zaaknummer 200.101.758/01 8 januari 2013 GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [ APPELLANT ], wonende te [ plaatsnaam ], APPELLANT, advocaat: mr. J. de Ruiter te Kampen, t e g e n [ GEÏNTIMEERDE ], wonende te [ plaatsnaam ], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. C. Blanken te Den Haag. Partijen zullen worden aangeduid als [ Appellant ] en [ Geïntimeerde ].
(2005)en het vervullen van een verkopersfunctie op de boekenafdeling van twee winkels (in de jaren '80). Tegen deze achtergrond en gelet op de forse investering die de winkel vergde, in relatie tot de omvang van het vermogen van [ Appellant ], is het hof van oordeel dat [ Geïntimeerde ], indien hij gehandeld zou hebben als een goed bewindvoerder, [ Appellant ] geen toestemming had kunnen geven tot aankoop van de winkel met als doel deze te gaan exploiteren en aldus in zijn onderhoud te voorzien. 3.10 Voorts heeft [ Geïntimeerde ] ten verwere aangevoerd dat de boekwinkel als gevolg van onvoorziene omstandigheden minder winst genereerde dan was verwacht (conclusie van antwoord punt 4). [ Geïntimeerde ] doelt hiermee op verslechterende marktomstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode na aankoop van de winkel. Dit verweer wordt verworpen, nu niet, althans onvoldoende is onderbouwd dat het slecht lopen van de boekwinkel met name een gevolg is geweest van verslechterende marktomstandigheden, zeker niet tegen de achtergrond van het gegeven dat uit de exploitatie van de winkel een salaris moest worden betaald aan [ Z ], nu [ Appellant ] tot die exploitatie zelf niet in staat was. Bovendien is het hof van oordeel dat [ Geïntimeerde ], gelet op de afwezigheid van de voor het exploiteren van een boekwinkel vereiste (minimum aan) kwaliteiten bij [ Appellant ], hoe dan ook geen toestemming had mogen geven voor aankoop van de boekwinkel door [ Appellant ] met het doel dat [ Appellant ] deze zelf zou exploiteren en daaruit een inkomen zou kunnen verwerven. 3.11 [ Geïntimeerde ] heeft ook aangevoerd dat hij de aankoop van de boekwinkel als een mooie gelegenheid zag om het vermogen van [ Appellant ] op een adequate wijze te beleggen, een mogelijkheid om een salaris te genereren en om aan een wens van [ Appellant ] tegemoet te komen (conclusie van antwoord punt 13). Ook dit argument kan het hof niet onderschrijven. [ Geïntimeerde ] heeft niet in toereikende mate onderbouwd dat de aankoop van de boekwinkel als een adequate belegging - hetgeen in de context van bewindvoering wil zeggen: conserverend beleggen - van het vermogen van [ Appellant ] kon worden beschouwd, zeker niet wanneer voor ogen wordt gehouden dat [ Appellant ] deze moest exploiteren. Evenmin is in toereikende mate onderbouwd dat het een reële verwachting was dat [ Appellant ] uit de boekwinkel een salaris kon genereren, waarmee hij in zijn onderhoud kon voorzien. Een financiële onderbouwing van deze verwachting heeft het hof niet bij de stukken aangetroffen. Het argument van [ Geïntimeerde ] dat de bank bereid was de aankoop te financieren, acht het hof onvoldoende, alleen al nu niet voldoende is onderbouwd dat de bank bekend was met het feit dat [ Appellant ] onder bewind was gesteld en dat het doel was dat hij zelfstandig de boekwinkel zou gaan exploiteren. [ Geïntimeerde ] heeft ook gesteld dat hij advies heeft ingewonnen bij [ B ] van de firma [ ] te Laren, maar hij heeft niet toegelicht wat gevraagd is aan [ B ], welke gegevens aan [ B ] ter beschikking zijn gesteld, en wat het advies inhield. Schriftelijke stukken zijn niet overgelegd. Het verweer van [ Geïntimeerde ] op dit punt is temeer onvoldoende nu [ Appellant ] met overlegging van een rapportage van februari 2012 van [ ] van Kofin Corporate Finance, gemotiveerd heeft onderbouwd dat de wijze waarop de overname van de boekhandel heeft plaatsgevonden op geen enkele wijze voldoet aan de minimale zakelijke vereisten; dat er geen gebruik is gemaakt van deskundigen bij het onderhandelen over de overname en de waardering van de boekhandel, dat er geen due diligence heeft plaatsgevonden en dat er geen businessplan is opgesteld. Voor wat betreft het willen voldoen aan de wens van [ Appellant ], verwijst het hof naar hetgeen daarover hiervoor reeds is overwogen. 