beschikking ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.127.887/01 zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 501999 / KG RK 11-3186 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 juni 2014 inzake de vennootschap naar het recht van Turkije ÇUKUROVA HOLDING A.S., gevestigd te Istanbul, Turkije, appellante, advocaat: mr. B.F.H. Rumora-Scheltema te Amsterdam, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SONERA HOLDING B.V., gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. K.A.J. Bisschop te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna respectievelijk Çukurova en Sonera genoemd. Çukurova is bij beroepschrift, ingekomen bij de griffie van het hof op 28 mei 2013, in hoger beroep gekomen van beschikkingen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de voorzieningenrechter’, van 16 april 2012 en 28 maart 2013, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gegeven tussen haar als verweerster en Sonera als verzoekster. Bij het beroepschrift heeft Çukurova zeven grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en producties overgelegd. Çukurova heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof de bestreden beschikkingen zal vernietigen en alsnog zal bepalen dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is tot kennisneming van het door de voorzieningenrechter toegewezen verzoek van Sonera, althans dat verzoek alsnog zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. Sonera heeft bij verweerschrift, ingekomen bij de griffie van het hof op 14 augustus 2013, aangevoerd dat Çukurova niet in het hoger beroep kan worden ontvangen, hiernaast ook anderszins verweer gevoerd, bewijs aangeboden en producties overgelegd. Sonera heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof Çukurova niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans de bestreden beschikkingen zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 november 2013, met dien verstande dat die behandeling – op voorafgaand aangeven van het hof – uitsluitend betrekking heeft gehad op de al dan niet ontvankelijkheid van het hoger beroep. Op dit punt is namens Çukurova het woord gevoerd door haar in de aanhef van deze beschikking genoemde advocaat, namens Sonera eveneens door haar in de aanhef genoemde advocaat alsmede door mr. C.C.A. van Rest, advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn voorts aan beide zijden nadere producties in het geding gebracht. Vervolgens is het hof gevraagd te beslissen over de ontvankelijkheid van Çukurova in het hoger beroep. Bij de bepaling van de uitspraak hieromtrent is tevens bepaald dat de mondelinge behandeling daarna zo nodig, afhankelijk van de inhoud van de beslissing, zal worden voortgezet. Ten slotte heeft Çukurova bij brief van 6 juni 2014 van haar advocaat verzocht om heropening van de behandeling van de zaak op – naar het hof begrijpt – het hierboven genoemde punt, in het bijzonder teneinde Çukurova in de gelegenheid te stellen twee aanvullende producties in het geding te brengen samen met een schriftelijke toelichting daarop. Bij brief van 10 juni 2014 van haar advocaat heeft Sonera daartegen bezwaar gemaakt. Het hof ziet, om hierna onder 2.11 te noemen redenen, geen aanleiding voor inwilliging van het verzoek van Çukurova in de brief van 6 juni 2014, zodat thans uitspraak wordt gedaan zoals hierboven vermeld. 2Beoordeling 2.1. In maart 2005 zijn partijen een schriftelijke overeenkomst aangegaan die voorziet in, sterk verkort weergegeven en voor zover van belang, de verkoop door Çukurova aan Sonera van aandelen die Çukurova destijds hield in Turkcell Holding A.S., tegen een koopprijs van ruim USD 3,1 miljard en mits bepaalde voorwaarden zouden zijn vervuld. Turkcell Holding A.S. had een controlerend belang in een onderneming met activiteiten in de markt voor mobiele telefonie in Turkije. Bij de uitvoering van de genoemde overeenkomst, hierna ‘de overeenkomst’, is tussen partijen een geschil ontstaan. De overeenkomst bevat een arbitraal beding, ertoe strekkend dat geschillen naar aanleiding van de overeenkomst worden onderworpen aan arbitrage volgens het arbitragereglement van de International Chamber of Commerce. Dat beding voorziet niet in enige vorm van hoger beroep. Het arbitraal beding bepaalt voorts, wederom verkort weergegeven en voor zover van belang, dat partijen op voorhand afstand doen van (‘waive’) eventuele rechten om een beslissing van arbiters aan te vechten bij de overheidsrechter. 2.2. Het hierboven bedoelde geschil heeft geleid tot een arbitraal geding tussen partijen voor het International Court of Arbitration van de International Chamber of Commerce te Genève, Zwitserland, hierna ‘het scheidsgerecht’. Dit arbitraal geding is aanhangig gemaakt door Sonera. Çukurova heeft verweer gevoerd. Op de arbitrage was Zwitsers recht van toepassing, op de overeenkomst – krachtens een door partijen gemaakte rechtskeuze – Turks recht. Het scheidsgerecht heeft drie arbitrale vonnissen gewezen: een eerste deelvonnis gedateerd 15 januari 2007, een tweede deelvonnis gedateerd 29 juli 2009 en een eindvonnis gedateerd 1 september 2011, hierna ‘het eindvonnis’. Bij het eindvonnis is Çukurova veroordeeld om aan Sonera een schadevergoeding te betalen van USD 932 miljoen, te vermeerderen met rente en kosten, omdat Çukurova haar door het scheidsgerecht aangenomen verplichting tot levering van de betrokken aandelen in Turkcell Holding A.S. aan Sonera, niet is nagekomen. 