3 Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [appellante] van toepassing (hierna: de AV) waarvan artikel 8 bepaalt: “Opdrachtgever kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen als hij niet binnen 14 dagen nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, schriftelijk bij [appellante] (…) heeft gereclameerd.” 3.1.4 Op 7 juli 2011 is de woonark opgeleverd. [geïntimeerde] heeft in het door hem ondertekende opleverrapport een aantal tekortkomingen geconstateerd. In de slotalinea van dit rapport verklaart [appellante] als ondernemer “dat hij bovengenoemde tekortkomingen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 3 maanden na heden zal herstellen”. 3.1.5 Bij e-mail van 7 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] aan [X] van [appellante] (hierna: [X]) onder andere het volgende bericht: “(...) Heb je inmiddels al je gedachten laten gaan over het werkelijk onderhoudsvrij maken van onze ark, zodat deze overeen komt met onze oorspronkelijke specificaties?(…) tot op heden echter hebben wij nog niets van je mogen vernemen.(…)”. 3.1.6 In reactie hierop heeft [X] op 8 oktober 2011 per e-mail onder andere het volgende geschreven: “(...) Voor wat betreft de goot, deze is uitgevoerd zoals in de overeenkomst is omschreven. (…)Tijdens de bouw zijn daar verder geen opmerkingen over gemaakt, en is het materiaal ook zo aangebracht als afgesproken. Ook bij de oplevering is dit verder niet ter sprake gekomen.(…)”. 3.1.7 Vervolgens heeft [geïntimeerde] op 11 oktober 2011 aan [X] onder andere het volgende per e-mail bericht:“(...) Bij de oplevering hebben we de dakrand niet kunnen beoordelen omdat de rand pas achteraf, na het vervoer, zou worden afgewerkt. Pas na montage van de dakgoot en daklijst werden we geconfronteerd met het feit dat deze niet onderhoudsvrij zijn.(…)Terwijl de ark absoluut onderhoudsvrij zou zijn met uitzondering van (…)”. 3.1.8 In zijn e-mail van 13 december 2011 heeft [X] aan [geïntimeerde] onder andere het volgende geschreven: “(...) Voor wat betreft de dakrandafwerking heb ik op 8 oktober jl. aan jullie bericht dat wij geleverd hebben hetgeen ter zake aan specificaties is overeengekomen, te weten een gootconstructie voorzien van watervast plaatwerk. Dit betreft de uitwerking van het principe dat de woonboot onderhoudsarm dien te worden gerealiseerd.(…)”. 3.1.9 [geïntimeerde] heeft [appellante] bij brief van 2 februari 2012 in gebreke gesteld en de gelegenheid geboden het door hem gestelde gebrek te herstellen conform de offerte van TPB Bouw, die de kosten heeft begroot op € 8.782,76. 3.2 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [appellante] jegens [geïntimeerde] door de levering van een aan de buitenzijde niet geheel onderhoudsvrije woonark tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 8.782,76 aan schadevergoeding. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering heeft [appellante] haar vier grieven gericht. 3.3 Met haar tweede grief, die de verste strekking heeft en daarom als eerste wordt behandeld, komt [appellante] op tegen het door de kantonrechter passeren van haar verweer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.