GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.080.563/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 398614/HA ZA 08-1436 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 december 2013 inzake de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADFISCASS B.V., gevestigd te Amstelveen, appellante, advocaat: mr. R.J.B. Baarspul te Amsterdam, tegen: de vereniging VERENIGING VAN EIGENAARS WITTENBURGERGRACHT 265-271, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. E.J.H. van Lith te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Adfiscass en de VVE genoemd. Adfiscass is bij dagvaarding van 23 december 2010 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2009, 24 juni 2009 en 29 september 2010, gewezen tussen de VVE als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en Adfiscass als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties; - van de zijde van Adfiscass een akte uitlating producties, met producties; - van de zijde van de VVE een akte uitlating producties. Ten slotte is arrest gevraagd. Adfiscass heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van de VVE zal afwijzen en haar vordering, met inachtneming van de in hoger beroep gewijzigde eis, zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. De VVE heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 15 april 2009 onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn, voor zover hieronder niet nader besproken, in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1. Adfiscass was in 2006 eigenares van het pand gelegen aan de Wittenburgergracht 273-279 te Amsterdam (verder: het pand van Adfiscass) . De leden van de VVE zijn elk eigenaar van één van de appartementsrechten van het pand gelegen aan de Wittenburgergracht 265-271 te Amsterdam (verder: het pand van de VVE). De erven waarop de panden van partijen zijn gevestigd, zijn naburige erven. Adfiscass is in januari 2006 begonnen met herstelwerkzaamheden aan de fundering van haar pand, welke werkzaamheden werden uitgevoerd door de onderneming Euro Inventarisatiebureau. De panden hadden in elk geval tot deze verbouwing een scheidsmuur gemeen. Partijen strijden erover of na deze verbouwing nog steeds sprake is van een gemene muur in de zin van artikel 5:62 lid 2 BW. De betreffende muur wordt verder ook wel aangeduid als: de muur. 3.1.2. De gemeente Amsterdam (verder: de gemeente) heeft op 21 april 2006, gedurende de uitvoering van de funderingswerkzaamheden aan het pand van Adfiscass, een onderzoek ingesteld naar de technische staat van de fundering van het pand van de VVE. De gemeente heeft naar aanleiding van dat onderzoek een rapport opgesteld, gedateerd 24 april 2006. De conclusie van het rapport is dat de fundering van het pand van de VVE niet voldoet aan het Bouwbesluit en de Regeling Bouwbesluit 2003. 3.1.3 De VVE heeft naar aanleiding van het rapport van de gemeente op 6 juni 2006 besloten tot funderingsherstel. Zij heeft bij brief van 27 december 2007 Adfiscass aangeschreven en haar in dat schrijven verzocht mee te delen of zij, omdat sprake is van een mandelige muur tussen de panden, aansprakelijkheid voor (een gedeelte van) de herstelkosten aanvaardt. Adfiscass heeft deze aansprakelijkheid niet aanvaard. 3.2. De VVE vorderde in eerste aanleg Adfiscass te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 34.382,74 met rente en kosten. Zij legde daaraan ten grondslag dat de panden van partijen een mandelige muur hebben en dat de fundering onder haar pand en onder deze muur herstel behoefde, dat in haar opdracht heeft plaatsgevonden. De VVE kan op grond van artikel 5:65 BW van Adfiscass als mede-eigenaar van de mandelige muur vorderen dat zij naar evenredigheid van haar aandeel in de eigendom van de mandelige muur bijdraagt in de kosten van het funderingsherstel, zo voerde zij aan. Adfiscass voerde verweer en vorderde op haar beurt de VVE te veroordelen haar een bedrag van € 29.244,10 te betalen. Adfiscass voerde daartoe aan dat Euro Inventarisatiebureau ten behoeve van het onderzoek van de gemeente en dus ten behoeve van de VVE extra graafwerkzaamheden heeft verricht ten bedrage van € 