GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 13/00315 t/m 13/00322 12 juni 2014 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Hoorn, de inspecteur, en het incidentele hoger beroep van [x] te [Z] (Cyprus) belanghebbende, tegen de uitspraken in de zaken met kenmerk AWB 11/6661 t/m 11/6668 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 4 april 2013 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2002)als loon uit dienstbetrekking aangegeven; - is voor de jaren 1999 en 2000 € 25.000 inkomsten uit overige werkzaamheden aangegeven; - zijn voor de jaren 1998 tot en met 2002 premies lijfrenteverzekering in mindering gebracht op het inkomen; - is voor de jaren 2001 en 2002 aangifte gedaan van (negatieve) inkomsten uit eigen woning; en - is voor het jaar 2002 vermeld dat belanghebbende meer dan zes maanden heeft samen-gewoond met de ex-echtgenote en dat wordt gekozen voor het fiscale partnerschap met haar. 2.6.1. In de (in de uitspraak van de rechtbank onder 2.12 en 2.13 bedoelde) concept en definitieve versies van het rapport van het boekenonderzoek zijn de volgende bedragen genoemd aan (respectievelijk) ontvangen provisies en na te vorderen bedragen (alles afgerond): 1995 € 19.275 € 5.572 1996 € 18.096 € 5.000 1997 € 32.035 € 9.840 1998 € 33.692 € 10.844 1999 € 34.145 € 10.515 2000 € 34.475 € 10.679 2001 € 24.567 € 17.816 2002 € 7.701 € 5.520 Totaal € 203.986 € 75.786 2.6.2. De inspecteur heeft in zijn hoger beroepschrift verwezen naar zijn aan de rechtbank gezonden brief van 23 oktober 2012, waarin hij onder meer het volgende heeft opgenomen: ”Verder merk ik op [dat] bij de betalingen die in 1995 en 1996 zijn ontvangen terecht het kasstelsel als uitgangspunt is genomen. De nagevorderde bedragen zijn gebaseerd op de in die jaren ontvangen bedragen, na aftrek van kosten. In de volgende jaren is dat anders: • Over 1997 is ook de in januari 1998 ontvangen vergoeding van € 11.913,44 belast. De navordering zou in dat perspectief € 11.913,44 te hoog zijn. • Over 1998 is niet de in januari 1998 ontvangen vergoeding van € 11.913,44 belast, maar wel de in januari 1999 ontvangen vergoeding van € 12.899,97 belast. De navordering zou in dat perspectief € 986,53 te hoog zijn. • Over 1999 is niet (…) de in januari 1999 ontvangen vergoeding van € 12.899,97 belast, maar wel de in januari 2000 ontvangen vergoeding van € 14.581,13 belast. De navordering zou in dat perspectief €1.681,16 te hoog zijn. • Over 2000 is niet (…) de in januari 2000 ontvangen vergoeding van € 14.581,13 belast, maar wel de in januari 2001 ontvangen vergoeding van € 13.743,21 belast. De navordering zou in dat perspectief € 837,92 te laag zijn. • Over 2001 is niet (…) de in januari 2001 ontvangen vergoeding van € 13.743,21 belast, maar wel de in januari 2002 ontvangen vergoeding van € 10.664,32 belast.. De navordering zou in dat perspectief € 3.078,89 te laag zijn. • Over 2002 is niet de in januari 2002 ontvangen vergoeding van € 10.664,32 belast, maar wel de in 2003 ontvangen vergoeding van € 829,42 belast. De navordering zou in dat perspectief € 9.834,90 te laag zijn. Alle jaren salderend is een bedrag van € 829,42 te veel belast, zijnde het bedrag dat (waarschijnlijk) in 2003 is ontvangen.” 3Geschil in hoger beroep 3.1.1. In het principale hoger beroep is, evenals bij de rechtbank, primair in geschil of de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd reeds omdat zij niet voldoende voortvarend zijn opgelegd. 3.1.2. Subsidiair is in geschil of: - de hoorplicht is geschonden; - belanghebbende in de onderhavige jaren binnenlands belastingplichtige was; - de bij belanghebbende in aanmerking genomen provisies rechtstreeks als zodanig door hem zijn genoten; - de inspecteur de provisies tot de juiste bedragen in aanmerking heeft genomen; en - de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. 