3.12 Voor zover [ Geïntimeerde ] zich zou willen beroepen op eigen inspanningen ten behoeve van het ondersteunen van [ Appellant ] bij het exploiteren van de boekwinkel (conclusie van antwoord punt 23), gaat het hof aan dat betoog voorbij, alleen al nu [ Geïntimeerde ] niet in toereikende mate heeft onderbouwd welke activiteiten hij dan heeft verricht. Duidelijk is wel dat hij hiervoor declaraties gebaseerd op een commercieel tarief ten laste van het vermogen van [ Appellant ] heeft laten komen; op die declaraties gaat het hof hierna nog in. 3.13 De conclusie tot zover is derhalve dat een goed bewindvoerder niet zou hebben ingestemd met aankoop van de boekwinkel door [ Appellant ]. Grief III slaagt derhalve. Geen tijdige verkoop boekhandel 3.14 Voorts is het hof van oordeel dat [ Geïntimeerde ] ook niet gehandeld heeft als een goed bewindvoerder door niet eerder en actiever over te gaan tot activiteiten die tot verkoop van de boekwinkel konden leiden, toen bleek (in feite al na enkele dagen) dat [ Appellant ] niet in staat was de winkel te exploiteren. Dit leidde er immers toe dat [ Appellant ] ook geen salaris meer uit de winkel kon krijgen; van de (geringe) opbrengst van de winkel moest het salaris van [ Z ] worden betaald. Nu in ieder geval in het najaar van 2007 er geen enkele twijfel meer bestond dat [ Appellant ] niet in staat zou zijn de winkel te exploiteren (zie de brief van oktober 2007 van [ Geïntimeerde ] aan [ Appellant ]), had [ Geïntimeerde ] zich al vanaf dat moment moeten inspannen om tot verkoop van de boekwinkel over te gaan en aldus de schade voor [ Appellant ] te beperken. De enige activiteit die [ Geïntimeerde ] echter in dit verband heeft verricht, zo heeft hij ter zitting in hoger beroep verklaard, is inschrijving bij de firma Boek & Bedrijf, en dit eerst in november
- Naar 's hofs oordeel heeft [ Geïntimeerde ] ook op dit punt niet gehandeld zoals van een goed bewindvoerder mocht worden gevraagd. Ook grief VI slaagt. Aankoop van het appartement 3.15 Met betrekking tot de aankoop van het appartement door [ Appellant ] is het hof van oordeel dat in onvoldoende mate is onderbouwd dat [ Geïntimeerde ] niet heeft gehandeld als een goed bewindvoerder door [ Appellant ] daarvoor toestemming te geven. Gegeven het feit dat hij de boekwinkel zou gaan exploiteren, was het noodzakelijk dat hij in de buurt van de winkel, derhalve in Amsterdam, zou gaan wonen. In de tijd waarin [ Appellant ] het appartement kocht, was het bovendien niet ongebruikelijk dat voor het gehele aankoopbedrag een hypothecaire lening werd afgesloten. De door [ Appellant ] te betalen hypothecaire rente was bovendien lager dan de huur die hij eerder betaalde voor zijn woning in [ plaatsnaam ], zoals door [ Geïntimeerde ] onbetwist is aangevoerd. Gelet op de toenmalige marktomstandigheden (begin 2007), zijn door [ Appellant ] in onvoldoende mate feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de aankoop van het appartement een onverantwoorde beslissing was, althans een aankoop waarmee een goed bewindvoerder niet zou hebben ingestemd. Ook met betrekking tot het doen van investeringen in het apppartement tot een hoogte van € 75.000,-- ten laste van het vermogen van [ Appellant ] is in onvoldoende mate onderbouwd dat dit een onverantwoorde beslissing was. Grief V faalt. Afleggen rekening en verantwoording 3.16 Het hof is van oordeel dat [ Geïntimeerde ] niet gehandeld heeft als een goed bewindvoerder door niet jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer. Deze verplichting is vastgelegd in het testament en volgt ook uit de wet. Dat [ Geïntimeerde ] niet aan deze verplichting heeft voldaan, staat vast; in het dossier bevinden zich slechts een overzicht van de stand van het vermogen en een staat van inkomsten en uitgaven over de periode 22 april 2006 t/m 15 november 2007 en een staat van inkomsten en uitgaven over de periode november 2007 t/m mei
