arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel en belastingrecht, team II zaaknummer: 200.103.487/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam: 475528/HA ZA 10-3666 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 februari 2014 inzake: de naamloze vennootschap DRAKA HOLDING N.V., gevestigd te Amsterdam, appellante in principaal beroep, geïntimeerde in incidenteel beroep, advocaat: mr. W.H. van Baren te Amsterdam, t e g e n [geïntimeerde], wonende te [woonplaats] geïntimeerde in principaal beroep, appellante in incidenteel beroep, advocaat mr. J.M. van Slooten te Amsterdam. Partijen worden hierna Draka en [geïntimeerde] genoemd. 1Het geding in hoger beroep Bij dagvaarding van 20 januari 2012 is Draka in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2011, in deze zaak onder voornoemd zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en Draka als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld: memorie van grieven; memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel en akte vermeerdering van eis, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende uitlating vermeerdering van eis [geïntimeerde]; Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 6 december 2013 doen bepleiten, Draka door mr. F.B.J. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde] door zijn in de kop van dit arrest genoemde advocaat. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities, die aan het hof zijn overgelegd. Draka heeft ter gelegenheid van de pleidooien nog nadere producties in het geding gebracht. Draka heeft in principaal beroep geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat het hof het vonnis waarvan beroep (hierna: het vonnis) zal vernietigen voor zover daarin de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen en die van Draka zijn afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en hem zal veroordelen tot terugbetaling (met rente) van hetgeen Draka hem uit hoofde van het vonnis heeft betaald en alle vorderingen van Draka, inclusief de (bij memorie van grieven) vermeerderde eis, zal toewijzen, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. In incidenteel beroep heeft Draka geconcludeerd tot afwijzing van dat beroep, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan. [geïntimeerde] heeft in principaal beroep geconcludeerd dat het hof dat beroep zal afwijzen, met veroordeling van Draka in de kosten daarvan. In incidenteel beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen voor wat betreft het dictum onder 6.9 en (zo volgt uit het petitum) onder 6.6 en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg afgewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsmede de (bij memorie van antwoord) vermeerderde eis, zoals in het petitum van de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel geformuleerd, zal toewijzen en Draka zal veroordelen in de kosten van dit beroep. Tijdens de pleidooien heeft [geïntimeerde] zijn in eerste aanleg gedane voorwaardelijke verzoek ex artikel 843a Rv gewijzigd in die zin dat hij dat verzoek thans onvoorwaardelijk doet. Beide partijen hebben bewijs aangeboden. Ten slotte is arrest gevraagd. 2De feiten De rechtbank heeft in het vonnis in overweging 2, onder 2.1 tot en met 2.18, een aantal feiten vastgesteld. Die feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. [geïntimeerde] heeft opgemerkt dat de rechtbank niet alle door hem gestelde feiten als zodanig heeft vastgesteld en “voor zover dat moet worden uitgelegd als een (impliciete) verwerping van die feiten” een incidentele grief daartegen aangevoerd. Die grief behoeft geen behandeling, waar het feit dat de rechtbank zich heeft beperkt tot de vaststelling van de door haar in overweging 2 opgesomde feiten betekent dat zij slechts die feiten (als vaststaand kon betitelen èn) relevant vond voor de beslissing in de zaak. Aan de voorwaarde waaronder de bewuste grief is ingesteld is dus niet voldaan. 