3.2.1. In het incidentele hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn in de zogeheten eerste fase (bezwaar- en beroepsfase). 3.2.2. Voorts is in het incidentele hoger beroep in geschil of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht op grond waarvan belanghebbende recht kan doen gelden op een integrale vergoeding van zijn proceskosten in de eerste fase. 4Beoordeling van het geschil Voortvarende handelwijze inspecteur? 4.1.1. Ter zake van de vraag of de inspecteur bij het voorbereiden en opleggen van de onderhavige, met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vastgestelde navorderingsaanslagen de vereiste voortvarendheid heeft betracht, heeft de rechtbank - voor de periode tot aan 15 december 2010, de datum waarop compromissoire afdoening van het geschil tussen partijen definitief was afgeketst - het volgende overwogen: “4.1. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van het bepaalde in het vierde lid van dit artikel wordt de termijn van vijf jaar verlengd tot twaalf jaar (verlengde navorderingstermijn) indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Alle onderhavige navorderingsaanslagen zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn. 4.2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap-pen (hierna: Hof van Justitie) van 11 juni 2009, zaak C-155/08 en zaak C-157/08, heeft de Hoge Raad in de arresten van 26 februari 2010, nrs. 43.050bis en 43.670bis, LJN: BJ9092 en LJN: BJ9120, regels geformuleerd die, in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel, in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van in het buitenland opgekomen inkomsten, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (i). het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii). het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. 4.3. Eiser heeft zich onder verwijzing naar voornoemde arresten op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. Dit omdat verweerder al in de zomer van 2007 beschikte over alle benodigde gegevens om de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen, maar hij de aanslagen pas op 30 juli 2011 heeft opgelegd. Verweerder heeft betwist dat eiser een beroep kan doen op het evenredigheidsbeginsel, gelet op de onder 2.5 en 2.9 genoemde overeenkomsten van 6 december 2006 en 15 september 2009 waarbij eiser (ongeclausuleerd) akkoord is gegaan met verlenging van de navorderingstermijn. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat eiser een beroep kan doen op het evenredigheidsbeginsel, heeft verweerder gesteld dat voldoende voortvarend is gehandeld gelet op alle omstandigheden en de handelwijze van de (voormalige) gemachtigden van eiser. 4.4. Voor zover verweerder heeft gesteld dat eiser zich in rechte in het geheel niet meer kan beroepen op het evenredigheidsbeginsel gelet op de onder 2.5 en 2.9 genoemde overeenkomsten, volgt de rechtbank die stelling niet. In die overeenkomsten heeft eiser niet afgezien van de mogelijkheid om voor de rechter een beroep te doen op strijdigheid met EG-recht van artikel 16, vierde lid, van de Awr en voorts is vanaf het moment waarop de Hoge Raad vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie in de in 4.2 genoemde zaken op 21 maart 2008 (o.a. HR 21 maart 2008, nr. 43.050, BNB 2008/159, LJN: BA8179) de uitkomst van die procedures een belangrijk onderwerp van gesprek geweest tussen partijen. Dit was juist één van de redenen voor het op 15 september 2009 overeengekomen uitstel voor het opleggen van de navorderingsaanslagen. Het uitstel zoals overeengekomen in de onder 2.9 genoemde overeenkomst was dan ook enerzijds bedoeld om de uitkomst van die procedure af te wachten, zodat daarmee rekening kon worden gehouden bij het (al dan niet) opleggen van de navorderingsaanslagen en anderzijds om te kijken of een oplossing in de compromissfeer mogelijk was. De overeenkomsten staan er derhalve niet aan in de weg dat eiser op zich een beroep kan doen op het hiervoor bedoelde evenredigheidsbeginsel. 