3.074,10, welk bedrag genoemd bedrijf aan Adfiscass heeft gefactureerd. Voorts zijn bij namens Adfiscass uitgevoerde werkzaamheden muurankers van het pand van de VVE geconserveerd en is de VVE gehouden een bedrag van € 1.170,- bij te dragen in de kosten van deze werkzaamheden. Adfiscass stelde daarnaast dat de VVE onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat zij heeft geweigerd in te gaan op haar aanbod om de fundering van de VVE te verstevigen. Zij heeft daarom een eigen draagconstructie moeten aanbrengen in haar pand en heeft aldus schade geleden welke zij begroot op € 25.000,-, aldus nog steeds Adfiscass. 3.3. De rechtbank overwoog in het bestreden vonnis van 15 april 2009 dat sprake is van een gemeenschappelijke scheidsmuur en dat dit niet anders is geworden doordat Adfiscass inpandig een stalen draagconstructie heeft laten aanbrengen. Dit brengt met zich dat Adfiscass in beginsel gehouden is bij te dragen in de kosten van het funderingsherstel aan de zijde van de VVE, voor zover deze kosten betrekking hebben op het herstel van de fundering waarop de mandelige muur rust. De rechtbank ziet aanleiding een deskundige in te schakelen die zal moeten vaststellen welk bedrag in redelijkheid bij Adfiscass in rekening kan worden gebracht. De rechtbank overwoog in dat vonnis voorts dat het verweer van Adfiscass dat de VVE veel dubbele kosten heeft gemaakt en dat de kosten onnodig hoog zijn doordat de VVE niet heeft meegewerkt aan de opvang van de fundering vanuit het pand van Adfiscass, niet kan slagen omdat Adfiscass onvoldoende heeft gesteld welke werkzaamheden niet door de VVE behoefden te worden uitgevoerd omdat zij reeds namens Adfiscass waren uitgevoerd. In datzelfde vonnis overwoog de rechtbank dat de vorderingen van Adfiscass op de VVE niet voor toewijzing in aanmerking komen. Bij het bestreden vonnis van 24 juni 2009 benoemde de rechtbank een deskundige ter beantwoording van, kort gezegd, de vraag welk bedrag Adfiscass dient bij te dragen aan het in opdracht van de VVE uitgevoerde funderingsherstel. In het bestreden (eind)vonnis van 29 september 2010, tot slot, overwoog de rechtbank dat er geen aanleiding is terug te komen op haar bindende eindbeslissing dat sprake is van mandeligheid van de gemeenschappelijke muur en de fundering waarop deze rust. Zij overwoog voorts, in navolging van de deskundige, dat Adfiscass € 21.186,- dient bij te dragen in de door de VVE gemaakte kosten ter zake het funderingsherstel. De rechtbank veroordeelde Adfiscass bij dat vonnis tot betaling aan de VVE van genoemd bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 10 januari 2008, en tot betaling aan de VVE van € 1.158,- aan buitengerechtelijke kosten. Zij wees de vorderingen van Adficass af en veroordeelde haar in de kosten van de procedure. 3.4. Adfiscass bestrijdt met de grieven 1 tot en met 4 het oordeel van de rechtbank dat zij dient bij te dragen aan het funderingsherstel van het pand van de VVE omdat nog steeds sprake is van een mandelige muur. Adfiscass stelt, kort gezegd, dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de muur nog steeds mandelig is in de zin van artikel 5:62 lid 2 BW. Zij voert aan dat van oudsher sprake is geweest van een buitenmuur van het pand van de VVE waarop enkel was ingebalkt. Die inbalking is opgehouden toen Adfiscass met de verbouwing van haar pand in 2005/2006 de balken loskoppelde en een nieuwe eigen fundering en draagconstructie realiseerde. Haar gehele pand rust sindsdien op de eigen stalen draagconstructie. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het dak van haar pand nog op de muur rust en dat er nog leidingen op of tegen de muur rusten. Ook heeft haar pand door het dichtmaken van de staalconstructie een eigen buitenmuur gekregen zodat haar pand en het pand van de VVE zijn afgescheiden middels twee op zichzelf staande zijgevels waartussen zich een onbebouwde ruimte bevindt. De wettelijke mandeligheid is dan ook geëindigd, zo stelt Adfiscass bij de onderhavige grieven. De VVE bestrijdt dat de wettelijke mandeligheid is geëindigd. 