GERECHTSHOF AMSTERDAM Nevenzittingsplaats Arnhem Afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.076.227 (zaaknummer rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht 600847) arrest van de zesde kamer van 23 april 2013 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna: [appellante], advocaat: mr. A.J. van Ommeren. tegen: de vennootschap naar buitenlands recht Varde Investments (Ireland) Limited, gevestigd te Dublin, Ierland, geïntimeerde, hierna: Varde, advocaat: mr. P.C.M. Ouwens. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 24 februari 2010 en 11 augustus 2010, die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen [appellante] als gedaagde en Varde als eiseres heeft gewezen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 oktober 2010 (met grieven); - het verwijzingsarrest van het hof Arnhem van 9 november 2010; - de memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens heeft Varde de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald op één dossier. 3. De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.6 van het vonnis van 24 februari 2010, alsmede in rechtsoverweging 1, eerste twee volzinnen van het bestreden vonnis van 11 augustus 2010. 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het hoger beroep richt zich tegen het vonnis van 11 augustus 2010. 4.2 Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. Op 31 mei 2000 en 16 oktober 2000 zijn namens/door [appellante], destijds genaamd [X], en de rechtsvoorganger van Dexia Bank Nederland N.V. (hierna: Dexia) twee effectenleaseovereenkomsten gesloten. Het betreft een effectenleaseovereenkomst met betrekking tot het product “WinstVer10dubbelaar” met contractnummer 76006169 en een effectenleaseovereenkomst met betrekking tot het product “WinstVerDriedubbelaar” met contractnummer 74489190 (verder: de leaseovereenkomsten). Ingevolge de leaseovereenkomsten leende [appellante] een geldbedrag van Dexia. Daarmee zijn effecten aangekocht die [appellante] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was rente verschuldigd. De overeenkomsten zijn inmiddels geëindigd, maar de opbrengst van de aandelen was onvoldoende om de geleende aankoopsom te voldoen, zodat voor [appellante] een restschuld bleef bestaan. [appellante] is geboren op 26 juni 1989. Zij was bij het sluiten van de overeenkomst nog minderjarig in de zin van artikel 1:233 BW. Bij beschikking van dit gerechtshof van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) is de op de voet van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade gesloten overeenkomst (verder: de WCAM-overeenkomst) algemeen verbindend verklaard. De onderhavige producten vallen daaronder. [appellante] heeft geen gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om door middel van een opt out-verklaring haar rechtsverhouding tot Dexia aan de werking van de WCAM-overeenkomst te onttrekken. Dexia heeft haar vorderingen op [appellante] bij akte van cessie van 18 december 2007 overgedragen aan Varde. Bij brieven van 10 januari 2008 is hiervan mededeling gedaan aan [appellante]. Varde heeft [appellante] gedagvaard ter voldoening van voornoemde restschuld en nevenvorderingen. De kantonrechter heeft die vorderingen toegewezen. Hiertegen komt [appellante] met zes grieven in hoger beroep. 4.3 Aangezien Varde in Ierland is gevestigd, draagt de rechtsverhouding een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te onderzoeken. De Nederlandse rechter ontleent zijn rechtsmacht ten aanzien van [appellante] aan artikel aan 2 lid 1 Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: EEX-Vo). [appellante] had immers haar woonplaats ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in Nederland. Ten aanzien van het toepasselijke recht geldt dat de kantonrechter in eerste aanleg, in overeenstemming met de standpunten van partijen, Nederlands recht heeft toegepast. Het hof zal deze impliciete rechtskeuze van partijen volgen. 4.4 In hoger beroep ligt primair de vraag voor of [appellante] gebonden is aan de WCAM-overeenkomst, aangezien Varde die overeenkomst mede aan haar vorderingen op [appellante] ten grondslag legt. 4.5 [appellante] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zij de leaseovereenkomsten bij brief van (het hof begrijpt:) 3 juli 2003, gericht aan Dexia, heeft vernietigd, zodat met terugwerkende kracht geen sprake is van rechtsgeldige leaseovereenkomsten. Zij betoogt dat, nu de WCAM-overeenkomst alleen kan voortbouwen op een bestaande rechtsverhouding, die volgens haar in casu ontbreekt, zij niet gebonden is aan de WCAM-overeenkomst. Varde heeft hiertegen ingebracht dat uit de WCAM-overeenkomst volgt dat niet van belang is wat zich voor de datum van die vaststellingsovereenkomst heeft voorgedaan. De rechtsverhouding is opnieuw vastgesteld, zodat geen acht meer kan worden geslagen op verhoudingen zoals die voordien wellicht waren. De rechtbank heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de leaseovereenkomsten met toestemming van de moeder van [appellante] tot stand zijn gekomen, zodat de vraag naar de vernietigbaarheid niet aan de orde is. Hiertegen zijn de grieven 1, 2 en 3 van [appellante] gericht. Het hof ziet aanleiding om deze grieven en het verweer van Varde daartegen, als eerste te bespreken. 