4.5. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vraag of en zo ja, in hoeverre het evenredigheidsbeginsel geschonden is, voorop dat verweerder ter zitting heeft erkend dat hij in de zomer van 2007 (naar de rechtbank veronderstelt vlak na 3 september 2007) beschikte over alle benodigde informatie om de onderhavige navorderingsaanslagen te kunnen opleggen. Voor wat betreft het moment waarop verweerder met de nodige voortvarendheid te werk diende te gaan, stelt de rechtbank voorop dat, gelijk verweerder heeft gesteld, het tussen partijen overeengekomen uitstel van belang is. Dit uitstel strekte er immers mede toe de uitkomst van de onder 4.2 bedoelde procedures af te wachten. Onder die omstandigheid kan niet achteraf met een beroep op de in die procedures gevormde regels omtrent het evenredigheidsbeginsel aan verweerder worden tegengeworpen dat gewacht is met het opleggen van de navorderingsaanslagen. Anders dan waar partijen bij het sluiten van de overeenkomst van 15 september 2009 vanuit waren gegaan, is de rechtvaardiging voor gebruikmaking van de (volledige) verlengde navorderingstermijn gekoppeld aan de door verweerder betrachte voortvarendheid. Bij die stand van zaken lag het dan, op het moment dat eiser meende dat verweerder was gebonden aan die voortvarendheid, ook op de weg van eiser om nadat het Hof van Justitie uitspraak deed dan wel nadat de Hoge Raad uitspraak deed op 26 februari 2010 over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, zich hierop te beroepen en het uitstel in zoverre te beëindigen, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten. Hierin komt naar het oordeel van de rechtbank pas verandering op het moment dat het voor verweerder in december 2010 duidelijk was (zoals hij ter zitting heeft bevestigd) dat eiser niet bereid was tot enig compromis. Vanaf dat moment ontviel immers iedere grond aan verder uitstel; de uitkomst van de procedures was bekend en enig compromis was niet meer in beeld. Vanaf dat moment lag het dan ook op de weg van verweerder de navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen.” 4.1.2. Het Hof onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt ze tot de zijne. Dat geldt evenzeer voor de overweging van de rechtbank dat vervolgens “ter beoordeling (
- is)of door verweerder vanaf december 2010 meer tijd is gebruikt dan het tijdsverloop dat noodzakelijkerwijs was gemoeid met het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens”. 4.2.1. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat daarvan sprake was: “4.6. (…) Verweerder heeft in dit kader gesteld dat na 30 juni 2011 de elementen voor de op te leggen navorderingsaanslagen aan de administratie zijn aangeboden, waarna de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld. Dat betekent dat verweerder in de periode van ruim zes maanden tussen december 2010 en 30 juni 2011 geen handelingen heeft verricht die zien op het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen. Het opmaken van het concept rapport en het definitieve rapport van het boekenonderzoek op 30 april 2011 en 30 juni 2011 kan in het onderhavige geval niet worden gezien als een handeling die ziet op het voorbereiden of vaststellen van de navorderingsaanslagen. Alle benodigde informatie om de navorderingsaanslagen vast te stellen stond verweerder immers al sinds lange tijd ter beschikking. Dat het voor de voorbereiding van de navorderingsaanslagen noodzakelijk was om eerst nog een rapport voor een boekenonderzoek op te maken is gesteld noch gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus onvoldoende voortvarend gehandeld.” 