3De beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de uitleg van een tussen partijen op 30 september 2009 tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. Die overeenkomst bepaalt de voorwaarden waaronder [geïntimeerde] (op verzoek van Draka, per direct) zou vertrekken als statutair bestuurder en CEO van Draka. Het gaat met name om de uitleg van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen kwijtingsbepaling en de vraag of een in die overeenkomst opgenomen bepaling over de eindafrekening al dan niet ook ziet op verrekening van een door Draka gestelde vordering op [geïntimeerde] met betrekking tot door Draka ten behoeve van [geïntimeerde] (in haar visie) voorgeschoten loon- en inkomstenbelasting. In de vaststellingsovereenkomst wordt die vordering niet genoemd. Draka stelt dat zij de vordering - die zij baseert op een “keep whole” clausule in de met [geïntimeerde] afgesloten arbeidsovereenkomsten - ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet kende, dat [geïntimeerde] die wèl kende en haar daarover tijdens de onderhandelingen over die overeenkomst had moeten inlichten. Daarnaast twisten partijen - naast over enkele uitvoeringskwesties - over de vraag wie de na 30 september 2009 aan [geïntimeerde] opgelegde nadere IB-aanslagen over 2007 en 2008 moet betalen. 3.2 [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg - kort gezegd - nakoming van de vaststellingsovereenkomst, met name betaling van de diverse ingevolge die overeenkomst door Draka aan hem te betalen bedragen, met rente en wettelijke verhoging; voor zover bedragen onder voorbehoud van rechten door Draka waren voldaan, vorderde [geïntimeerde] verklaringen voor recht dat die betalingen verschuldigd hadden plaatsgevonden. Daarnaast vorderde hij een bedrag van € 122.719,- netto ter zake van de IB-aanslag 2007 en buitengerechtelijke kosten. Voorts vorderde [geïntimeerde], voorwaardelijk, dat Draka ex artikel 843a Rv zou worden veroordeeld tot het overleggen van e-mails, brieven en andere documenten die op zijn belastingpositie betrekking hebben en die in de periode begin 2009 tot 29 april 2011 tussen Draka en Deloitte zijn uitgewisseld. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst, met uitzondering van een bedrag aan kosten ad USD 17.008,-, toegewezen (met bepaling van de wettelijke verhoging op 25%), de buitengerechtelijke kosten gedeeltelijk (tot € 6.422,-) toegewezen en de vordering met betrekking tot de IB-aanslag 2007 afgewezen. Op het punt van de door [geïntimeerde] verzochte bepaling van de wijze waarop de diverse bedragen moeten worden betaald wees de rechtbank die vordering voor zover betrekking hebbend op de beëindigingsvergoeding af. Aan behandeling van de vordering ex 843a Rv kwam de rechtbank niet toe, omdat aan de voorwaarde waaronder die was ingesteld niet was voldaan. 3.3 Draka vorderde in reconventie - kort gezegd - terugbetaling van de door haar onder voorbehoud van rechten aan [geïntimeerde] uitbetaalde bedragen en voorst betaling door [geïntimeerde] aan haar (na verrekening van hetgeen zij op basis van de vaststellingsovereenkomst aan [geïntimeerde] moet betalen met de belastingschuld die [geïntimeerde] - aldus Draka - aan haar heeft) van € 36.572,- (met rente). Daarnaast vorderde Draka, zowel in reconventie als in voorwaardelijke reconventie, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] als enige aansprakelijk is voor de uit hoofde van de Wet op de Inkomstenbelasting en de Invorderingswet aan hem opgelegde belastingaanslagen. In voorwaardelijke reconventie vorderde Draka voorts betaling door [geïntimeerde] van de door haar ten behoeve van hem over 2005 tot en met 2009 betaalde bedragen aan loonbelasting tot een totaal bedrag van € 1.802.348,- alsmede (terug)betaling van het dubbel door [geïntimeerde] ontvangen salaris over december 2009 en de onder voorbehoud door haar betaalde onkostenvergoeding ad USD 30.158,90 (een en ander met wettelijke rente). De rechtbank heeft de vorderingen van Draka afgewezen, behoudens dat zij de verzochte verklaring voor recht toewees voor wat betreft het bedrag van € 122.719,- netto ter zake van de ([geïntimeerde] opgelegde) aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekering 2007 en [geïntimeerde] veroordeelde tot (terug)betaling van kosten ad USD 17.008,-. Zowel in conventie als in reconventie werd Draka in de proceskosten veroordeeld. 3.4 Grief 1 (met subgrieven) in principaal beroep bevat in de kern de klacht dat de rechtbank heeft beslist dat de belastingvorderingen van Draka onder de kwijtingsbepaling van de vaststellingovereenkomst vallen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. 3.5 [geïntimeerde] is van december 2004 tot en met juni 2009 bij Draka in dienst geweest ([geïntimeerde] was eerst in dienst bij Draka Comteq B.V. en vanaf september 2007 bij Draka, maar voor het onderhavige geschil doet dat niet ter zake: zie ook memorie van grieven sub 1.2). Voorafgaand aan zijn indiensttreding heeft [geïntimeerde] gesproken met de heer [X] (destijds CEO bij Draka, althans zo begrijpt het hof uit de conclusie van antwoord sub 5.17). [geïntimeerde] heeft gesteld dat in dat gesprek - mede naar aanleiding van het destijds door [geïntimeerde] in de VS verdiende salaris, dat aanmerkelijk hoger lag dan hetgeen hij bij Draka zou kunnen verdienen - door [X]gewezen is op twee belastingvoordelen die het werken in Nederland met zich zouden brengen: de zogenaamde 30%-regeling en de mogelijkheid Foreign Tax Credits (in de VS) te krijgen. Draka heeft uitdrukkelijk mogelijk geacht dat[X] zich in die zin heeft geuit: zie conclusie van antwoord sub 5.17. Het hof gaat er dan ook van uit dat[X] zich in voornoemde zin heeft uitgelaten. In de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met Draka Comteq staat onder het kopje “Taxes”: “The Employer will keep you whole (US) with tax differential if any” (hierna ook: de clausule). De arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] met Draka bevat (onder 4.2) eenzelfde bepaling. Volgens Draka moet de clausule zo worden uitgelegd dat zij de in Nederland door [geïntimeerde] verschuldigde loonbelasting voorschiet (want afdraagt, maar niet op zijn salaris kan inhouden, nu de feitelijke salarisbetaling en dienovereenkomstige belastingafdracht in de VS plaatsvindt), dat [geïntimeerde] in de VS op basis van de in Nederland voor hem afgedragen loonbelasting Foreign Tax Credits (hierna: FTC) ontvangt en deze FTC vervolgens voor het bedrag van de door Draka voorgeschoten loonbelasting aan Draka doorbetaalt. [geïntimeerde] stelt dat de clausule - tegen de achtergrond ook van voornoemde uitlating van[X] - zo begrepen moet worden, althans zo door hem is begrepen en ook begrepen heeft mogen worden, dat Draka de Nederlandse belasting betaalt, dat hij de Amerikaanse belasting betaalt en het Amerikaanse belastingvoordeel (de FTC) behoudt. Vaststaat (als door [geïntimeerde] gesteld en niet door Draka betwist) dat [geïntimeerde] - anders dan de andere expats bij Draka, die jaarlijks zo’n verzoek kregen en wier arbeidsovereenkomsten overigens een andere keep whole-formulering kennen (althans destijds kenden) dan die in de arbeidsovereenkomsten van [geïntimeerde] - nimmer van Draka of Draka US (die zorgdroeg voor de salarisbetaling in de VS) het verzoek heeft gekregen opgave te doen van de door hem verkregen FTC en/of tot afdracht van die FTC. Vaststaat eveneens dat [geïntimeerde] nimmer enige bedrag aan FTC aan Draka of Draka US heeft betaald. 