- Een stand van het vermogen over laatstgenoemde periode is niet opgemaakt. Door de rechtbank is overwogen dat [ Appellant ] geen schade heeft geleden door het uitblijven van schriftelijke financiële rapportage over een aantal jaren, omdat hij hiervoor voldoende is gecompenseerd en dat [ Appellant ] door het uitblijven van schriftelijke rapportage niet in zijn belangen is geschaad. 3.17 Het hof onderschrijft dit oordeel niet. [ Appellant ] heeft gesteld dat [ Geïntimeerde ] vijf bankrekeningen voor hem beheerde en dat er een viertal bankleningen waren afgesloten. Dit is door [ Geïntimeerde ] niet betwist, waarmee vast staat dat de financiële administratie van [ Appellant ] niet eenvoudig te overzien was. Daarbij komt nog dat er een onderneming, de winkel, deel uit maakte van het vermogen van [ Appellant ]. Voorts staat vast dat [ Appellant ] wel inzage had in de stukken - op het kantoor van [ Geïntimeerde ] - maar dat hij geen afschriften mee kreeg, omdat hij die toch maar zou kwijtraken. In zijn brief van 28 maart 2008 heeft hij dit ook expliciet geweigerd. Naar 's hofs oordeel kan uit deze feiten en omstandigheden worden afgeleid dat [ Appellant ] geen schriftelijke stukken heeft ontvangen van [ Geïntimeerde ], waaruit hij heeft kunnen afleiden wat de (deplorabele) staat van zijn vermogen was. Dat hij wellicht wel mondelinge informatie heeft gekregen, is hiervoor niet een toereikende compensatie. Overigens is door [ Appellant ] ook betwist dat hij mondelinge informatie heeft gekregen, althans niet van dien aard dat hij daaruit (eerder dan in mei 2010) heeft begrepen dat zijn financiële situatie deplorabel was. [ Geïntimeerde ] heeft ook niet gemotiveerd gesteld wanneer hij [ Appellant ] dan zou hebben meegedeeld dat zijn financiële situatie deplorabel was dan wel wanneer [ Appellant ] zulks redelijkerwijs had moeten begrijpen. 3.18 Door het nalaten van [ Geïntimeerde ] is [ Appellant ] de mogelijkheid ontnomen zich tijdig een beeld te vormen van zijn ernstig verslechterende financiële situatie. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [ Appellant ] hierdoor schade heeft geleden. Op de vraag hoe die schade zal moeten worden begroot, zal het hof hierna terugkomen. Grief VII slaagt inzoverre. Facturen [ Geïntimeerde ] 3.19 Ten slotte is nog aan de orde de door [ Geïntimeerde ] in rekening gebrachte facturen. Tussen partijen staat vast dat [ Geïntimeerde ] in vier jaar bewindvoering een bedrag van € 59.000,-- bij [ Appellant ] in rekening heeft gebracht. 3.20 Het hof verwerpt het verweer van [ Geïntimeerde ] dat [ Appellant ] eerder had moeten klagen over de facturen. Vast staat dat [ Appellant ] de facturen niet thuis toegezonden kreeg, maar dat [ Geïntimeerde ] deze onder zich hield. Onvoldoende duidelijk is geworden dat [ Appellant ] de facturen bij [ Geïntimeerde ] heeft ingezien. Alleen al hierom kan niet worden gezegd dat [ Appellant ] hij te laat heeft geklaagd over de facturen. Los daarvan geldt dat het enkele feit dat [ Appellant ] pas later geklaagd heeft over de facturen, niet meebrengt dat hij zijn rechten te dien aanzien zou hebben verloren. Grief II slaagt daarmee. 3.21 Voor wat betreft de gegrondheid van de klachten van [ Appellant ] over de facturen overweegt het hof het volgende. [ Geïntimeerde ] heeft niet toereikend onderbouwd welke werkzaamheden hij precies heeft verricht, uitgesplitst naar factuur. Bovendien zijn de in rekening gebrachte bedragen aanzienlijk hoger dan het bedrag dat hij volgens de voorwaarden van het testamentair bewind mocht maken, namelijk een gebruikelijk uurtarief. Dit is het tarief waarop [ Geïntimeerde ] volgens de wet aanspraak kan maken (art. 4:447 BW). 3.22 Voor zover [ Geïntimeerde ] zich op het standpunt stelt dat hij met [ Appellant ] een afwijkend uurtarief overeengekomen is, is het hof van oordeel dat niet toereikend onderbouwd is over welke bedragen [ Geïntimeerde ] dan wanneer met [ Appellant ] overeenstemming heeft bereikt. Bovendien heeft [ Geïntimeerde ] - eenzijdig - zijn uurtarieven verhoogd, eerst van € 125,-- naar € 150,-- en later naar € 175,--. Niet gebleken is dat [ Appellant ] hiermee heeft ingestemd. 