beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.131.770/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 30 september 2013 inzake DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE OPEN UNIVERSITEIT, gevestigd te Heerlen, VERZOEKER, advocaat: mr. V.F.G. Nowak, kantoorhoudende te Maastricht, t e g e n de OPEN UNIVERSITEIT, gevestigd te Heerlen, VERWEERDER, advocaat: mr. A.L.W.G. Houtakkers, kantoorhoudende te Maastricht. 1Het verloop van het geding 1.1 In het vervolg zal verzoeker worden aangeduid als de ondernemingsraad en verweerder als de Open Universiteit. 1.2 De ondernemingsraad heeft bij op 15 augustus 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, zakelijk weergegeven, het beroep tegen onderdelen van het besluit van de Open Universiteit van 16 juli 2013 gegrond te verklaren en, tevens bij wijze van voorlopige voorzieningen - naar de Ondernemingskamer begrijpt - aan de Open Universiteit de verplichting op te leggen de bestreden onderdelen van voornoemd besluit in te trekken en eventuele gevolgen van die onderdelen ongedaan te maken en de Open Universiteit te verbieden handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van de bestreden onderdelen van het besluit, met veroordeling van de Open Universiteit in de kosten van de procedure . 1.3 De Open Universiteit heeft bij op 26 augustus 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht het beroep ongegrond te verklaren en de verzoeken om een voorziening af te wijzen, met veroordeling van de ondernemingsraad in de kosten van het geding. 1.4 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 5 september 2013. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht, beiden aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities en mr. Nowak onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. 2De vaststaande feiten 2.1 De Open Universiteit is een organisatie met circa 700 fte aan arbeidsplaatsen en een begroting van circa € 70 miljoen per jaar. 2.2 In het voorjaar van 2012 is een aanvang gemaakt met wijzigingen in de organisatie van de Open Universiteit (hierna aan te duiden met het verandertraject). Aanleiding daartoe waren de prestatieafspraken met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna aan te duiden met OCW), op grond waarvan de Open Universiteit verplicht was de totale overhead te reduceren met 50 fte. 2.3 Bij brief van 6 mei 2013 heeft het college van bestuur van de Open Universiteit (hierna ook de bestuurder te noemen) aan de ondernemingsraad advies gevraagd over het reorganisatieplan dat hij op 2 mei 2013 voorlopig heeft vastgesteld in het kader van het verandertraject. Het reorganisatieplan voorziet in een nieuwe organisatiestructuur, die onder meer een “Gemeenschappelijke service organisatie” (hierna met GSO aan te duiden) en een Bestuursdienst (hierna ook met BD aan te duiden) omvat. De bestuurder heeft het eveneens op 2 mei 2013 voorlopig vastgestelde personeelsplan ter kennisneming bij de adviesaanvraag gevoegd. 2.4 Op 15 mei 2013 heeft een overlegvergadering van de ondernemingsraad en de bestuurder plaatsgevonden. 2.5 De ondernemingsraad heeft op 17 mei 2013 vragen aan de bestuurder gesteld. 