4.2.2. Op grond hiervan heeft de rechtbank de navorderingsaanslagen, alsmede de daarmee samenhangende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente vernietigd. 4.3.1. Het Hof komt op dit punt evenwel tot een andere conclusie dan de rechtbank. Het Hof overweegt daartoe als volgt. 4.3.2. In zijn hogerberoepschrift heeft de inspecteur ter zake van het tijdsverloop vanaf 15 december 2010 tot aan de vaststelling van de navorderingsaanslagen gesteld dat de behandelend ambtenaar (na een korte vakantie) het dossier van belanghebbende in januari 2011 weer ter hand heeft genomen teneinde te beslissen over de in aanmerking te nemen kosten en (de motivering van) de op te leggen boeten en dat daarna het voornemen tot (en de motivering van) de uiteindelijk op te leggen boeten bovendien nog aan belanghebbende (c.q. diens gemachtigde) kenbaar moest worden gemaakt en aan belanghebbende (c.q. diens gemachtigde) de gelegenheid moest worden geboden hierop te reageren. Na overleg tussen de diverse betrokkenen binnen de Belastingdienst is op 4 april 2011 een conceptrapport van het boekenonderzoek (hierna: het conceptcontrolerapport) aan de adviseur van belanghebbende gezonden; in de begeleidende brief is het voornemen tot het opleggen van navorderingsaanslagen met (verhogingen
- en)vergrijpboeten aangekondigd, onder verwijzing naar de onderbouwing in het conceptcontrolerapport. Omdat was gebleken dat belanghebbende moeilijk bereikbaar was, is aan de adviseur een termijn van een maand verleend voor het geven van een reactie op het conceptcontrolerapport. Toen een reactie uitbleef, is op 29 juni 2011 het definitieve controlerapport opgesteld en bij brief van 30 juni 2011 aan de adviseur van belanghebbende (en aan belanghebbende) gezonden. Daarin is met betrekking tot de boeten een ander standpunt ingenomen dan in het conceptcontrolerapport, zulks naar aanleiding van het inmiddels gewezen arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9685 inzake de termijn voor boeteoplegging. Begin juli 2011 is gestart met de (administratieve) verwerking van de elementen van de navorderingsaanslagen; zij zijn vervolgens alle met dagtekening 30 juli 2011 opgelegd. Aldus - nog steeds - de inspecteur. 4.3.3. Het Hof heeft geen reden aan de (feitelijke) juistheid van deze verklaringen van de inspecteur te twijfelen. Het stelt in dit verband vast dat met betrekking tot de kosten ter zake van de ontvangen provisies in het (concept)controlerapport is vermeld: “Belanghebbende is met betrekking tot de inkomsten feitelijk niet in staat aan te tonen, dat ter zake van deze inkomsten kosten zijn gemaakt. Tijdens de loop van het onderzoek is door belanghebbende en de Belastingdienst ruim de tijd genomen en verleend teneinde elkaar zo volledig mogelijk van informatie te voorzien. (…) In dit kader is belanghebbende toegezegd, dat met betrekking tot de niet aangegeven inkomsten, in ieder geval met een kostencomponent ter grootte van 25 % van de ontvangen bedragen rekening zal worden gehouden.” Bij de berekening van de correcties is de tegemoetkoming in de kosten van 25% daadwerkelijk meegenomen. Het Hof stelt voorts vast dat ter zake van de boeten in het conceptcontrolerapport is aangekondigd dat voor alle jaren sprake is van (voorwaardelijk) opzet en dat verhogingen (jaren 1995 tot en met 1997) dan wel boeten (jaren 1998 tot en met 2002) zullen worden opgelegd ten bedrage van 50% van de na te vorderen IB/PV. In het definitieve controlerapport is vermeld dat de eerder aangekondigde boeten voor de jaren 1995 tot en met 1998 komen te vervallen als gevolg van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011, nu daarin is geoordeeld dat “buiten de wettelijke termijn geen boete meer kan worden opgelegd”. Het standpunt betreffende de boeten voor de overige jaren is gehandhaafd. 