GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Uitspraak: 29 januari 2013 Zaaknummer: 200.091.204/01 Zaaknummers eerste aanleg: 364179/FA RK 07-1472 en 396725/FARK 08-3215 in de zaak in hoger beroep van: […], wonende te […], appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. K. Spaargaren te Hilversum, tegen […], wonende te […], geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, advocaat: mr. S.M. van der Sijs te Baarn. 1. Het verdere verloop van het geding 1.1. Partijen worden hierna wederom de vrouw en de man genoemd. 1.2. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is overwogen in zijn tussenbeschikking van 13 maart 2012. 1.3. De man heeft op 15 mei 2012 stukken aan het hof doen toekomen. 1.4. De vrouw heeft hierop bij brief van 14 juni 2012 gereageerd. 1.5. De zaak is vervolgens op 22 november 2012 tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 200.104.980/01 verder ter terechtzitting behandeld. 1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat. 2. Verdere beoordeling van het hoger beroep 2.1. De man heeft - naar aanleiding van de tussenbeschikking - een memorandum van 9 mei 2012 van Lentink Corporate Finance BV aangaande de in de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.9 van die beschikking genoemde vraagpunten overgelegd. De vrouw heeft hierop gereageerd. 2.2. In dit memorandum wordt in antwoord op de vraagpunten 1 en 2 uit rechtsoverweging 4.3 en verduidelijkt dat op de peildatum (26 februari 2007) voor de waardering van de aandelen […] (hierna: [onderneming a]) reeds rekening moest worden gehouden met volledige oninbaarheid van de vordering op [onderneming b] ten bedrage van € 106.311,- en dat op die grond op de waardering in het rapport van Lentink Corporate Finance BV (productie 1 bij het beroepsschrift) van deze aandelen op € 1.033.911,- een correctie dient te worden toegepast van (netto) € 79.733,- zodat de waarde van de aandelen op de peildatum uitkomt op € 954.178,-. Voorts is toegelicht dat het inherent is aan de gekozen waarderingsmethodiek dat de afwaardering van de vordering voor 100% in mindering komt op de waardering van de aandelen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de afwaardering van deze vordering op de peildatum overeenstemt met goed koopmansgebruik en ook overigens in de waardering dient te worden meegenomen bij de bepaling van de waarde van de aandelen ten behoeve van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Daar doet niet aan af dat het gaat om een afwaardering die heeft plaatsgevonden op grond van omstandigheden waarmee de man eerst na de peildatum bekend is geworden. Daarbij betrekt het hof dat het hier gaat om een vordering op de vennootschap van de vrouw en dat het - gezien de redelijkheid en billijkheid die hun onderlinge rechtsverhouding beheerst - op de weg van de vraag had gelegen de man (althans diens vennootschap) tijdig te informeren over de slechte financiële toestand van [onderneming b] en de (mogelijk) negatieve gevolgen voor de inbaarheid van de vordering van [onderneming a] op [onderneming b]. Vraagpunten 1 en 2 uit rechtsoverweging 4.3 van de tussenbeschikking zijn hiermee opgehelderd. Voorts is in dit memorandum in antwoord op vraagpunt 3 in rechtsoverweging 4.3 van de tussenbeschikking verduidelijkt dat bij de bepaling van gemiddeld gewogen vermogenskostenvoet (WACC) - waarbij het aankomt op de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen - geen rekening wordt gehouden met de vordering op de man als onderdeel van het eigen vermogen. Naar het oordeel van het hof past dit binnen de in het rapport van Lentink Corporate Finance BV gehanteerde waarderingssystematiek. Hiermee is vraagpunt 3 uit rechtsoverweging 4.3 afdoende beantwoord. Dit betekent dat grief 1 in principaal appel faalt. De rechtbank heeft terecht de waarde van de aandelen [onderneming a] op de peildatum op een bedrag van € 954.178,- vastgesteld. Het voorgaande betekent dat ook grief 3 faalt. Er bestaat geen aanleiding de rekening-courantschuld van de man bij [onderneming a] buiten beschouwing te laten. 2.3. De man heeft een taxatieformulier van Van Kooy B.V. overgelegd waarin de waarde van de Volkswagen Touareg met kenteken 02-RH-FZ op 5 april 2006 op een bedrag van € 56.000,- wordt bepaald. Hiermee heeft de man voldoende onderbouwd dat de waarde van de auto op de peildatum € 50.000,- beliep. De vrouw heeft met haar betoog dat de taxatie door Van Kooy B.V. in het kader van een voorgenomen inruil is verricht onvoldoende aangevoerd om op de peildatum rekening te houden met een lagere waarde. Grief 5 faalt. 