← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2014:1734

GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.141.031/ 01 faillissementsnummer rechtbank Amsterdam : C/13/13/462 F arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 maart 2014 in de zaak van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], advocaat: mr. P.P. Klokkers te [vestigingsplaats]. 1Het geding in hoger beroep Verzoeker wordt hierna [verzoeker] genoemd. [verzoeker] is bij op 28 januari 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2014, waarbij zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 4 maart

  1. Bij die behandeling is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door mr. Klokkers voornoemd, die het verzoekschrift mondeling heeft toegelicht. Daarnaast is [de curator] verschenen die zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt aan de hand van een aan het hof overgelegd verslag en door middel van beantwoording van door het hof gestelde vragen. Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, alsmede het verslag van de curator van 24 februari 2014 en de namens [verzoeker] bij brief van 27 februari 2014 nader overgelegde stukken. [verzoeker] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken. 2Beoordeling 2.
  2. [verzoeker] heeft in het verzoekschrift verzocht om zijn faillissement alsnog op te heffen onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daartoe heeft [verzoeker] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. 2.
  3. [verzoeker] is sinds 1995 zelfstandig ondernemer. Hij dreef een succesvolle onderneming onder de bedrijfsnaam […] in [plaats]. Door de vernieuwing van [plaats] werden de winkeliers aldaar slachtoffer van leegloop en verpaupering, welke ontwikkeling uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van [verzoeker]. [verzoeker] heeft, om verder uit de schulden te blijven en geen beroep te hoeven doen op sociale voorzieningen, zijn bedrijf in [plaats] moeten verkopen en heeft getracht verder de kost te gaan verdienen als […]. De neergang in [plaats], waar de schulden ook al opliepen, kon niet meer worden opgevangen door de nadien gestarte [handel]. [verzoeker] betwist dat hij is gaan ondernemen zonder enig besef van de daarvoor geldende regels. Gedurende de periode dat [verzoeker] als ondernemer werkzaam was, heeft hij zich jaar in jaar uit laten bijstaan door een accountant. Ten bewijze daarvan verwijst [verzoeker] naar de onbetaalde nota’s welke hij als productie 3 bij brief van 26 februari 2014 heeft overgelegd. Toen de schulden zich opstapelden heeft [verzoeker] op advies van zijn boekhouder tevergeefs getracht om via een schuldhulpbureau tot een sanering te komen, aldus steeds [verzoeker]. 2.
  4. Met betrekking tot de schuld aan de belastingdienst van ruim € 42.000,-- heeft [verzoeker] aangegeven dat deze verband houdt met zijn voormalige bedrijfsvoering en dat deze grotendeels bestaat uit ambtshalve aanslagen. Zo is er in het jaar 2010 geen aangifte gedaan in verband met de staking van de boekhouder, omdat hij niet meer kon worden betaald. Daar de boekhouder is gestaakt met zijn werkzaamheden en weigert de onder zich bevindende boekhouding ter hand te stellen, is het volgens [verzoeker] niet mogelijk met betrekking tot de schuld aan de belastingdienst stukken te overleggen. In verband met de schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft [verzoeker] verder aangevoerd dat deze onder meer ziet op boetes met betrekking tot overtredingen in verband met zijn bedrijfsauto. Daarnaast heeft [verzoeker] verklaard dat hij ernstige gezondheidsproblemen heeft. Hij lijdt onder andere aan suikerziekte, heeft een hoge bloeddruk en zijn nieren functioneren niet naar behoren. Op advies van zijn arts mag hij slechts kleine stukjes lopen en moet hij het rustig aan doen. Verder heeft hij een vaste verblijfplaats, aldus steeds [verzoeker]. 2.
  5. Ter zitting in hoger beroep heeft de curator in aanvulling op zijn verslag het volgende naar voren gebracht. Volgens de curator vloeien de schulden van [verzoeker] voort uit de door hem gedreven onderneming en beschikt [verzoeker] niet over een deugdelijke administratie. De curator heeft verklaard mede daardoor geen duidelijk beeld te kunnen krijgen van de financiële positie van [verzoeker]. De curator heeft aangegeven dat [verzoeker] een schuld heeft aan de belastingdienst van ruim € 42.000,-- en voorts dat hij nieuwe schulden heeft laten ontstaan na het uitspreken van het faillissement op 2 juli
  6. De curator geeft aan niet positief te kunnen adviseren met betrekking tot het onderhavige verzoek van [verzoeker]. 2.
  7. Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsanerings-regeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof is [verzoeker] hierin niet geslaagd. Gebleken is dat de schuld aan de belastingdienst is ontstaan vanwege het niet indienen dan wel het niet juist invullen van belastingaangiften en het ontbreken van een deugdelijke administratie. Daarvan kan [verzoeker] een verwijt worden gemaakt. Hij is als zelfstandig ondernemer verantwoordelijk voor een geordende administratie en tevens voor de juistheid van de (namens hem ingediende) belastingaangiften. Dat hieraan niet is voldaan vanwege het feit dat hij de boekhouder niet heeft betaald, ontslaat hem niet van die verantwoordelijkheid. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat [verzoeker] bij het ontstaan en onbetaald laten van genoemde belastingschuld te goeder trouw is geweest. Dit staat aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg. 2.
  8. Dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen, als bedoeld in artikel 288, derde lid, Fw, is ten slotte niet gebleken. Het enkele feit dat hij zijn onderneming heeft gestaakt, is daartoe onvoldoende. Daarbij komt dat – naar de curator in zijn verslag van 9 december 2013 ten behoeve van de rechtbank heeft verklaard – [verzoeker] ook na het uitspreken van zijn faillissement nog nieuwe schulden heeft laten ontstaan. [verzoeker] heeft het hof dan ook niet kunnen overtuigen dat hij na het staken van de onderneming een ontwikkeling heeft doorgemaakt waardoor hij de omstandigheden die hem in de financiële problemen hebben gebracht thans onder controle heeft. 2.
  9. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. 3Beslissing Het hof: - bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, F.J.P.M. Haas en E.J. Rotshuizen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2014 in tegenwoordigheid van de griffier. Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.