4.3.4. Op grond van de hiervoor in 4.3.2 en 4.3.3 beschreven feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat ook in de fase tussen 15 december 2010 en het opleggen van de onder-havige navorderingsaanslagen op 30 juli 2011, de voortvarendheid is betracht die ingevolge (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, in acht moet worden genomen. Hierbij heeft het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat met name vertraging is opgelopen doordat de inspecteur eerst, begin april 2011, belanghebbende in de gelegenheid heeft willen stellen op het conceptcontrolerapport en het daarin aangekondigde en gemotiveerde voornemen tot het opleggen van verhogingen en vergrijpboeten te reageren en dat hij zich vervolgens, eind april 2011, wenste te beraden op de consequenties van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011. Uit de gedingstukken volgt dat eerst bij brief van 18 juli 2011 een reactie van de (nieuwe) gemachtigde van belang-hebbende op het (definitieve) controlerapport bij de inspecteur is ingekomen en dat de navorderingsaanslagen toen bij de Belastingdienst al administratief waren verwerkt. Naar het oordeel van het Hof vormen de hiervoor bedoelde omstandigheden een aanvaardbare verklaring voor de gedurende de maanden mei en juni 2011 opgetreden vertraging bij de afhandeling van de navorderingsaanslagen. Het Hof acht die vertraging onder die gegeven omstandigheden ook niet onredelijk. 4.3.5. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het Hof dan ook niet worden gezegd dat de inspecteur in de periode tussen medio december 2010 en eind juni 2011 de bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen vereiste voortvarendheid niet heeft betracht. Anders dan de rechtbank heeft beslist acht het Hof in zoverre geen gronden aanwezig de navorderingsaanslagen te vernietigen. 4.4. Het Hof komt daarom, anders dan de rechtbank, toe aan de behandeling van de subsidiaire geschilpunten in het hoger beroep. Schending hoorplicht? 4.5.1. Belanghebbende heeft erover geklaagd dat hij, ondanks zijn verzoek daartoe, in de bezwaarfase niet door de inspecteur is gehoord. 4.5.2. In zijn brief van 26 oktober 2011 aan de adviseur van belanghebbende schrijft de inspecteur dat hij op die dag de ingebrekestelling inzake de bezwaarschriften tegen de onderhavige navorderingsaanslagen heeft ontvangen en dat de bezwaarschriften zijn ingekomen op 29 augustus 2011, zodat de termijn van zes weken genoemd in artikel 7:10 Awb zijn verstreken en de ingebrekestelling met recht is verzonden. De inspecteur stelt vervolgens dat hij “op basis van de gegevens zoals die in het dossier voorhanden zijn” een uitspraak op de bezwaarschriften kan doen en dat die uitspraak “zeer waarschijnlijk een handhavende uitspraak” zal zijn. In verband met het verzoek van belanghebbende om in dat geval te worden gehoord, zou wat de inspecteur betreft “in de loop van de volgende week” een hoorgesprek kunnen plaatsvinden. Hij verzoekt belanghebbende om te laten weten of deze daarop prijs stelt en inzage in het dossier wenst, waarbij de inspecteur erop wijst dat dan “uiteraard de mogelijkheid (bestaat) dat daarmee de termijn van twee weken die mij thans nog rest voor het doen van uitspraak wordt overschreden. Indien zich die situatie voor gaat doen, verneem ik graag van u of u vast wenst te houden aan deze termijn en de daarmee verbonden dwangsom.” De inspecteur heeft gesteld dat de adviseur niet op deze brief heeft gereageerd en dat hij vervolgens, met dagtekening 7 november 2011, uitspraak op de bezwaren gedaan. 