3.6 In februari 2009 - inmiddels werkte [geïntimeerde] op basis van de in september 2007 met Draka gesloten arbeidsovereenkomst, die eenzelfde belastingbepaling kent als de eerdere arbeidsovereenkomst: zie hiervoor onder 3.5 - heeft[Y] (Director Legal & Tax bij Draka), in het kader van de opstelling van het jaarrapport 2008, contact gehad met [Z] van Draka US en[A] van Deloitte (Deloitte stelde destijds de zogenaamde shadow payroll samen, op basis waarvan voor de expats bij Draka loonbelasting door Draka werd afgedragen en IB-aangiften voor die expats werden opgesteld) over de fiscale aspecten van het salaris van [geïntimeerde] (productie 27 Draka, 1e aanleg). In maart 2009 wendt [Y] zich vervolgens tot[B] (de Amerikaanse belastingadviseur van [geïntimeerde]), als volgt (productie 7 [geïntimeerde], 1e aanleg): “I am trying to figure out whether [geïntimeerde] ( [geïntimeerde]; hof) is tax equalized or not. (..). Draka US is not aware of any return payment of the US federal and state tax (..). If a tax refund is granted based on his personal tax return in principe it should be remitted to Draka US (if tax equalized). (..)”. [B] schrijft terug: “We have never been contacted by anyone at Draka concerning tax equalization for [geïntimeerde]. (..) We claim exclusions and credits on his US return related to his overseas assignment and the Dutch tax he pays on his Dutch return. We have never been asked to consider equalization calculations for [geïntimeerde]. (..)”. Op een nader email van [Y] antwoordt [B] aan het slot als volgt: “It may make sense for us to schedule a call to discuss this further. I can ask one of our International Assignment Directors to be part of the call to discuss this further. I would be afraid to reach conclusions at this point without a full discussion of how Draka pays tax for [geïntimeerde]. Let me know if you would like to discuss this in a call”. [Y] is niet op dit aanbod ingegaan. Dat [geïntimeerde] FTC claimde wist [Y] op grond van hetgeen [B] hem had geschreven: zie het tweede citaat hierboven. [Y] kon dit overigens ook al weten op grond van hetgeen [B] hem in december 2006 had geschreven: “Is there any way we can get copy of the actual Dutch return? We need to know exactly how much tax was paid in 2005 for foreign tax credit and to make the compensation adjustment” . (productie 5 [geïntimeerde], 1e aanleg). Voor zover Draka overigens aanvoert dat zij er vanwege de opmerking “and to make the compensation adjustment” op had kunnen vertrouwen dat [geïntimeerde] de door hem ontvangen FTC aan Draka zou afdragen (memorie van grieven sub 2.11 onder (iii)) volgt het hof haar daarin niet, nu [geïntimeerde] dat afdoende heeft betwist: hij stelt dat met de hiervoor geciteerde zinsnede gedoeld is op de Foreign Earned Income Exclusion and Housing Allowance die [geïntimeerde] in de VS kon opvoeren (productie 12 [geïntimeerde], 1e aanleg). In het op verzoek van Draka opgestelde KPMG-memorandum (productie 4 [geïntimeerde]/productie 12 Draka, steeds 1e aanleg) valt te lezen dat [geïntimeerde] een dergelijk beroep inderdaad heeft gedaan (zie Exhibit 1 onder 4). 3.7 Uit de hiervoor geschetste gang van zaken kan worden opgemaakt dat Draka (in de persoon van [Y]) wist - zie onder 3.6 - dat [geïntimeerde] FTC in de VS claimde. Voorts wist Draka, althans had daarmee bekend kunnen zijn, dat [geïntimeerde] nooit enig bedrag aan FTC aan haar of Draka US had doorbetaald (dat zij de hoegrootheid niet kende van de bedragen die [geïntimeerde] in haar visie aan haar verschuldigd was doet aan die constatering niets af). Tegen die achtergrond is onbegrijpelijk de stelling van Draka dat [Y] (na de emailwisseling met [B] in maart 2009 en het niet-ingaan op diens aanbod nader te overleggen) door [geïntimeerde] op het verkeerde been is gezet. Veeleer lijkt het erop dat [Y] op het moment dat hij [geïntimeerde] benaderde zelf niet zeker wist hoe de clausule geïnterpreteerd diende te worden. Immers, uitgaande