2.4. Uit de beantwoording van vraagpunt 1 vloeit voort dat de vordering van partijen op [onderneming b] op de peildatum eveneens op nihil dient te worden gewaardeerd. Grief 6 slaagt. 2.5. Dit leidt tot de navolgende gecorrigeerde staat van verdeling. Vrouw 50% 50% Man Huis 850000 425000 477089 954178 [onderneming a] [onderneming b] 18000 9000 11600 23200 Stamrecht Auto 50000 25000 50000 100000 DeltaLLoyd Lijfrente Inboedel 52000 26000 11000 22000 DeltaLLoydKapVerz EWSchuld -315000 -157500 1627 3254 ING 145 R-C [onder-neming b] -441 -220,5 1379,5 2759 ING 929 IB schuld -2207 -1103,5 614 1228 Rabo 439 477 954 Rabo 380 373 746 Spaarbeleg 3610 7220 Teruggave IB -89215,5 -178431 AB-claim [onderneming a] -140229 -280458 RC [onderneming a] Totaal 652352 326176 328325 656650 Verschil 4298 2149 -2149 -4298 Ut deze staat blijkt dat de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 2.149,- aan de vrouw dient te vergoeden. 2.6. De man heeft in incidenteel appel aangevoerd dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met een bedrag van € 32.595,12 dat de man na de peildatum ten behoeve van de vrouw heeft betaald als aflossing op handelscrediteuren van [onderneming b] en waarvan de man heeft afgesproken dat dit bedrag als lening aan de vrouw zou worden verstrekt en dat deze lening bij de boedelverdeling zou worden verrekend. In rechtsoverweging 4.10 van de tussenbeschikking is de incidentele grief gegrond verklaard. Het hof handhaaft deze beslissing. Per saldo is de vrouw derhalve nog aan de man verschuldigd: € 32.595,12 minus € 2.149,- zijnde € 30.446,12. 2.7. Dit leidt tot de volgende beslissing. De bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover de vrouw daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.851,- aan de man. Het hof zal de vrouw veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 30.446,12. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd nu zij ex-echtelieden zijn. 3. Beslissing Het hof: In principaal en in incidenteel appel: vernietigt de bestreden beschikking voor zover de vrouw daarin is veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 1.851,- ; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 30.446,12; wijst af het meer of anders verzochte; compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, C.A. Joustra en W.J. van den Bergh, in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013. GERECHTSHOF AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER BESCHIKKING van 13 maart 2012 in de zaak met zaaknummer 200.091.204/01 van: […], wonende te […], APPELLANTE in principaal hoger beroep, GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. K Spaargaren te Hilversum. t e g e n […], wonende te […], GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep, APPELLANT in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. S.M. van der Sijs te Baarn, 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd. 1.2. De vrouw is op 25 juli 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 mei 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 364179/FA RK 07-1472 en 396725/FA RK 08-3215. 1.3. De man heeft op 19 september 2011 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.4. De vrouw heeft op 29 november 2011 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend. 1.5. De man heeft op 3 januari 2012 zijn verzoek in incidenteel hoger beroep gewijzigd en nadere stukken ingediend. 1.6. De vrouw heeft op 9 januari 2012 een nader stuk ingediend. 1.7. De zaak is op 19 januari 2012 ter terechtzitting behandeld. 1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen: -de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; -de man, bijgestaan door zijn advocaat. 2. De feiten 2.1. Partijen zijn [in] 1974 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. 2.2. Op 18 december 2006 zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Op diezelfde dag is een akte van verdeling opgesteld, waarbij de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen, uitgaande van de situatie per 1 januari 2006, is verdeeld. De huwelijkse voorwaarden bevatten een finaal verrekenbeding, inhoudende dat bij echtscheiding zal worden verrekend alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking 26 februari 2007 (datum indiening verzoek echtscheiding) als peildatum vastgesteld. 2.3. Bij beschikking van 23 april 2008 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke echtscheiding op 5 november 2008 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers. 3. Het geschil in hoger beroep 3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - vastgesteld dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 1.851,- aan de man zal voldoen. 