3.5. Het hof overweegt naar aanleiding van genoemde grieven het volgende. Partijen zijn het erover eens dat voorafgaand aan de verbouwing van het pand van Adfiscass in 2006 sprake was van een scheidsmuur die de twee panden gemeen hadden en aldus van een mandelige muur in de zin van artikel 5:62 lid 2 BW. Partijen zijn het ook erover eens dat, indien nog steeds sprake is van een mandelige muur en daargelaten de nog te bespreken andere verweren van Adfiscass, Adfiscass dient bij te dragen aan de kosten van het funderingsherstel dat de VVE heeft doen uitvoeren. In dit geding dient dan ook te worden beoordeeld of de verbouwing van het pand van Adfiscass in 2006 tot gevolg heeft gehad dat de muur niet meer mandelig is. 3.6. Volgens Adfiscass bestond die verbouwing - in grote lijnen - uit het aanbrengen van een inwendige draagconstructie in haar pand en het maken van een buitenmuur voor haar pand aan de zijde van het pand van de VVE. De VVE betwist niet dat het pand van Adfiscass een eigen draagconstructie heeft gekregen en dus (in beginsel) niet meer op de fundering van de muur rust. Het hof zal dan ook daarvan uitgaan. Wel stelt de VVE dat de dakkapel van het pand van Adfiscass en de dakgoot tussen die dakkapel en de dakopbouw van haar pand nog steeds verbonden zijn met en rusten op de (voormalige) scheidsmuur. Daarnaast zijn, aldus de VVE, de standleiding van de mechanische ventilatie en de riolering alsmede de hoofdwaterleiding nog steeds aan die muur bevestigd. Tot slot stelt de VVE dat geen sprake is van een eigen buitenmuur van het pand van Adfiscass. De VVE onderbouwt haar stellingen door overlegging van foto’s van de situatie in het pand van Adfiscass tijdens en vooral na de verbouwing (memorie van antwoord bijlage G). Adfiscass betwist op haar beurt (in haar akte uitlating producties onder 14) dat de muur die op de door de VVE overgelegde foto’s te zien is en die door de VVE is aangeduid als ‘de mandelige muur’ ook daadwerkelijk de voormalige scheidsmuur betreft; volgens haar betreft het de door haar zelf aangebrachte muur die is opgetrokken rondom het staal van de draagconstructie. 3.7. De VVE voert (in haar memorie van antwoord onder 20) omtrent de door Adfiscass aangebrachte ‘muur’ het volgende aan. Adfiscass heeft enkel een gipsplaten voorzetwand geconstrueerd om de stalen draagconstructie aan het zicht te onttrekken. De voorzetwand ontbreekt zelfs in het trappenhuis van het pand van Adfiscass zodat daar de oorspronkelijke scheidsmuur is te zien. De trap is tegen die oorspronkelijke scheidsmuur geplaatst. Een gipsplaten voorzetwand voldoet niet aan de eisen die in het Bouwbesluit aan een buitenmuur worden gesteld, aldus nog steeds de VVE. Adfiscass stelt in reactie daarop (in haar akte uitlating producties onder 8) dat de gipsplaten niet, zoals de VVE stelt, zijn geplaatst om de staalconstructie aan het zicht te onttrekken maar omdat een dergelijke staalconstructie volgens het Bouwbesluit zestig minuten brandwerend bekleed dient te zijn. Dat doet men met gipsplaten en daarom zijn deze aangebracht, aldus Adfiscass. Het hof overweegt dat uit deze - verder door de VVE niet betwiste - stelling van Adfiscass volgt dat de door haar gestelde ‘eigen zijgevel’ bestaat uit de stalen draagconstructie en de daartegen en kennelijk ook tussen de balken aangebrachte gipsen brandwerende wand. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof echter niet dat het pand na de verbouwing van 2006 beschikt over een zijgevel die als buitenmuur kan dienen. Een stalen draagconstructie met gipsbeplating is immers niet gelijk te stellen met een zijgevel die als buitenmuur kan dienen. Waarom dit wel het geval zou zijn, is onvoldoende toegelicht door Adfiscass. Adfiscass heeft niet gereageerd op de stelling van de VVE dat de door haar gebruikte materialen niet voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit stelt aan een buitenmuur. Adfiscass heeft ook niet gesteld dat de door haar aangebrachte constructie desondanks als buitenmuur kan dienen. Adfiscass heeft bovendien zelf gesteld dat de enige reden voor het aanbrengen van de gipsplaten wand was om te voldoen aan de eisen van brandwerendheid; zij had met het aanbrengen daarvan kennelijk niet voor ogen een constructie te maken die geschikt was als buitenmuur. Aldus kan niet worden gezegd dat de muur die in het verleden de panden scheidde door de verbouwing zijn functie als gemeenschappelijke scheidsmuur heeft verloren. 