Parketnummer: 23-005126-13 Datum uitspraak: 13 mei 2014 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 1 november 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-860736-12 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primair:zij op of omstreeks 08 mei 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Tjalkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit: - het eenmaal of meermalen (met kracht) trekken aan de haren van voornoemde [slachtoffer] en/of - het eenmaal of meermalen (met kracht) schoppen en/of trappen tegen de rug en/of de benen en/of de billen, in elk geval tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] en/of - het eenmaal of meermalen (met kracht) slaan en/of stompen tegen de rug, in elk geval tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer]; subsidiair:zij op of omstreeks 08 mei 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], - (met kracht) eenmaal of meermalen aan de haren van voornoemde [slachtoffer] heeft getrokken en/of - eenmaal of meermalen (met kracht) heeft geschopt en/of getrapt tegen de rug en/of de benen en/of de billen, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of - eenmaal of meermalen (met kracht) heeft gestompt en/of geslagen tegen de rug, in elk geval tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot andere beslissingen dan de kinderrechter. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie De raadsman heeft zich bij pleidooi op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is geschonden en dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging verzoekt dan ook om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Met verwijzing naar de standaardarresten van de Hoge Raad en jurisprudentie van dit hof, heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de schending van het onderhavige recht niet een vormverzuim behelst dat dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van het EVRM neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In de Nederlandse rechtspraak is aanvaard hetgeen de Hoge Raad in zijn standaardarrest van 3 oktober 2000 als maatstaf heeft geformuleerd, namelijk dat als uitgangspunt voor gevallen waarin het strafrecht voor jeugdigen wordt toegepast, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg en in tweede aanleg dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. In de onderhavige zaak is naar het oordeel van het hof deze termijn aangevangen op het moment dat aangeefster zich bij klaagschrift d.d. 16 augustus 2010 heeft beklaagd tegen de sepotbeslissing bij dit hof. Sinds deze aanvang tot aan het wijzen van het onderhavige arrest is een periode verstreken van ruim 43 maanden. Het hof is van oordeel dat een overschrijding van de termijn met 11 maanden een forse overschrijding van de redelijke termijn oplevert. Het hof overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn, ook wanneer deze zeer aanzienlijk is, volgens vaste rechtspraak, in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging leidt. De hiervoor bedoelde 16-maandennorm per feitelijke instantie houdt een strengere maatstaf in voor de beoordeling van de met een jeugdzaak gemoeide behandelperiode maar aan overschrijding dienen blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad geen andere consequenties te worden verbonden dan in zaken betreffende meerderjarige verdachten. Vermindering van de op te leggen straf is telkens de aangewezen sanctie. Het hof komt derhalve net als de kinderrechter tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 8 mei 2010 te Amsterdam met anderen op de openbare weg, de Tjalkstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit: - het trekken aan de haren van voornoemde [slachtoffer] en - het met kracht schoppen tegen de rug en de benen en de billen van voornoemde [slachtoffer] en - het met kracht slaan tegen de rug van voornoemde [slachtoffer]. Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsoverweging; bespreking verweer De raadsman heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe bewijsverweren gevoerd zoals neergelegd in zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Het hof overweegt dat de verklaring van aangeefster voor zover van belang voor het ten laste gelegde wordt ondersteund door de inhoud van de Hyves berichten die voorafgaand en na de openlijke geweldpleging op Hyves zijn geplaatst. Daaruit blijkt niet alleen dat er eerder een incident is geweest waardoor het slachtoffer zich - kennelijk - de woede op de hals heeft gehaald van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] maar ook dat de verdachte met haar medeverdachten geweld heeft uitgeoefend en dat zij daarmee zijn doorgegaan “tot ze moe waren”. Ook met inachtneming van enige overdrijving wordt de gezamenlijke mishandeling van het slachtoffer als wapenfeit beschreven. Daarnaast wordt de aangifte ondersteund door de letselverklaring. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de datering 11-4-2010 beschouwd moet worden als een kennelijke verschrijving en dat gelezen dient te worden 11-5-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.