3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, een deskundige te benoemen ter zake de waardering van het bedrijf van de man en vervolgens nader vast te stellen het bedrag dat de man de vrouw is verschuldigd in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. 3.3. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar verzochte af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt hij - na vermindering van zijn verzoek - te bepalen dat de vrouw € 34.446,12 aan de man zal dienen te voldoen uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en rekening houdende met het door de vrouw ontvangen voorschot. 3.4. De vrouw verzoekt het incidenteel appel van de man af te wijzen, met compensatie van proceskosten zodanig dat partijen ieder de eigen kosten dragen. 4. Beoordeling van het hoger beroep Principaal hoger beroep van de vrouw 4.1. Het hoger beroep van de vrouw richt zich tegen de door de rechtbank gehanteerde waardering van een aantal boedelbestanddelen. Het gaat daarbij om de de waarde van de (certificaten van) aandelen in [onderneming a] (grief 1), de hoogte van de latente AB-claim op voormelde aandelen (grief 2), de rekening-courantschuld van de man in [onderneming a] (grief 3), de waarde van de voormalige echtelijke woning (grief 4), de waarde van de auto van de vrouw (grief 5), en de vordering van partijen op […] (hierna: [onderneming b]) (grief 6). De aandelen in [onderneming a] 4.2. De rechtbank heeft zich voor wat betreft de waardebepaling van de aandelen in [onderneming a] gebaseerd op het door de man overgelegde “Waarderingsrapport van 100% van de aandelen: [onderneming a]” van Lentink Corporate Finance BV (hierna: het rapport van Lentink), waarin de waarde van de aandelen per 31 december 2006 is berekend op een bedrag van € 1.033.911,-, alsmede op de daarop door de man ter zitting in eerste aanleg op 9 september 2008 aangebrachte correctie van € 79.733,- negatief wegens een niet meer te innen vordering op [onderneming b] van € 106.311,-. De rechtbank is uiteindelijk uitgegaan van een waarde van de desbetreffende aandelen van € 954.178,-. In grief 1 stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de vrouw heeft afgewezen om een onafhankelijke deskundige te benoemen, gelet op het verschil tussen het in eerste instantie door de man ingenomen standpunt omtrent de waarde van de desbetreffende aandelen, zoals is berekend in het rapport van Lentink, en de daarop ter zitting aangebrachte correctie, die volgens haar eveneens afkomstig is van de accountant van de man. Volgens de vrouw is een en ander het gevolg van het feit dat de man de vrouw niets meer wil betalen en dat hij zijn accountant daarom opdracht heeft gegeven om een zo laag mogelijke waardering van het bedrijf op papier te zetten. De vrouw verzoekt het hof om alsnog een deskundige te benoemen ter zake van de waardering van [onderneming a]. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het hof is vooralsnog van oordeel dat de door de vrouw in hoger beroep aan de orde gestelde discrepanties tussen het rapport van Lentink en de latere stellingen van de man ter zitting van 9 september 2008, niet zodanig zijn dat aan de betrouwbaarheid en de juistheid van het rapport dient te worden getwijfeld. In dat kader wijst het hof erop dat de vrouw harerzijds geen eigen waardering(srapport) in het geding heeft gebracht, waaruit een andere waarde van de desbetreffende aandelen naar voren is gekomen. Een en ander geldt evenzeer voor de geconstateerde verschillen tussen de zich in het dossier bevindende vermogensopstellingen van 1 januari 2006 enerzijds en die van 1 juni 2007 anderzijds, die volgens de vrouw beide afkomstig zijn geweest van de accountant van de man. In dit verband volgt het hof de lezing van de man ter zitting in hoger beroep, die door de vrouw niet is weersproken, dat de vermogensopstelling van 1 januari 2006 in onderling overleg tussen partijen tot stand is gekomen en niet is gebaseerd op de toenmalige werkelijke waardes. De vrouw startte op dat moment een eigen bedrijf ([onderneming b]) en partijen hadden alleen maar het veiligstellen van het bedrijf van de man voor een eventueel faillissement van het bedrijf van de vrouw op het oog. In verband daarmee zijn er huwelijkse voorwaarden overeengekomen en zijn zodanige waardes aan de diverse vermogensbestanddelen toegekend dat een en ander op € 0,- uitkwam. In het kader van de echtscheiding heeft een herberekening van de verschillende vermogensbestanddelen plaatsgevonden, gebaseerd op de werkelijke waardes. Wel heeft het hof naar aanleiding van (de uitgangspunten
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.