parketnummer: 23-001153-13 datum uitspraak: 18 oktober 2013 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 februari 2013 in de strafzaak onder de parketnummers 15-741147-12 en 15-700559-11 (TUL) tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum] thans gedetineerd [detentieadres] Omvang hoger beroep Naar het hof begrijpt is het hoger beroep niet gericht tegen het in het vonnis waarvan beroep opgenomen bewezen verklaarde van het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6 subsidiair ten laste gelegde en de opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de vaststelling/berekening van de hoogte van de gevorderde schadevergoeding van benadeelde partijen [benadeelde 1]en [benadeelde 2] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt bij de vaststelling/ berekening van de hoogte van de gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1]en [benadeelde 2]en de motivering daarvan -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof de gevorderde schadevergoeding door de benadeelde partijen [benadeelde 1]en [benadeelde 2] op de hierna vermelde wijze opnieuw zal vaststellen. Het standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de rechtbank toegekende schadevergoedingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] door de verdediging niet worden betwist, hetgeen ertoe dient te leiden dat de vorderingen integraal toegewezen kunnen worden. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6]heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze op €775,00 gewaardeerd dient te worden. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij van [benadeelde 1]gewaardeerd dient te worden op €13.113,83, waarbij zij van mening is dat de gemaakte arbeidskosten op €3.000,00 en de vordering tot schadevergoeding die ziet op de camera en toebehoren op €10.000,00 gewaardeerd dienen te worden. De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat zij het eens is met het standpunt van de raadsvrouw dat de hoogte van de schadevergoeding die betrekking heeft op de betalingsachterstand [leasecontract]op €113,83 gewaardeerd dient te worden. Ten slotte is de advocaat-generaal van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]in totaal op €4.016,38 gewaardeerd dient te worden, nu post 5 onvoldoende is onderbouwd en de borg die door de verdachte is betaald op de vordering in mindering gebracht dient te worden. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] gerefereerd aan het oordeel van het hof. Deze vorderingen worden door de verdediging niet betwist. Onder overlegging van een schriftelijke berekening ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]in totaal op €7.550,38 gewaardeerd dient te worden. De raadsvrouw is van mening dat de rechtbank het door haar gehanteerde uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van de gevorderde schadevergoeding op onderdelen niet consequent heeft toegepast. Zij betwist in haar appelmemorie – zakelijk weergegeven – de volgende onderdelen uitdrukkelijk: post 1: camera en toebehoren: post 4: betalingsachterstand [leasecontract]. Canonbody (post 1): De prijs van de canonbody bedroeg op 6 maart 2009 €2005,88 ex btw. Op het moment dat de camera verduisterd werd was deze 3 jaar oud. Uitgaande van een afschrijving van 20% per jaar bedraagt de waarde van de camera €2005,88 - €1203,53, hetgeen neerkomt op een bedrag van €802,35 (ex btw). Battery-grip (post 1): De prijs van de battery-grip bedroeg op 6 maart 2009 €234,45 ex btw. Op het moment dat deze verduisterd werd was deze 3 jaar oud. Uitgaande van een afschrijving van 20% per jaar bedraagt de waarde van de battery-grip €234,45 - €140,67, hetgeen neerkomt op een bedrag van €93,78. 100 mm lens (post 1): De 100 mm lens was 14 jaar oud op het moment van verduistering. Uitgaande van een afschrijving van 20% per jaar was deze lens geheel afgeschreven en de waarde dus nihil Betalingsachterstand [leasecontract](post 4): Uit de specificatie behorende bij de mail van 12 augustus 2013 afkomstig van de heer [contactpersoon]van [bedrijf X]B.V. blijkt dat de benadeelde partij gedurende zes maanden zijn verplichtingen uit het leasecontract niet is nagekomen. Eén van die zes maanden komt voor rekening van cliënt, de overige vijf maanden komen voor rekening van de benadeelde partij. Uitgaande van de mail van 12 augustus 2013 is in totaal €750,00 - €71,50, hetgeen neerkomt op een bedrag van €678,50, aan interventiekosten in rekening gebracht. Het is redelijk dat cliënt 1/6 deel van deze kosten draagt, hetgeen neerkomt op een bedrag van €113,83. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsvrouw zich onder overlegging van een schriftelijke berekening op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van de volgende posten: 3) openstaande posten, 4) gederfde inkomsten verhuur, 5) reiskosten/parkeerkosten, 6) administratie/dag, 8) extra verhuurdag, als vermeld op pagina 2 op het voegingsformulier benadeelde partij. Met betrekking tot post 1) Canon 5D is zij van mening dat deze ten tijde van de verduistering 1 jaar oud was. Uitgaande van een afschrijving van 20% per jaar zou de vordering tot schadevergoeding gewaardeerd moeten worden op een bedrag van €1209,09. Met betrekking tot post 2) 70-200 mm zoom lens is zij van mening dat deze is gekocht op 1 mei 2011 als onderdeel van een cinekit en deze is vervangen door een andere duurdere lens. Voorts wijst zij erop dat de waarde van een dergelijke lens op Markplaats tussen de €490,00 en €800,00 bedraagt. De hoogte van de vordering tot schadevergoeding die ziet op post 7) Sandisk 32 mb memorycard wordt niet betwist. Beoordeling door het hof Vordering tot schadevergoeding benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 24.484,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.447,39. De benadeelde partij heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep (mondeling) opnieuw gevoegd tot het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 6 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Anders dan de raadsvrouw neemt het hof als uitgangspunt dat de eigenaar van de fotoapparatuur, [benadeelde 1] door het onvrijwillig bezitsverlies van die apparatuur door toedoen van de verdachte nadeel heeft geleden. Dit nadeel kan in dit geval doordat die apparatuur niet meer beschikbaar is niet worden hersteld anders dan door vervanging. Het is dan zeer goed mogelijk dat de kosten die objectief gezien gelijk te stellen zijn met de waardevermindering deze laatste overtreffen louter omdat de eigenaar van die apparatuur anders in een voor hem duidelijk ongunstiger positie komt te verkeren. Hetgeen door de [benadeelde 1]ter terechtzitting in hoger beroep naar het oordeel van het hof aannemelijk is gemaakt. Het hof ziet hierin dan ook aanleiding de vergoeding van de fotoapparatuur in redelijkheid vast te stellen op de vervangingswaarde ad € 10.884,33, nu van de benadeelde partij in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij, ter wille van de belangen van de verdachte, zijn aanspraak beperkt tot het bedrag dat resteert na afschrijving(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.