3.8. De VVE onderbouwt haar stelling dat in het trappenhuis in het geheel geen gipsplaten zijn aangebracht met foto’s van het interieur van het pand van Adfiscass. Op deze foto’s is te zien dat ter plaatse van het trappenhuis de muur inspringt ten opzichte van de muur in de rest van de gang. Dat is een aanwijzing dat ter plaatse inderdaad de gipsplaten voorzetwand ontbreekt. De door de VVE (als bijlage F bij haar memorie van antwoord) overgelegde bouwtekeningen maken voorts duidelijk dat de staalconstructie niet over de gehele diepte van het pand van Adfiscass is aangebracht maar in twee delen (met een tussenruimte van omstreeks 2,30 meter). Dat verklaart mogelijk het ontbreken van een voorzetwand in het trappenhuis en daarmee het inspringen van de muur ter hoogte van dit trappenhuis. Adfiscass heeft daar slechts tegenover gesteld dat op de door de VVE overgelegde foto’s niet de mandelige muur is te zien maar de door haar aangebrachte ‘wand met afwerking’. Zij heeft aldus geen verklaring gegeven voor het inspringen van de wand ter hoogte van het trappenhuis. Adfiscass heeft op deze wijze de - met stukken onderbouwde - stelling van de VVE onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat vaststaat dat ter hoogte van het trappenhuis de voorzetwand ontbreekt. Ook daaruit volgt dat de oude scheidsmuur zijn gemeenschappelijke functie niet verloren heeft. 3.9. De VVE stelt voorts dat op de door haar overgelegde foto’s is te zien dat de gemeenschappelijke goot, die zich bevindt tussen de dakopbouw van haar pand en de dakkapel van het pand van Adfiscass, nog steeds op de muur rust. Adfiscass voert aan dat deze goot zweeft boven de muur. Adfiscass heeft niet betwist dat de goot gemeenschappelijk is en evenmin dat de goot zich recht boven de muur bevindt. Zij licht niet toe op welke wijze de goot aan haar pand of aan het pand van de VVE zou zijn bevestigd. Het moet dan ook ervoor worden gehouden dat de goot op de muur rust; het is immers niet voor te stellen dat de goot ‘zweeft’. Ook wat dit betreft heeft de muur zijn gemeenschappelijke functie behouden. 3.10. De conclusie van een en ander is dat de muur op een aantal punten zijn gemeenschappelijke functie heeft behouden en wel op zodanig wijze dat het hof van oordeel is dat ook na de verbouwing van 2006 nog steeds sprake is van een gemene muur in de zin van artikel 5:62 lid 2 BW. Daarbij is doorslaggevend dat de constructie van staal en gipsplaten die Adfiscass in haar pand heeft aangebracht niet kan dienen als zelfstandige buitenmuur. De nog niet besproken - door de VVE gestelde en door Adfiscass betwiste - feiten die dienstig kunnen zijn voor de conclusie dat nog steeds sprake is van een gemene muur, hoeven, gelet op het voorgaande, niet meer te worden onderzocht. Het gaat dan om de stelling dat de dakkapel van het pand van Adfiscass nog steeds rust op de muur en dat aan die muur leidingen zijn bevestigd. De door de VVE voorgestane conclusie volgt immers reeds uit de feiten die in dit geding zijn vast komen te staan. 3.11. Adfiscass heeft met betrekking tot het onderhavige geschilpunt nog bewijs aangeboden. Haar aanbod om te bewijzen dat sprake is van een eigen buitenmuur is echter of te weinig specifiek (memorie van grieven onder 14) of zodanig ingevuld (akte uitlating producties onder 18: ‘de eigen bouwmuur van Adfiscass, bestaande uit de stalen constructie en de gipsen brandwerende wand’) dat dit gelet op het voorgaande niet meer ter zake dienend is. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om Adfiscass toe te laten tot bewijslevering. De slotsom is dat de grieven 1 tot en met 4 falen. 3.12. Adfiscass bestrijdt met grief 5 het - in het tussenvonnis van 15 april 2009 in rechtsoverweging 4.5 gegeven - oordeel van de rechtbank dat het verweer van Adfiscass dat bij de vaststelling van haar bijdrage in de kosten van het funderingsherstel rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.