GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Uitspraak: 2 juli 2013 Zaaknummer: 200.120.516/01 Zaaknummer eerste aanleg: 133768/FA RK 11-1095 in de zaak in hoger beroep van: […], wonende te […], appellant, advocaat: mr. C.L. Verhoeven te Alkmaar, tegen […], wonende te […], geïntimeerde, advocaat: mr. P.G.M. Vlaar te Hoorn NH. 1Het geding in hoger beroep 1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd. 1.2. De man is op 23 januari 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 24 oktober 2012, met kenmerk 133768/FA RK 11-1095. 1.4. De vrouw heeft op 21 maart 2013 een verweerschrift ingediend. 1.5. De man heeft op 12 april 2013 nadere stukken ingediend. 1.6. De zaak is op 24 april 2013 ter terechtzitting behandeld. 1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door mr. L. Bosch, advocaat te Hoorn NH. 2De feiten 2.1. Partijen zijn [in] 1993 gehuwd. Hun huwelijk is op 21 juni 2004 ontbonden door inschrijving van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2004 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 1999 en [kind b] [in] 2002 (hierna: de kinderen). 2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 157,- per kind per maand. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken. Hij is geboren [in] 1965. Hij leeft samen met zijn partner die in haar eigen levensonderhoud voorziet. Hij heeft samen met een compagnon de onderneming [vof]. In de periode tot en met 2011 had hij een woning in eigendom. In verband met de hypothecaire lening gevestigd op die woning betaalde hij € 6.345,- per jaar aan rente. Hij had de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde bedroeg € 183.500,-. De woning is in 2011 verkocht. Sinds 2012 bewoont hij samen met zijn partner een huurwoning. Aan huur betalen zij € 825,- per maand. Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 126,- per maand. 2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken. Zij is geboren [in] 1970. Zij is [in] 2006 gehuwd met de heer [x]. Uit dat huwelijk is [de minderjarige] geboren [in] 2006. 3Het geschil in hoger beroep 3.1. Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2004 in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2009 bepaald op € 300,- per kind per maand, onder afwijzing van het verzoek van de man de bijdrage met ingang van 1 januari 2009 op nihil te stellen. 3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op € 24,- per kind per maand in 2009, op € 38,- per kind per maand in 2010, op € 10,- per kind per maand in 2011, op € 19,- per kind per maand in 2012 en op nihil met ingang van 2013, met veroordeling van de vrouw de sinds 1 januari 2009 teveel ontvangen kinderalimentatie aan hem terug te betalen. 3.3. De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4Beoordeling van het hoger beroep 4.1. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man. Het hof overweegt daarover als volgt. Behoefte kinderen 4.2. Uit de stukken is gebleken dat partijen tot en met maart 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Gelet daarop volgt het hof de man in diens betoog dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen dient te worden uitgegaan van het netto gezinsinkomen van partijen in 2003. De man heeft aangevoerd dat het netto gezinsinkomen in 2003 € 2.826,- per maand bedroeg. Ter onderbouwing heeft hij zich beroepen op zijn aangifte en aanslag IB 2003 en, bij gebreke aan gegevens van het inkomen van de vrouw in 2003, op het bruto jaarinkomen van haar in 2002. De vrouw heeft de hoogte van die bedragen niet - gemotiveerd - weersproken en evenmin inzicht gegeven in haar inkomen in 2003, zodat het hof van het door de man gestelde gezinsinkomen zal uitgaan. De stelling van de man dat op basis van dat inkomen de behoefte van de kinderen in 2004 € 675,- per maand bedroeg, is door de vrouw evenmin betwist, zodat het hof dat bedrag tot uitgangspunt zal nemen. Dit leidt tot een maandelijkse behoefte van de kinderen, na indexering, van € 744,32 in 2009, van € 761,44 in 2010, van € 768,29 in 2011 en van € 778,28 in 2012. 4.3. Blijkens de door partijen ingediende schema's en de toelichting daarop ter zitting zijn zij het erover eens dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gedurende de week bij de man verblijven van dinsdagavond na het eten tot woensdag naar school en vanaf donderdagavond voor het eten tot en met vrijdag en gedurende de feestdagen op eerste kerstdag, eenmaal per twee jaar tijdens Oud en Nieuw, twee dagen tijdens kermis en twee weken gedurende de zomervakantie. Verder is, zo begrijpt het hof, niet in geschil dat [kind b] vanwege sportactiviteiten regelmatig op dinsdag bij de man eet. Partijen zijn verdeeld over de wijze waarop de weekenden worden ingevuld. De man heeft betoogd dat de kinderen gedurende de weekenden vrijwel volledig bij hem verblijven. De vrouw heeft dat betwist en aangevoerd dat de regeling zoals vermeld in het echtscheidingsconvenant, waarbij de kinderen afwisselend bij de man en de vrouw verblijven, nog immer geldt. Het hof volgt de man niet in zijn betoog. Gelet op de betwisting door de vrouw had het op zijn weg gelegen de door hem gestelde - van het echtscheidingsconvenant afwijkende - regeling in voldoende mate nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Dit leidt ertoe dat het hof uitgaat van een verdeling van de weekenden bij helfte. Voormelde verdeling brengt mee dat de kinderen in overwegende mate bij de vrouw verblijven en dat van een co-ouderschap, zoals door de man primair betoogd, geen sprake is. Evenmin is aannemelijk geworden dat partijen ieder een gelijk deel van de kosten van de kinderen dragen, zodat het hof ook aan die stelling van de man voorbijgaat. Gelet op de hiervoor genoemde regeling en het gegeven dat de vrouw ter zitting heeft erkend dat de man incidenteel kleding voor de kinderen koopt en de kosten van de kinderen in verband met hun hobby motorcross voor zijn rekening neemt, zal het hof in navolging van het subsidiaire betoog van de man, bij de berekening van zijn draagkracht in redelijkheid uitgaan van omgangskosten van € 152,- per maand, waarin begrepen kosten voor kleding, die de man soms voor de kinderen koopt. De onder 4.2 vermelde kosten van de kinderen zullen naar rato van de draagkracht van partijen en de echtgenoot van de vrouw worden verdeeld. Draagkracht man 4.4. De rechtbank is aan de zijde van de man uitgegaan over de gemiddelde winst uit onderneming van 2009, 2010 en 2011 van € 39.660,- per jaar. Op die winst is een dotatie oudedagsreserve in mindering gebracht. Die inhouding is in hoger beroep niet ter discussie gesteld. De man heeft betoogd dat hij een deel van de winst dient te reserveren en dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met het bedrag dat hij maandelijks aan zijn onderneming ontrekt van 1.700,- netto per maand. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat hij de reservering nodig heeft voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.