4.5.2. Belanghebbende heeft de feitelijke juistheid van het voorgaande relaas van de inspecteur niet betwist. Daarvan uitgaande, en gelet op het feit dat de gemachtigde in diens ‘ingebrekestellingsbrief’ aan de inspecteur van 25 oktober 2011 had aangekondigd in beroep te zullen gaan “[i]ndien twee weken na dagtekening van deze brief niet alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan”, is het Hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de hoorplicht is geschonden. Fiscale woonplaats 4.6.1. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat vernietiging van de navorderings-aanslagen ook volgt uit de omstandigheid dat hij in de onderhavige jaren niet binnenlands belastingplichtig was en daarom niet ter zake van zijn wereldinkomen in Nederland belast kan worden. De onderhavige provisies zijn in Duitsland en/of Cyprus opgekomen en vallen daarmee niet onder het binnenlandse, in Nederland belastbare inkomen van een buitenlands belastingplichtige, aldus belanghebbende. 4.6.2. De inspecteur heeft, onder meer in zijn hogerberoepschrift, gewezen op diverse feiten en omstandigheden waaruit hij afleidt dat belanghebbende tot (omstreeks) 11 mei 2004 binnenlands belastingplichtige is gebleven. 4.6.3. Het Hof stelt voorop dat ingevolge de Nederlandse belastingwetgeving de plaats waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld (artikel 4 AWR). Deze bepaling geldt voor alle rijksbelastingen, waaronder de inkomstenbelasting, terwijl in diverse heffingswetten op onderdelen aanvullende bepalingen zijn opgenomen; voor de volksverzekeringswetten geldt hetzelfde woonplaatsbegrip. Het Hof overweegt voorts dat volgens vaste jurisprudentie bij de vaststelling van de woonplaats doorslaggevend is of alle (feitelijke) omstandigheden van het geval, gezamenlijk en in onderling verband bezien, erop wijzen dat er een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Het is niet nodig dat het middelpunt van het leven van een natuurlijk persoon zich in Nederland bevindt. Ook heeft de wetgever geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde (categorieën van) omstandigheden zoals iemands juridische, economische of sociale binding met een land (vgl. Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, BNB 2011/127). Opmerking verdient voorts dat het in artikel 4 AWR bepaalde niet uitsluit dat een natuurlijk persoon ingevolge de wetgeving van een ander land aldaar (ook) zijn woonplaats heeft. In belastingverdragen (verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing) worden voor deze gevallen van een ‘dubbele woonplaats’ voorrangsregels (‘tie-breaker’ bepalingen) gegeven. Echter, Nederland heeft met Cyprus geen belastingverdrag gesloten. Anders dan belanghebbende meent, is derhalve niet uitgesloten dat belanghebbende voor fiscale doeleinden zowel een woonplaats in Nederland, als een woonplaats in Cyprus heeft of had. 4.6.4. Ter zake van de vraag of belanghebbendes woonplaats in Nederland was gelegen overweegt het Hof als volgt. Vaststaat dat in de onderhavige periode (1995 – 2002) de ex-echtgenote, de zoon en de dochter van belanghebbende in Nederland woonachtig waren, dat belanghebbende naar zijn verklaring ter zitting ongeveer 60% van het jaar in Cyprus was en de overige 40% in West-Europa (Nederland en onder meer Duitsland en België), dat belanghebbende werkzaamheden verrichtte voor zowel [GHS] als ‘[A]’ (waaronder, zo begrijpt het Hof, belanghebbende verstaat [AB] B.V.,[A] Beheer B.V. en[A][G] Artikelen B.V.), dat hij tot zijn pensionering in 2003 een arbeidsbeloning genoot van[A][G] Artikelen B.V. en dat hij in Nederland veelal “op lokatie” verbleef