GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummers : 200.044.688/01 en 200.069.083/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 382741/ HA ZA 07-2939 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 mei 2014 inzake
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABATTOIR AMSTERDAM B.V., gevestigd te Amsterdam,
- de vennootschap onder firma AMECO V.O.F., gevestigd te Amsterdam,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VCB AMSTERDAM B.V., gevestigd te Amsterdam,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 4] , gevestigd te [vestigingsplaats] , advocaat: mr. C.I.M. Molenaar te Amsterdam. tegen: de vennootschap onder firma [geïntimeerde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , advocaat: mr. I.N. Maaskant te Hoofddorp. 1Het verdere procesverloop Partijen worden hierna wederom Abattoir c.s., respectievelijk Ameco, VCB en [appellante sub 4] , en [geïntimeerde] genoemd. In het tussenarrest van 24 december 2013 heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het in het arrest neergelegde bewijsvermoeden, zulks door middel van getuigenbewijs en/of door het nemen van een akte. Hierna heeft [geïntimeerde] een akte genomen. Abattoir c.s. hebben een antwoordakte genomen. Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd. 2De verdere beoordeling 2.1 In het tussenarrest van 24 december 2013 heeft het hof geoordeeld dat op grond van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal en hetgeen daarover door partijen in de procedure naar voren is gebracht, voorshands bewezen is dat beide gebroeders [geïntimeerde] betrokken zijn geweest bij de heling van de door [A] van Ameco gestolen kratten runderslachtafval, in die zin dat zij niet alleen op de hoogte waren van de diefstal van [A] van dit runderslachtafval van Ameco, maar dat zij ook runderslachtafval hebben doorverkocht aan derden. Voorts heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen dit bewijsvermoeden. 2.2 Het hof constateert dat [geïntimeerde] bij de door haar genomen akte in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs slechts één bewijsstuk heeft bijgebracht, te weten een lijst van de Voedsel en Warenautoriteit met “approval numbers” van verschillende slachthuizen. Daarnaast heeft zij gesteld dat zij het oordeel van het hof onbegrijpelijk vindt.Het hof ziet in een en ander geen aanleiding thans, in afwachting van verdere bewijslevering door [geïntimeerde] , terug te komen op dit oordeel. Het genoemde bewijsstuk zal bij het door het hof te geven bewijsoordeel worden betrokken. 2.3 Voorts heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij tegenbewijs wil leveren door middel van getuigenbewijs. Het hof zal [geïntimeerde] daartoe (opnieuw) in de gelegenheid stellen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat Abattoir c.s. daarna de gelegenheid heeft in contra-enquête getuigen voor te brengen. 2.4 Het hof zal iedere nadere beslissing aanhouden. 3Beslissing Het hof: stelt [geïntimeerde] in de gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs tegen het in r.o. 2.1 geformuleerde bewijsvermoeden door middel van het horen van getuigen; bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] daartoe uiterlijk op 24 juni 2014 schriftelijk aan het enquêtebureau van het hof, onder opgave van de te horen getuige(n), de verhinderdata van alle partijen, raadslieden en getuigen opgeeft in de maanden juli, augustus, september en oktober 2014; bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. R.H. de Bock, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader te bepalen datum; houdt elke nadere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.C. Toorman en M.E. van Rossum en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014.