van de door Draka in deze procedure voorgestane interpretatie zou de zaak voor Draka/[Y] heel eenvoudig hebben gelegen: er lag geen vraag meer voor, er resteerde enkel nog de mededeling aan [geïntimeerde] dat Draka zich op het standpunt stelde dat [geïntimeerde] de door hem ontvangen FTC aan Draka/Draka US moest afdragen. Uit de door Draka in het geding gebrachte verklaring van [Y] (productie 6 Draka, 1e aanleg) kan niet worden opgemaakt dat [Y] een dergelijke mededeling aan [geïntimeerde] heeft gedaan. In de verklaring valt enkel te lezen dat [Y] “opmerkingen” heeft gemaakt en dat [geïntimeerde] daarop heeft gezegd dat die “opmerkingen” niet konden kloppen en voorts dat [geïntimeerde] [Y] zijn visie kenbaar heeft gemaakt dat hij “veel belasting” in de VS betaalde (tijdens de comparitie in eerste aanleg verklaarde [Y] dat [geïntimeerde] toen gezegd zou hebben dat hij “genoeg” belasting betaalde). Op welke (uit bedoeld gesprek voortgekomen) grond [Y] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen dat “het wel goed zat” (zoals - vrij weergegeven - Draka betoogd in de memorie van grieven onder 1.8) is het hof onduidelijk. Eveneens onbegrijpelijk acht het hof de stelling van Draka (conclusie van antwoord onder 2.8) dat [Y] na het bewuste gesprek “het daar op dat moment bij gelaten” heeft en besloot af te wachten wat de verdere berichtgeving van Deloitte zou zijn: uitgaande van wat al duidelijk was ([geïntimeerde] ontving FTC en droeg die niet aan Draka of Draka US af), hoefde immers - uitgaande van de interpretatie van de clausule die Draka in deze procedure voorstaat - geen nadere berichtgeving afgewacht te worden. Overigens valt op dat Draka in dit verband Deloitte noemt als nadere berichtgever, waar zij overigens een en andermaal stelt dat Deloitte in opdracht van [geïntimeerde] werkte (en niet in die van haar) en niet bereid was haar gegevens omtrent [geïntimeerde] te verschaffen. 3.8 Het hof ziet ook geen aanwijzing voor de juistheid van de stelling van Draka dat [geïntimeerde] jegens haar geen open kaart heeft gespeeld. In de eerste plaats geldt dat uit het voorafgaande blijkt dat van de zijde van [geïntimeerde] steeds duidelijk kenbaar is gemaakt dat [geïntimeerde] in de VS FTC claimde: zie onder 3.6. Dat [geïntimeerde] niet meldde dat hij die niet afdroeg kan, uitgaande van de door hem voorgestane interpretatie van de clausule, niet verbazen: [geïntimeerde] meende daartoe niet verplicht te zijn. Van de zijde van Draka heeft hij daaromtrent - anders dan de andere expats - nimmer iets vernomen: zie onder 3.5, slot. Ook uit het navolgende kan worden opgemaakt dat [geïntimeerde] niet de bedoeling heeft gehad iets voor Draka te verbergen. In mei 2009 heeft Deloitte - in het kader van vragen van de belastingdienst over de door Draka ten behoeve van haar expats ingehouden loonbelasting over 2006 en 2007 - aan [geïntimeerde] gegevens gevraagd omtrent zijn Amerikaanse belastingaangiften. [geïntimeerde] heeft die gegevens verstrekt. Over de achtergrond van het verzoek van Deloitte had [geïntimeerde] eerder een enkele vraag gesteld, waarop Deloitte hem onder meer had geantwoord “Please note that we have always been in contact with[Y] (..) with regard to this” (productie 23 [geïntimeerde], 1e aanleg). Met [Y] wordt - stelt [geïntimeerde] en dat is door Draka niet weersproken -[Y] bedoeld. Als hem kort daarna ook gegevens over 2008 worden gevraagd laat [geïntimeerde] Deloitte weten: “I have no problem providing the 2008 return info when available. (..). Thus, my 2008 tax return wil probably be ready in the 3rd quarter of 2009. Regarding tax settlements with Draka, I’am not sure what you mean. I receive nothing directly from Draka regarding taxes. Everything is done automatically through the payroll system. My withholdings are done in the US as they have been with any company I’ve