GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 11/00389 datum uitspraak: 2 mei 2013 uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [A], wonende te [B], belanghebbende, gemachtigde [C], tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/2770 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 19 december 2008 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2006 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.673. Tevens is bij beschikking een bedrag van € 302 aan heffingsrente in rekening gebracht. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 22 april 2010 de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.568. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd. 1.3. Bij uitspraak van 22 maart 2011, aan partijen in afschrift verzonden op 22 maart 2011, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.461 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 874 en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem te vergoeden. 1.4. Het door belanghebbende tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 mei 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Feiten 2.1. Het Hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende door de rechtbank onder 2.1. tot en met 2.3. van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser: 2.1. Eiser woont sinds 1996 samen met mevrouw D (hierna: de partner). Voor 2006 hebben zij niet geopteerd voor fiscaal partnerschap. 2.2. Eiser heeft in 2006 totaal € 25.673 aan loon-/uitkeringsinkomsten ontvangen en heeft op 30 oktober 2007 voor het jaar 2006 aangifte ib/pvv gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning/verzamelinkomen van € 14.241. Eiser heeft aftrekposten aangegeven voor buitengewone uitgaven (ziektekosten) en studiekosten/scholingsuitgaven. 2.3. Over 2006 heeft eiser een bedrag van € 1.122 aan zorgtoeslag ontvangen. 2.2. Over deze feitenvaststelling bestaat geen geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan. In aanvulling op het voorgaande stelt het Hof nog de navolgende feiten vast. 2.3. Bij een ten name van belanghebbende gestelde beschikking met dagtekening 15 mei 2006 is voor het jaar 2006 een voorschot zorgtoeslag vastgesteld van € 1.031. Daarbij is vermeld dat het bedrag zal worden uitbetaald op rekening nr. 213345994. Dit betreft een op naam van belanghebbende gestelde bankrekening. Op de achterzijde van de beschikking is belanghebbende aangeduid als aanvrager van de zorgtoeslag en D (hierna: de/zijn partner) als toeslagpartner. 3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft omtrent het geschil, voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen: 4.1. Betreffende eisers eerst ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond dat de ontvangen zorgtoeslag verdeeld dient te worden tussen hem en zijn partner, oordeelt de rechtbank als volgt. Vast staat dat eiser in het onderhavige jaar samenwoonde en dat eiser en zijn partner niet hebben geopteerd voor fiscaal partnerschap. Vast staat ook dat eiser in het onderhavige jaar het bedrag van € 1.122 aan zorgtoeslag zelf heeft ontvangen. Eiser heeft wel gesteld, maar tegenover de betwisting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat een deel van die € 1.122 niet aan hem maar aan zijn partner moet worden toegerekend. Zijn verwijzing naar het recht op maximale toeslagen per jaar, is daarvoor onvoldoende. Ander overtuigend bewijs heeft hij daarvoor niet aangedragen. De rechtbank merkt daar nog bij op dat eiser en zijn partner weliswaar fiscaal niet hebben gekozen voor partnerschap, maar ook niet een totaaloverzicht van de buitengewone uitgaven voor ziektekosten van eiser en zijn partner hebben overgelegd, zodat ook niet uit een dergelijk overzicht kan worden afgeleid op wie van hen beiden nu feitelijk gemaakte ziektekosten drukken zodat ook niet op grond daarvan valt te beoordelen of er aanleiding is voor de door eiser bepleite toerekening van de toeslag. De rechtbank ziet daarom voldoende redenen om het door eiser ontvangen bedrag aan zorgtoeslag geheel bij eiser in aanmerking te nemen. 4. Geschil in hoger beroep In hoger beroep is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of het door belanghebbende ontvangen bedrag aan zorgtoeslag gelijkelijk verdeeld kan worden tussen belanghebbende en zijn partner. Hier hangt mee samen of belanghebbende aanspraak kan maken op een hogere aftrek van buitengewone uitgaven ter zake van ziektekosten dan door de rechtbank in aanmerking is genomen. 5. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting. 6. Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid hoger beroep 6.1. De uitspraak van de rechtbank is aan partijen verzonden op 22 maart 2011, zodat termijn voor indiening van het hogerberoepschrift eindigde op 3 mei 2011. Uit het poststempel op de enveloppe waarin het hogerberoepschrift is verstuurd, blijkt dat deze brief op 29 april 2011 ter post is bezorgd. Nu het hogerberoepschrift op 4 mei 2011 bij het Hof is ingekomen, is het gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht tijdig ingediend. Geschil ten principale 6.2. Artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2006, hierna: de Wet) luidt: “1. Als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling worden aangemerkt de daarmee verband houdende: a. uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer;”. 6.3. Artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet luidt: “1. Met betrekking tot de uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, worden: a. (…) b. premies als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Zorgverzekeringswet in aanmerking genomen voor het bedrag van de standaardpremie van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, verminderd met de in het kalenderjaar ontvangen of ten gunste van de belastingplichtige verrekende zorgtoeslag, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, het voorschot daarop daaronder begrepen (…);”. 6.4. Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen zorgtoeslag ter grootte van € 1.122 gelijkelijk verdeeld dient te worden tussen hem en zijn partner, die voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als zijn partner wordt aangemerkt. De toeslag is bedoeld als een tegemoetkoming in de ziektekosten van beide partners. De stelling van belanghebbende houdt in dat het bedrag van de zorgtoeslag slechts voor de helft in mindering dient te worden gebracht op de in aftrek komende uitgaven wegens ziekte . De inspecteur bestrijdt de stelling van belanghebbende en neemt het standpunt in dat belanghebbende het bedrag van de totale door hem ontvangen zorgtoeslag in mindering dient te brengen op in aftrek komende uitgaven wegens ziekte. De inspecteur stelt dat belanghebbende noch bij de aangifte IB/PVV voor het jaar 2006 noch anderszins heeft verzocht om de partner als fiscale partner aan te merken en dat dit voor de zorgtoeslag inhoudt dat deze niet verdeeld kan worden over de partners. Hij verwijst daarbij naar het vraag- en antwoordbesluit van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) van 28 oktober 2009 , nr. CPP2009/1820M (onder meer gepubliceerd in BNB 2010/26, hierna: het Besluit). Hij stelt dat deze uitleg ook voor het onderhavige jaar van toepassing is. 6.5. In het hiervoor genoemde Besluit is het volgende vermeld: “5.5. Toeslagpartners niet fiscaal partner Belastingplichtige woont heel 2007 ongehuwd samen. Belastingplichtige en zijn huisgenoot betalen beide hun eigen premie zorgverzekering. Voor de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn belastingplichtige en zijn huisgenoot elkaars toeslagpartner. Belastingplichtige vraagt de zorgtoeslag aan. Zijn huisgenoot heeft hierdoor geen recht meer op zorgtoeslag. Belastingplichtige ontvangt in 2007 een (voorschot op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.