3.23 Het argument van [ Geïntimeerde ] dat hij op grond van de overeenkomst van april 2007 gerechtigd was minimaal vier uur per maand in rekening te brengen bij [ Appellant ] voor de begeleiding bij de exploitatie van de winkel, wordt verworpen. Het sluiten van deze overeenkomst moet naar 's hofs oordeel als misbruik van omstandigheden worden aangemerkt, nu [ Geïntimeerde ] - die was aangesteld als bewindvoerder in het belang van de bescherming van het vermogen van [ Appellant ] - klaarblijkelijk in zijn eigen voordeel [ Appellant ] bewogen heeft tot het aangaan van deze overeenkomst, terwijl hij wist of in ieder geval had moeten begrijpen dat [ Appellant ] vanwege zijn beperkte zakelijke en praktische inzicht bewogen werd tot het ondertekenen van die overeenkomst, en hij ook wist of had moeten begrijpen dat hij [ Appellant ] daarvan juist had moeten weerhouden. Dit alles is temeer verwijtbaar, nu [ Appellant ] zich in een afhankelijke positie van [ Geïntimeerde ] bevond en het vermogen van [ Appellant ] na aankoop van de boekwinkel in rap tempo verdampte, zodat [ Geïntimeerde ] zich op zijn minst had moeten afvragen of de financiële resultaten van de boekwinkel toelieten dat hij factureerde op de manier waarop hij dat deed. Het beroep van [ Appellant ] op vernietiging van deze overeenkomst wordt dan ook gehonoreerd. 3.24 Los van het voorgaande geldt nog dat [ Geïntimeerde ] niet op toereikende wijze heeft onderbouwd welke werkzaamheden hij zou hebben verricht in het kader van de begeleiding bij de exploitatie van de winkel, mede gelet op het feit dat al heel snel Merel [ Z ] de (volledige) bedrijfsvoering van de winkel op zich heeft genomen. 3.25 [ Appellant ] heeft zich op het standpunt gesteld dat [ Geïntimeerde ] voor de vier jaar bewindvoering redelijkerwijs een salaris van € 15.000,-- per jaar in rekening kon brengen. [ Geïntimeerde ] heeft niet gemotiveerd weersproken dat een salaris ter hoogte van dit bedrag een redelijke beloning is voor zijn verrichte werkzaamheden. Bij gebreke aan enig ander aanknopingspunt en bij gebreke aan een onderbouwde toelichting op de door [ Geïntimeerde ] gefactureerde bedragen, houdt het hof het ervoor dat € 45.000,-- een redelijke beloning is voor het totaal aan werkzaamheden van [ Geïntimeerde ] ten behoeve van [ Appellant ]. Het teveel in rekening gebrachte bedrag ad € 25.000,-- zal [ Geïntimeerde ] derhalve terug moeten betalen aan [ Appellant ]. Op dit punt ligt de vordering van [ Appellant ] voor toewijzing gereed. 3.26 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar 's hofs oordeel in het midden blijven wanneer [ Geïntimeerde ] precies bekend is geraakt met de beginnende ziekte van Parkinson bij [ Appellant ]. Grief IV zal het hof derhalve verder niet behandelen. Schade 3.27 Zoals hiervoor is overwogen, ligt de vordering van [ Appellant ] tot terugbetaling van een bedrag van € 25.000,-- door [ Geïntimeerde ], voor toewijzing gereed. Voor wat betreft de overige gevorderde schade is dat niet het geval. Naar 's hofs oordeel dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de vermogenstoestand waarin [ Appellant ] thans verkeert, met de situatie waarin hij verkeerd zou hebben indien niet tot aankoop van de boekwinkel zou zijn overgegaan c.q. de situatie waarin hij verkeerd zou hebben indien [ Geïntimeerde ] meer moeite zou hebben gedaan voor een eerdere verkoop van de boekwinkel c.q. de situatie waarin hij verkeerd zou hebben indien [ Geïntimeerde ] wel behoorlijk rekening en verantwoording zou hebben afgelegd over zijn bewindvoerder. Het hof acht het aangewezen met partijen te bespreken hoe tot een begroting van deze schade kan worden gekomen. Daartoe zal een comparitie van partijen worden bepaald. Daar kan ook aan de orde komen of het wellicht mogelijk is dat partijen een minnelijke regeling treffen. 3.28 Iedere nadere beslissing wordt aangehouden.
- Beslissing Het hof: bepaalt dat op een nader te bepalen tijdstip een comparitie van partijen zal plaatsvinden, waarbij partijen in persoon alsmede hun raadslieden aanwezig dienen te zijn; benoemt tot raadsheer-commissaris mr. R.H. de Bock; verwijst de zaak naar de rol van 29 januari 2013 voor opgave verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden voor de maanden februari, maart en april 2013; houdt elke nadere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, G.C.C. Lewin en C.H.M. van Altena en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2013 door de rolraadsheer.