arrest ______________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.130.869/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 514223 / HA ZA 12-417 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 april 2014 inzake 1 [APPELLANT SUB 1], 2. [APPELLANTE SUB 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. H.J. van der Hauw te Velsen, tegen: de coöperatie AMSTERDAMSCHE COÖPERATIEVE WONINGVEREENIGING “SAMENWERKING” B.A., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. A.M. Langeloo te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellanten] (appellanten afzonderlijk [appellant sub 1] respectievelijk [appellante sub 2]) en Samenwerking genoemd. [appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2012, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Samenwerking als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens akte wijziging eis, met producties; - memorie van antwoord, met een productie; - akte houdende uitlating productie; - antwoordakte, met een productie. [appellanten] hebben geconcludeerd - kort samengevat - dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen (met dien verstande dat zij ter zake van buitengerechtelijke kosten thans een bedrag van € 2.750,-- vorderen) alsmede, rechtdoende op de vermeerderde eis, te verklaren voor recht dat Samenwerking jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en alle hierdoor geleden schade dient te vergoeden, nader op te maken bij staat, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met rente en nakosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Samenwerking heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met nakosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. Partijen hebben de zaak ter zitting van 11 maart 2014 doen bepleiten, [appellanten] door mr. F.M. Veerman, advocaat te Velsen, en Samenwerking door mr. Langeloo voornoemd, beiden aan de hand van pleitnotities, die zijn overgelegd. Samenwerking heeft bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.19 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 5 stellen [appellanten] aan de orde dat de rechtbank de feiten niet volledig heeft weergegeven. Het hof zal hiermee zo nodig in het navolgende rekening houden. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1 Samenwerking is een coöperatie die als statutair doel heeft het verbeteren van woontoestanden in Amsterdam en aangrenzende gemeenten, onder meer door woningen en gebouwen te doen bouwen, te kopen en zo nodig te doen verbeteren en aan haar leden te verhuren. 3.1.2 Artikel 17 van de statuten van Samenwerking luidt, voor zover van belang, als volgt: Een lid kan uit het lidmaatschap worden ontzet wegens overtreding van de statuten of reglementen der coöperatie(…) of het op andere wijze benadelen der coöperatie. De ontzetting uit het lidmaatschap wordt uitgesproken door het bestuur. Het ontzette lid heeft recht van beroep op de ledenraad. 3.1.3 Artikel 15 van het huishoudelijk reglement van Samenwerking luidt, voor zover van belang, als volgt: Het veroorzaken van overlast aan de buren is verboden. Het bestuur beslist of een geval van overlast aanwezig is. Van deze beslissing heeft de betrokkene gedurende veertien dagen beroep op de ledenraad. (...) 3.1.4 [appellant sub 1] is sinds 18 juni 1974 lid van Samenwerking en [appellante sub 2] sinds 20 juni 2003. 3.1.5 Vanaf 1 november 2008 tot 1 maart 2011 huurde [appellant sub 1] van de Samenwerking de woning aan de [adres]. [appellant sub 1] woonde daar samen met zijn echtgenote [appellante sub 2]. 3.1.6 Boven [appellanten] woonde op de eerste verdieping [X] (hierna: [X]) en op de tweede verdieping het gezin [Y] (hierna: [Y]). 3.1.7 [X] heeft vanaf maart 2009 geklaagd over geluidsoverlast van [appellant sub 1]. Zij is voor die geluidsoverlast herhaaldelijk op het spreekuur van Samenwerking geweest. Vanaf maart 2009 tot februari 2011 heeft [X] vele brieven en e-mails gestuurd aan [appellanten] en aan (de advocaat van) Samenwerking. De klachten betroffen harde muziek overdag tot laat in de avond en geblaf van de hond overdag en ’s avonds, zowel in de woning als in de tuin. Vanaf najaar 2010 gingen de klachten ook over hard zingen door [appellant sub 1] gedurende de hele dag en het continu slaan van deuren. De klachten namen in omvang en frequentie toe. [X] heeft hiervan zowel in 2009 als in 2010 dagstaten bijgehouden en aan Samenwerking gestuurd. 3.1.8 Ook [Y] heeft vanaf maart 2009 tot februari 2011 brieven en e-mails gestuurd naar [appellant sub 1] en (de advocaat van) Samenwerking met klachten over door [appellant sub 1] veroorzaakte geluidsoverlast, bestaande uit harde muziek, hondengeblaf en slaande deuren. 3.1.9 Vanaf april 2009 heeft Samenwerking [appellanten] herhaaldelijk uitgenodigd voor een gesprek over de klachten van de buren. Ook heeft Samenwerking voorgesteld een mediationtraject te starten. [appellanten] zijn op deze uitnodigingen en het voorstel tot mediation niet ingegaan. Vanaf eind 2010 heeft Samenwerking [appellanten] diverse malen gesommeerd met de door de buren gemelde geluidsoverlast te stoppen en daarbij aangekondigd eventueel een procedure te starten tot ontbinding van de huurovereenkomst. 3.1.10 In januari 2011hebben Samenwerking en [appellant sub 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de huur per 1 maart 2011. Partijen zijn overeengekomen dat [appellant sub 1] een vergoeding voor de kosten van herhuisvesting ontvangt ter hoogte van € 5.327,--. Artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst luidt als volgt: “Partijen verklaren voor het overige, behoudens de normale voortdurende uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, niets van elkaar te vorderen hebben en verlenen elkaar over en weer finale kwijting. Dit betekent onder meer dat huurder zijn huurbetalingsverplichtingen zal nakomen, dat huurder de kosten van herstel van eventuele opleveringsgebreken aan de woning zal betalen en dat huurder geen huurprijs- en/of servicekostenprocedures aanhangig zal maken.” 