2.3. Çukurova heeft niet vrijwillig aan de hierboven bedoelde veroordeling voldaan. Zij heeft bij de bevoegde Zwitserse overheidsrechter (‘le Tribunal fédéral’) een procedure aanhangig gemaakt strekkend tot herroeping (‘révision’) van beide arbitrale deelvonnissen en van het eindvonnis. Bij beslissing van 30 april 2012 heeft het ‘Tribunal fédéral’ de desbetreffende vordering van Çukurova tot ‘révision’ van de arbitrale vonnissen afgewezen. Çukurova heeft voorts een nieuw arbitraal geding tegen Sonera aanhangig gemaakt – klaarblijkelijk op de grondslag van het arbitraal beding in de overeenkomst – teneinde, naar het hof begrijpt, de werking van de bij het eindvonnis uitgesproken veroordeling te ontkrachten. Op de datum van de mondelinge behandeling van het hoger beroep was in dit tweede arbitraal geding nog geen uitspraak gedaan. Çukurova heeft geen vordering tot vernietiging van de arbitrale deelvonnissen of van het eindvonnis ingesteld. Weliswaar kent het te dezen toepasselijke Zwitserse recht een algemene mogelijkheid daartoe, maar bij het arbitraal beding hebben partijen die mogelijkheid uitgesloten door de onder 2.1 genoemde afstand van rechten. 2.4. Sonera wil de tenuitvoerlegging van het eindvonnis, althans de daarbij ten gunste van haar uitgesproken veroordeling, bewerkstelligen. Zij heeft hiertoe in verschillende landen, in het bijzonder in Nederland, de Verenigde Staten, Engeland, de Britse Maagdeneilanden en Curaçao, verzoeken gedaan strekkend tot erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het eindvonnis. Çukurova heeft tegen al deze verzoeken verweer gevoerd. Teneinde het verhaal van haar vordering uit hoofde van het eindvonnis te verzekeren heeft Sonera, na daartoe verkregen rechterlijk verlof, op 19 oktober 2011 ten laste van Çukurova in Nederland conservatoire beslagen doen leggen. Bij deze beslagleggingen zijn geen vermogensbestanddelen van Çukurova aangetroffen, zodat zij feitelijk zonder gevolg zijn gebleven. Tot de datum van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft Sonera in Nederland ook verder geen vermogensbestanddelen aangetroffen die met zekerheid aan Çukurova toebehoren. 2.5. Bij verzoekschrift van 17 oktober 2011 heeft Sonera aan de voorzieningenrechter verzocht haar – uitvoerbaar bij voorraad – verlof te verlenen om het eindvonnis in Nederland ten laste van Çukurova ten uitvoer te leggen. Bij de bestreden beschikking van 28 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend. Tegen deze beslissing en de overwegingen die daaraan in de genoemde beschikking alsmede in de eveneens bestreden (tussen)beschikking van 16 april 2012 ten grondslag zijn gelegd, komt Çukurova in dit hoger beroep op met zeven grieven. De grieven zijn voorzien van een toelichting en voorafgegaan door een uitvoerige inleiding. Zoals in die inleiding onder ogen is gezien en besproken, moet eerst de vraag aan de orde komen of Çukurova in het hoger beroep kan worden ontvangen. Sonera heeft dit uitdrukkelijk bestreden. 2.6. De hierboven bedoelde vraag moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 1075 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna ‘Rv’, en artikel III van het Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, hierna ‘het Verdrag van New York’, welk verdrag op het eindvonnis van toepassing is, in samenhang met de uitleg die de Hoge Raad aan deze bepalingen heeft gegeven in zijn beschikking van 25 juni 2010, 09/02566, NJ 2012/55. Daarbij staat voorop dat aangezien tegen de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een binnenslands gewezen arbitraal vonnis – naar volgt uit artikel 1064, vierde lid, Rv – geen hoger beroep openstaat, het aannemen van een mogelijkheid van hoger beroep tegen de verlening van zodanig verlof met betrekking tot een in het buitenland gewezen arbitraal vonnis, te dien aanzien een ‘substantially more onerous condition’ – in de zin van artikel III van het Verdrag van New York – zou meebrengen in vergelijking met de procedure voor tenuitvoerlegging in Nederland van binnenslands gewezen arbitrale vonnissen. Artikel III van het Verdrag van New York verbiedt een dergelijk aanmerkelijk bezwarender voorschrift ten aanzien van de procedure voor tenuitvoerlegging van onder het verdrag vallende buitenlandse arbitrale vonnissen en houdt in zoverre een afwijkende voorziening – zoals bedoeld in artikel 1075 Rv – in ten opzichte van de regeling van de artikelen 985 tot en met 991 Rv, waarvan artikel 989, tweede lid, Rv wel hoger beroep openstelt en die voor het overige van toepassing is. Het bedoelde verbod brengt daarom mee dat tegen de verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging van het eindvonnis door de voorzieningenrechter, in beginsel geen hoger beroep openstaat en dat Çukurova dus niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. 2.7. Het bovenstaande kan uitzondering lijden als zich (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.