2.6 De bestuurder heeft bij brief van 11 juni 2013 op de vragen van de ondernemingsraad onder meer het volgende geantwoord: “in artikel 9.9 CAO NU [Nederlandse Universiteiten, OK] wordt gesproken over organisatie-eenheden. Binnen de organisatie-eenheden waarop de inkrimping betrekking heeft, dient afgespiegeld te worden. In (…) het Bestuurs- en beheersreglement Open Universiteit Nederland worden de huidige organisatie-eenheden genoemd. Indien 3 faculteiten worden samengevoegd tot 1 nieuwe faculteit dan dient binnen deze nieuwe eenheid afgespiegeld te worden, omdat de inkrimping betrekking heeft op de nieuwe organisatie-eenheid (…). (…) een aparte afspiegeling leidt tot hetzelfde resultaat als een gezamenlijke afspiegeling. (…) Er is aldus voor gekozen om de vier “oude organisatie-onderdelen” als één geheel te zien en binnen deze totale groep af te spiegelen en de medewerkers die resteren vervolgens te verdelen over BD en GSO (…)”. 2.7 Op 13 juni 2013 heeft een overlegvergadering van de ondernemingsraad en de bestuurder plaatsgevonden. 2.8 Op 17 juni 2013 heeft overleg plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers en juridisch adviseurs van de bestuurder, van de ondernemingsraad en van de werknemersorganisaties over de bij de reorganisatie te hanteren systematiek voor het vaststellen van de ontslagvolgorde. 2.9 Een e-mail van de voorzitter van de ondernemingsraad aan de bestuurder, verzonden op 21 juni 2013, luidt, voor zover van belang: “Waar we er na ons juridisch overleg van afgelopen maandag nog van uitgingen dat de O[pen ]U[niversiteit]-brede systematiek en de door [de bestuurder] gekozen systematiek beide juridisch juist zouden kunnen zijn, zijn wij er inmiddels van overtuigd dat er juridisch maar 1 juiste systematiek is, namelijk de O[pen ]U[niversiteit]-brede”. 2.10 Op 1 juli 2013 – de adviestermijn was op verzoek van de ondernemingsraad tot die datum verlengd – heeft de ondernemingsraad negatief geadviseerd. Zijn advies bestaat uit een aantal deeladviezen. 2.11 Deeladvies 5 en de toelichting daarop luiden, voor zover van belang, als volgt (zie met betrekking tot ‘UFO’ hierna in 2.20): “De [ondernemingsraad] verzoekt u nadrukkelijk om de hiërarchische laag ‘Hoofd service centrum’ – drie functies met UFO-profiel afdelingshoofd [Ondernemingskamer: UFO is Universitair Functie Ordeningssysteem] – uit het organigram van de GSO te schrappen (…). Bovendien wordt op die manier de overhead binnen de organisatie verder gereduceerd, en kan er een bijkomende kostenreductie gerealiseerd worden. (…)”. en “de [ondernemingsraad blijft] overtuigd dat de hoofdstructuur van de directie GSO te veel managementlagen bevat. De afdeling kan volstaan met één laag minder. De directeur van de GSO opereert op het strategische niveau en maakt van daaruit de vertaling naar het tactische niveau. De clusterhoofden opereren voornamelijk op het tactische niveau, en vertalen van daaruit naar het operationele niveau, waar resultaatverantwoordelijke teams of procescoördinatoren het operationele niveau invullen. De drie sectorhoofden (hoofd servicecentrum) zijn volgens ons een onnodige en overbodige luxe in de huidige context. (…) De [ondernemingsraad] is van mening dat leidinggevenden met tactische lijnverantwoordelijkheid niet de meest geschikte uitvoerders van grootscheepse veranderingen zijn. Dergelijke ingrepen worden best door programmamanagers uitgevoerd (…)”. 2.12 Deeladvies 7 en de toelichting daarop luiden, voor zover van belang, als volgt: “De [ondernemingsraad] verzoekt om – gezien de financiële toestand van de instelling – de twee nieuwe formatieplaatsen voor de afdelingshoofden binnen de bestuursdienst niet in te vullen met het UFO-profiel directeur dienst, maar (…) afdelingshoofd, en ook het gewicht in de rest van de formatie nogmaals tegen het licht te houden.” en “De [ondernemingsraad] vindt (…) dat de (leidinggevende) functies binnen de bestuursdienst erg hoog worden ingeschaald”. 