3.1.11 Bij brief van 12 april 2011 heeft Samenwerking aan [appellant sub 1] bericht dat het bestuur van Samenwerking heeft besloten hem als lid te royeren (hierna: het royementsbesluit). Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt: “In de periode 1 november 2008 tot 1 maart 2010 heeft u de woning [adres] bewoond. Tijdens deze periode zijn er door verschillende omwonenden klachten geuit naar aanleiding van de overlast die u heeft veroorzaakt. In verband hiermee hebben wij getracht deze overlast met u bespreekbaar te maken doch daaraan heeft u, ook niet na schriftelijke meldingen dienaangaande van onze jurist, geen gevolg gegeven hetgeen geresulteerd heeft in een vertrek uit de woning conform de vaststellingsovereenkomst die daaromtrent is afgesloten. In verband met deze situatie heeft het Bestuur besloten u als lid te royeren, om er voor te zorgen dat u niet meer in de gelegenheid wordt gesteld een woning van “Samenwerking” te betrekken. Hierbij beroept het Bestuur van “Samenwerking” zich op artikel 17 van de statuten. “Samenwerking”heeft in deze procedure een bedrag groot € 14.772,00 moeten uitgegeven, hetgeen voor de vereniging een schadepost is. Overeenkomstig art. 17 lid 3 heeft u recht van beroep op de ledenraad.” 3.1.12 Bij brief van 17 juni 2011 heeft [Z] van DAS Rechtsbijstand namens [appellanten] beroep aangetekend tegen (in ieder geval) dit royementsbesluit. 3.1.13 Samenwerking heeft bij brief van 9 november 2011 aan [appellanten] bericht dat haar ledenraad het beroep ongegrond heeft verklaard (hierna: het besluit in beroep). Deze brief houdt, voor zover van belang, het volgende in: “(…) Een commissie uit de Ledenraad heeft de heer [Z] en u op 13 juli 2011 gehoord over dit beroep. U heeft uw bezwaren tegen het besluit mondeling toegelicht. De ledenraad heeft uw beroepschrift besproken en komt tot de volgende afwegingen: 1. De ledenraad is van oordeel dat de tussen u en “Samenwerking” gesloten vaststellingsovereenkomst alleen inhoudt dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, de woning wordt ontruimd en dat “Samenwerking” in verband hiermee een verhuiskostenvergoeding van 5327 euro zal toekennen. De vaststellingsovereenkomst was een oplossing voor het huurrechtelijke geschil tussen u en “Samenwerking”. In deze overeenkomst zijn naar het inzien van de Ledenraad geen verwachtingen gewekt omtrent het (behoud van het) lidmaatschap.(…) 2. Het bestuur beroept zich op artikel 17 van de statuten voor het uitspreken van het royement. Dit artikel van de Statuten van “Samenwerking” houdt in dat een lid uit het lidmaatschap kan worden ontzet wegens overtreding van (…) reglementen der vereniging (…). De ledenraad acht het aannemelijk dat er sprake is geweest van overlast. Deze overlast is door verschillende personen aan de directeur van “Samenwerking” gemeld. De enkele ontkenning door u acht de Ledenraad niet overtuigend. Het veroorzaken van overlast is in strijd met het huishoudelijk reglement (en ook met de wet). De ledenraad is daarom van oordeel dat het Bestuur grond heeft om zich op artikel 17 te beroepen. 3. De Ledenraad deelt de zienswijze van het Bestuur dat u vanwege de door u veroorzaakte overlast niet meer in de gelegenheid gesteld mag worden om een woning van “Samenwerking” te betrekken. De Statuten van “samenwerking” bieden geen mogelijkheid een lid het recht te ontzeggen naar een woning te dingen. De Ledenraad acht het daarom begrijpelijk en niet onredelijk dat het Bestuur heeft besloten u met een beroep op artikel 17 van de Statuten als lid te royeren. De Ledenraad van “Samenwerking” verklaart daarom uw beroep ongegrond.” 3.2 Voor zover in dit hoger beroep van belang hebben [appellanten] in de eerste aanleg gevorderd, kort samengevat, vernietiging van het royementsbesluit op grond van artikel 2:15 BW en veroordeling van Samenwerking tot betaling van schadevergoeding, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en rente. 3.2.1 [appellanten] hebben aan hun vorderingen primair ten grondslag gelegd dat het royementsbesluit en het besluit in beroep vernietigbaar zijn wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen. Subsidiair voeren zij aan dat Samenwerking in redelijkheid en billijkheid niet tot deze besluiten had kunnen komen omdat nooit is komen vast te staan dat [appellanten] overlast hebben veroorzaakt. Voorts stellen [appellanten] dat Samenwerking bij de besluitvorming onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, waardoor zij schade hebben geleden. 3.3 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellanten] afgewezen, zowel op de primaire als op de subsidiaire grondslag. De primaire stelling miste naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft zij overwogen dat Samenwerking bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het royementsbesluit heeft kunnen komen, gelet op het feit dat - kort samengevat - [appellanten] in beginsel bijna twee jaar lang structureel en in toenemende mate ernstige geluidsoverlast bij hun buren hebben veroorzaakt en geweigerd hebben met de buren en Samenwerking naar een gemeenschappelijke oplossing te zoeken, zodat hun belang om wederom een woning van Samenwerking te kunnen huren moet wijken voor het belang van Samenwerking het woongenot te verschaffen aan al haar (andere) leden/huurders. 3.3.1 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering komen [appellanten] met vijftien grieven op. Totstandkoming royementsbesluit 3.4 Alvorens in te gaan op de vraag of het royementsbesluit (en het besluit in beroep) op inhoudelijke gronden in stand kan blijven, zal het hof grief 7 behandelen waarin [appellanten] aanvoeren dat de totstandkoming van dit besluit in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.