in de woon-/slaapruimte van ‘[A]’ en “bij afwezigheid” in hotels. Het Hof leidt uit het voorgaande af dat de zakelijke band van belanghebbende met zowel de ex-echtgenote als de zoon nimmer is verbroken en dat het - in het licht van de overigens vaststaande feiten - aannemelijk is te achten dat ook de persoonlijke band van belanghebbende met zijn gezin in stand is gebleven. Vaststaat voorts dat belanghebbende zich jegens de Nederlandse fiscus heeft gepresenteerd als - tot 11 mei 2004 - binnenlands belastingplichtige, zulks zowel in gesprekken en correspondentie met medewerkers van de Belastingdienst (zie 2.4.1, 2.4.2, 2.4.5 en 2.4.8) als in zijn aangiften IB/PV (zie 2.5). Ook staat vast dat belanghebbende voor een groot deel van de onderhavige periode in Nederland een auto ‘op zijn naam had staan’ (zie 2.4.4) die hij gebruikte als hij in West-Europa verbleef; dit betrof, zo begrijpt het Hof, een ‘zakelijke’ auto in verband met belanghebbendes werkzaamheden voor ‘[A]’. Daarnaast beschikte belanghebbende (naar eigen zeggen) in Nederland over een auto in privé, met welke hij onder meer jaarlijks ‘naar de wintersport’ reed. Tot slot staat vast dat de rekeningen bij ING Bank en Deutsche Bank ten name van belanghebbende, [a-straat 1] te [a-straat 1], stonden (zie 2.4.6 en 2.4.7) en dat belanghebbende ook overigens bij diverse (formele en informele) gelegenheden het adres van de ex-echtgenote in [a-straat 1], zowel “p/a” als zonder die toevoeging, als zijn woonadres heeft opgegeven en zulks in elk geval jegens [CD] GmbH (zie 2.4.7). 4.6.5. Het Hof komt gelet op deze feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang, tot het oordeel dat belanghebbende een zodanige band van persoonlijke aard met Nederland had - en deze tot, in elk geval, mei 2004 heeft behouden -, dat hij in de onderhavige jaren zijn woonplaats in de zin van artikel 4 AWR in Nederland had. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden - onder meer dat hij na zijn scheiding om medische redenen naar een land met een ander klimaat is vertrokken/geëmigreerd, dat hij sinds 1 januari 1981 niet langer was ingeschreven in het bevolkingsregister van Nederland (zie 2.4.3), dat hij in Cyprus een (bescheiden) eigen woning had, dat hij aldaar enige tijd een affectieve relatie heeft gehad en dat zijn sociale leven zich in de periode 1995-2002 ook overigens in Cyprus heeft afgespeeld, dat hij in Cyprus aangifte deed en (gemeentelijke) belastingen betaalde en dat [GHS] sinds 1992 in Cyprus is gevestigd, aldaar belasting betaalt en voldoende ‘substance’ heeft - doen daar niet aan af. Bij zijn voorgaande oordeel heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat geen sprake is van een verdragssituatie, zodat niet hoeft te worden beoordeeld of het middelpunt van het persoonlijke en sociale leven van belanghebbende in Nederland lag dan wel, zoals hij stelt, in Cyprus. In hoeverre belanghebbende - mede - zijn fiscale woonplaats in Cyprus had, kan hier dan ook in het midden blijven. Provisie-inkomen 4.7.1. Nu belanghebbende naar Nederlands recht zijn fiscale woonplaats in de periode 1995-2002 in Nederland had, dient te worden bezien of de provisies van [CD] GmbH, terzake waarvan de onderhavige navorderingsaanslagen zijn opgelegd, terecht en tot de juiste bedragen bij belanghebbende in aanmerking zijn genomen. 