2.13 Deeladvies 10 en de toelichting daarop luiden, voor zover van belang, als volgt: “De [ondernemingsraad] verzoekt om de drie formatieplaatsen van de hoofden bedrijfsvoering binnen de nieuwe faculteiten niet in te vullen met het UFO-profiel directeur bedrijfsvoering, maar met het profiel coördinator bedrijfsvoering (…)” en “In het licht van de benarde financiële positie en de beoogde bestuurlijke vereenvoudiging van de [open universiteit] vindt de [ondernemingsraad] dat de huidige invulling van de functie van hoofd bedrijfsbureau door een UFO-profiel ‘directeur bedrijfsvoering’ een te hoge invulling is. De [ondernemingsraad] wil het aantal directeursfuncties binnen de organisatie zo minimaal mogelijk invullen (…)”. 2.14 Deeladvies 21 en de toelichting daarop luiden, voor zover van belang, als volgt: “De [ondernemingsraad] suggereert op meerdere plekken in dit advies concrete mogelijkheden om een extra financiële ombuiging te realiseren, met name door drie leidinggevende functies te schrappen binnen de GSO en een vijftal andere leidinggevende functies binnen de BD en de faculteitsbureaus formatief in te vullen met ‘goedkopere’ UFO-profielen” en “(…) de [ondernemingsraad] [blijft] bezorgd over de financiële toekomst. (…)”. 2.15 Deeladvies 32 en de toelichting daarop luiden, voor zover van belang, als volgt: “de [ondernemingsraad] verzoekt u (…) om de systematiek te herzien en de ontslagvolgorde opnieuw te bepalen ten aanzien van de [Open Universiteit] als één geheel, en ondubbelzinnige duidelijkheid te scheppen over de aard en volgorde van de criteria voor het bepalen van de ontslagvolgorde” en “(...) bij het bepalen van de ontslagvolgorde [wordt] naar de mening van de [ondernemingsraad] een onjuiste systematiek gehanteerd en wel om twee redenen. Enerzijds is niet duidelijk welke criteria [de bestuurder] hanteert voor het bepalen van de plaatsings- en ontslagvolgorde. (…) Anderzijds kiest [de bestuurder] voor het opsplitsen van de [Open Universiteit] in 4 organisatie-eenheden waarbinnen de ontslagvolgorde wordt bepaald. Hierover heeft op 17 juni 2013 juridisch overleg plaatsgevonden (…), maar het overleg heeft niet geleid tot een gemeenschappelijke visie over de grondslag van de reorganisatie. De [o]ndernemingsraad is er meer dan ooit van overtuigd dat de huidige keuze onjuist is. De [Open Universiteit] dient in dit verband als één geheel te worden beschouwd (…)”. 2.16 Met ingang van 5 juli 2013 is de subsidieverlening door het Ministerie van OCW voor het onderzoekscentrum LOOK van de Open Universiteit beëindigd. 2.17 De bestuurder heeft bij brief van 16 juli 2013 zijn besluit tot vaststelling van het reorganisatie- en personeelsplan aan de ondernemingsraad meegedeeld. In de brief is als volgt ingegaan op de bovenvermelde deeladviezen: “OR-advies, punt 5: [De bestuurder] denkt dat deze functionarissen een wezenlijke bijdrage gaan leveren aan het efficiënt functioneren van de GSO. In de overweging van [de bestuurder] spelen daarbij ook zaken als span of control, verscheidenheid in taakgebieden en gewenste focus (tactisch en operationeel) in leidinggeven een rol. Dat gezegd hebbend merk ik op dat de subsidiestop voor LOOK verdere versobering binnen de organisatie noodzakelijk maakt en dat [de bestuurder] in dat verband bereid is, om de invulling van deze managementlaag (…) binnen de GSO opnieuw te bezien. OR-advies, punten 7 en 10: [De bestuurder] hanteert en conformeert zich aan de geldende systematiek van functiewaardering. Voor de betreffende functies is advies ingewonnen; de weergegeven waardering is telkens in overeenstemming met de zwaarte van de betreffende functie. OR-advies, punt 21: Zie hierboven, bij de punten 7 en 10. OR-advies, punt 32 (…): (…) [de bestuurder] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.