worked for. I have always asked for the maximum withholding by law and I believe that is the case with my Draka withholding. As a result, I have always received a refund from the Federal and State IRS. Is that the issue in question or something else?” (productie 25 [geïntimeerde], 1e aanleg). Gelet op de eerdere opmerking van Deloitte dat [Y] bij de onderhavige kwestie betrokken was, kon en moest [geïntimeerde] ervan uitgaan, althans er rekening mee houden dat ook [Y] op de hoogte zou komen van hetgeen hij over de desbetreffende materie aan Deloitte schreef. En daarmee speelde hij volkomen open kaart. 3.9 Het onder 3.8 overwogene wordt niet anders door de wijze waarop [geïntimeerde] in 2006 en 2007 commissarissen heeft ingelicht over zijn beloningspakket (zie productie 1 Draka, 1e aanleg). Nog daargelaten dat het niet noemen van een fiscale faciliteit niet maakt dat die opgaven onjuist kunnen worden genoemd, geldt dat onderhavige kwestie toen niet op een voor [geïntimeerde] kenbare wijze speelde, dat hij ten tijde van de eerste brief nog geen FTC ontvangen had en dat niet vaststaat (en ook door Draka niet is gesteld) dat dit anders lag ten tijde van het schrijven van de tweede brief. 3.10 Het vorengaande betekent dat het hof Draka niet volgt in haar stellingname dat zij eerst met de brief van Deloitte van 1 oktober 2009 (productie 5 Draka, 1e aanleg) op de hoogte raakte van het feit dat [geïntimeerde] de FTC niet aan haar of Draka US afdroeg: Draka was daar al ruimschoots eerder van op de hoogte, dus ook ten tijde van de onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst). Dat de commissarissen dat mogelijk niet wisten komt voor rekening en risico van Draka. Tegen de achtergrond van hetgeen zich in maart en mei 2009 had afgespeeld (zie onder 3.6 tot en met 3.8) heeft het ook niet op de weg van [geïntimeerde] gelegen om “de belastingen” tijdens de onderhandelingen over de overeenkomst aan de orde te (doen) stellen: hij had steeds open kaart gespeeld, had na het gesprek met[Y] in maart 2009 (zie 3.7) niets meer over die materie van Draka vernomen en hoefde er geen rekening mee te houden dat Draka meende op dit vlak nog een (aanzienlijke en over vele jaren strekkende) vordering op hem te hebben. Dit zou wellicht anders hebben gelegen als [geïntimeerde]’ uitleg van de clausule evident onverdedigbaar zou zijn, maar in het licht van hetgeen waarop[X] hem eind 2004 had gewezen (zie hiervoor onder 3.5) alsook het feit dat hij - anders dan de andere expats - nimmer een verzoek van Draka kreeg om ontvangen FTC op te geven c.q. af te dragen (zie 3.5, slot), is dat niet het geval. Daarbij lijkt uit de “zoekende” houding van[Y] (zie 3.6 en 3.7) opgemaakt te kunnen worden dat de uitleg van de clausule destijds ook voor Draka niet eenduidig was. 3.11 Dit alles leidt - getoetst aan de (met juistheid door Draka niet aangevallen) norm als verwoord in het vonnis onder 5.3 - tot de conclusie dat de vermeende vordering van Draka onder de kwijtingsbepaling valt (zie voor de - niet van de gebruikelijke formuleringen van dergelijke bepalingen afwijkende - tekst daarvan het vonnis sub 2.14, slot). De maatschappelijke positie van [geïntimeerde] maakt dat niet anders. Waar Draka zich nog heeft beroepen op de zinsnede “Once the obligations laid down above have been fulfilled” in de kwijtingsbepaling, geldt dat ook dat beroep haar niet kan baten: in de overeenkomst valt namelijk in de aan de kwijtingsbepaling voorafgaande bepalingen geen verplichting van [geïntimeerde] te lezen die tot onderwerp heeft (in welke bewoording dan ook) dat hij door hem ontvangen FTC aan Draka moet afdragen. Met name kan een dergelijke (in de becijfering van Draka) zeer omvangrijke verplichting niet worden opgemaakt uit de door Draka onder 2.42 van haar memorie van grieven onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.