4.7.2. De inspecteur heeft bij zijn brief van 23 oktober 2012 aan de rechtbank (bedoeld in 2.6.2) stukken overgelegd die van of via de Duitse belastingdienst zijn ontvangen en die betrekking hebben op de onderhavige provisiebetalingen. Het betreft onder meer correspondentie tussen de FIOD en de Duitse belastingdienst, alsmede van Deutsche Bank ontvangen afschriften van belanghebbendes rekening met daarop vermeld de bijschrijvingen van de provisie-bedragen van [CD] GmbH. De inspecteur heeft in (de beide versies van) het controlerapport en in (onder meer) het verweerschrift in eerste aanleg daarvan overzichten verstrekt. Het betreft gemiddeld vijf bedragen per jaar, steeds door het jaar heen op verschillende data betaald en - ook qua jaartotaal (zie 2.6.1) - van wisselende omvang. Op grond van al deze stukken - en bij gebreke van een ook maar enigszins gemotiveerde betwisting door belanghebbende -, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de door de inspecteur genoemde en aan de onderhavige navorderingaanslagen ten grondslag liggende provisiebedragen van [CD] GmbH heeft ontvangen. 4.7.3. Belanghebbende heeft in hoger beroep (opnieuw) gesteld dat bepaalde bedragen aan provisies zijn verrekend “in”[A] Beheer B.V. omdat deze vennootschap in de periode vóór 2000 een grote schuld had aan [CD] GmbH. Volgens belanghebbende zijn daarom provisiebedragen “gut-geschrieben (…) und nicht per Verrechnungsscheck gezahlt”. Wat hiervan zij (zonder nadere toelichting en bewijslevering, welke achterwege is gebleven, valt niet goed in te zien waarom [CD] GmbH dan feitelijk wel bedragen aan belanghebbende heeft betaald), het Hof acht deze stelling van belanghebbende niet relevant. Vaststaat immers dat de provisies, welke aan de onderhavige navorderingaanslagen ten grondslag liggen, door [CD] GmbH aan belanghebbende zijn betaald en dat belanghebbende werkzaamheden als vertegenwoordiger/ handelsagent verrichtte ten behoeve van die Duitse vennootschap. Het Hof acht daarmee aannemelijk dat de provisies door belanghebbende zijn ontvangen als beloning voor diens hiervoor bedoelde werkzaamheden en dat zij aldus door hem als (in ‘box 1’ belastbaar) inkomen zijn genoten. Dat de provisies belanghebbende toekwamen, vindt voorts bevestiging in diens verklaring jegens medewerkers van de Belastingdienst in oktober 2005 (zie 2.3 van de uitspraak van de rechtbank) en door de “Kontrollmitteilung” van de Duitse fiscus (gedagtekend 28 februari 2006) waarin onder meer is vermeld dat het volgens [CD] GmbH niet gaat om provisies voor [AB] B.V. maar voor belanghebbende zelf. 4.7.4. Voorzover de provisies op enigerlei wijze door[A] Beheer B.V. met schulden jegens [CD] GmbH zouden zijn verrekend, dan wel aan[A] Beheer B.V. zouden zijn doorbetaald teneinde haar in staat te stellen die schulden af te lossen, is het voorgaande niet anders. In dat geval zou immers sprake zijn - zoals de inspecteur heeft gesteld - van een storting door belanghebbende van informeel kapitaal in[A] Beheer B.V. dan wel van een lening aan die vennootschap. Zowel het een als het ander laat onverlet dat de provisies (eerst) door belanghebbende zijn genoten. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor verrekeningen door, of doorbetalingen aan, [GHS]. 4.7.5. De door de inspecteur - forfaitair - toegepaste kostenaftrek van 25% komt het Hof alleszins redelijk voor; dat méér kosten op de verwerving van de provisies hebben gedrukt, is niet aannemelijk geworden. 4.7.6. Ter zake van de omvang van de in de onderhavige jaren bij belanghebbende te belasten provisies heeft de inspecteur in zijn brief aan de rechtbank van 23 oktober 2012 (zie 2.6.2) vermeld dat, bij de vaststelling van de navorderingsaanslagen, over de jaren 1997 tot en met 2002 per abuis niet het kasstelsel is toegepast. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1997 tot en met 1999 moeten daarom alsnog worden verminderd, aldus de inspecteur. In zijn conclusie van repliek voor het Hof heeft de inspecteur deze verminderingsbedragen voorts nog gecorrigeerd voor de 25%-kostenaftrek. Hij concludeert uiteindelijk tot vermindering van de nagevorderde bedragen met € 8.934