4.6 Bij de beoordeling stelt het hof het volgende voorop. De WCAM-overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW, een overeenkomst waarbij partijen een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, beëindigen door zich te binden aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. Artikel 2 van de WCAM-overeenkomst noemt als gerechtigden alle personen die met Dexia een effectenleaseovereenkomst zijn aangegaan, met uitzondering van de in artikel 2.2 en 2.3 bedoelde personen. Nu [appellante] geen (inhoudelijke) bezwaren heeft geuit tegen het oordeel van de kantonrechter dat de uitzonderingen in artikel 2.2. en 2.3. van de WCAM-overeenkomst niet van toepassing zijn, heeft [appellante] als gerechtigde in de zin van artikel 2 van de WCAM-overeenkomst te gelden. 4.7 Tussen partijen is in geschil of de effectenleaseovereenkomsten namens [appellante] tijdig zijn vernietigd op grond van het feit dat zij bij het sluiten van de overeenkomsten nog minderjarig was in de zin van artikel 1:233 BW, zoals [appellante] stelt en Varde betwist. Het hof is van oordeel dat het antwoord hierop in het midden kan worden gelaten. Zelfs indien veronderstellenderwijze ervan moet worden uitgegaan dat de leaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft dit niet tot gevolg dat [appellante] niet aan de WCAM-overeenkomst is gebonden. Uit de brief van 14 augustus 2003 van Dexia, gericht aan de raadsman van (onder andere) [appellante], moet worden afgeleid dat Dexia die vernietiging niet heeft geaccepteerd. In die brief stelt Dexia zich immers op het standpunt dat de leaseovereenkomsten rechtsgeldig zijn gesloten en dat zij [appellante] aan haar betalingsverplichtingen zal houden. Dat Dexia een eventuele vernietiging niet heeft geaccepteerd, kan voorts worden afgeleid uit haar stelling bij conclusie van repliek onder 8, dat zij op 1 juni 2006 aan [appellante] heeft laten weten dat de rechtsvordering tot vernietiging was verjaard. [appellante] heeft niet bestreden dat Dexia dit heeft medegedeeld. Dit betekent dat, toen de WCAM-overeenkomst op 25 januari 2007 verbindend werd verklaard, tussen partijen onzekerheid bestond als bedoeld in artikel 7:900 lid 1 BW over de vraag of in rechte vaststond dat de effectenleaseovereenkomsten door middel van een buitengerechtelijke verklaring waren vernietigd. Ter beëindiging van die onzekerheid tussen [appellante] en Dexia strekt de WCAM-overeenkomst. Nu [appellante] als gerechtigde in de zin van de WCAM-overeenkomst heeft te gelden, valt zij onder de reikwijdte van die overeenkomst. 4.8 Uit artikel 14 van de WCAM-overeenkomst volgt dan dat [appellante] zich in rechte niet meer op vernietiging van de leaseovereenkomsten uit hoofde van minderjarigheid kan beroepen. De WCAM-overeenkomst bepaalt immers in artikel 14 onder meer dat de gerechtigden aan Dexia kwijting verlenen ter zake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van de effectenleaseovereenkomsten en de wijze waarop voor een dergelijke overeenkomst reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van een degelijke vordering. In de beschikking van 25 januari 2007 (in het bijzonder de overwegingen 5.9, 5.20 en 5.21) is overwogen dat uit genoemd artikel 14 volgt dat gerechtigden die geen gebruik hebben gemaakt van de opt out-regeling ook hun vorderingen die verband houden met overeenkomsten die reeds door de belegger buitengerechtelijk zijn vernietigd, hebben prijsgegeven. Hieronder dient volgens die beschikking te worden begrepen de bevoegdheid om zich op bevrijding ten aanzien van de eigen verplichtingen te beroepen. Dit betekent dat de door [appellante] gestelde buitengerechtelijke vernietiging niet tot gevolg kan hebben dat zij niet gebonden is aan de WCAM-overeenkomst. De grieven 1, 2 en 3 kunnen derhalve niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. 4.9 Met de grieven 4 en 5 maakt [appellante] bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep op dwaling moet worden verworpen, omdat het voor haar risico komt dat zij om wat voor reden dan ook niet heeft begrepen dat zij een opt out-verklaring moest afleggen. [appellante] legt aan haar beroep op dwaling ten grondslag dat zij uit een brief van de Stichting Leaseverlies van 30 juni 2005 heeft mogen afleiden dat zij, indien zij van de Duisenberg-regeling gebruik wenste te maken, een formulier diende te ondertekenen. Zij stelt dat zij mocht begrijpen dat het beroep op buitengerechtelijke vernietiging en het niet retour zenden van voornoemd formulier voldoende was om zich aan de werking van de WCAM-overeenkomst te onttrekken. 4.10 Bij de beoordeling van die grieven stelt het hof voorop dat [appellante] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat gesteld noch gebleken is dat Dexia niet heeft voldaan aan de voorwaarden, die in de beschikking van 25 januari 2007 zijn opgenomen voor kennisgeving overeenkomst artikel 1017 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv). Bij de verdere beoordeling dient hiervan dan ook te worden uitgegaan. De grieven falen naar het oordeel van het hof voor zover [appellante] zich beroept op onbekendheid met het wettelijke vereiste dat een gerechtigde, indien een overeenkomst als daar bedoeld door de rechter verbindend is verklaard, tijdig een opt out-verklaring indient, wil hij niet aan de vaststellingsovereenkomst gebonden zijn. In de beschikking van dit gerechtshof van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) is in de overwegingen 10.2 tot en met 10.6 bepaald hoe ingevolge artikel 1017 lid 3 Rv de aankondiging van de algemeenverbindendverklaring van de WCAM-overeenomst met de mogelijkheid tot en de termijn waarbinnen een opt out-verklaring dient te geschieden. Het hof heeft in dat verband, voor zover thans van belang, overwogen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.