GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummers : 200.133.661/01 en 200.138.378/01 (vrijwaring) zaaknummers rechtbank Amsterdam : 1236348 CV EXPL 11-9921 (hoofdzaak) en 1292189 CV EXPL 11-35010 (vrijwaring) arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 augustus 2014 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats], appellant in de hoofdzaak, advocaat: mr. L.B. de Jong te Den Haag, tegen de naamloze vennootschap [X] N.V., gevestigd te [plaats] geïntimeerde in de hoofdzaak, advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam, en in de gevoegde (vrijwarings)zaak inzake de naamloze vennootschap [X] N.V., gevestigd te [plaats], appellante in vrijwaring, advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DUTCH PROPERTY COMPANY REMBRANDT 6 B.V., gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, geïntimeerde in vrijwaring, advocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen te Amsterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y] NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in vrijwaring, advocaat: mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam, 3 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Z] B.V., gevestigd te Oosterhout (NB), geïntimeerde in vrijwaring, advocaat: mr. A.Knigge te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen in de hoofdzaak worden hierna [appellant] en [X] genoemd. Ook de rechtsvoorgangster van [X], [A], zal hierna als [X] worden aangeduid. Partijen in de vrijwaringszaak worden aangeduid als [X], respectievelijk geïntimeerde sub 1, sub 2 en sub 3 in vrijwaring. Voor het verloop van de procedure in de hoofdzaak wordt verwezen naar het tussenarrest van 18 februari 2014 van dit hof in die zaak , bij welk arrest beide zaken zijn gevoegd. In de vrijwaringszaak is [X] bij dagvaarding van 22 november 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, van 5 maart 2013, onder zaaknummer 1292189 CV EXPL 11-35010 gewezen tussen [X] als eiseres in vrijwaring en geïntimeerden sub 1 tot en met 3 in vrijwaring als gedaagden in vrijwaring. [X] heeft vervolgens een memorie van grieven, met producties, ingediend. Geïntimeerden sub 1 tot en met 3 in vrijwaring hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord zijdens geïntimeerde in vrijwaring sub 1, met producties; - memorie van antwoord zijdens geïntimeerde in vrijwaring sub 2, met een productie; - memorie van antwoord zijdens geïntimeerde in vrijwaring sub 3; - akte zijdens [X], met een productie; - antwoordakte zijdens geïntimeerde in vrijwaring sub 2; - antwoordakte zijdens geïntimeerde in vrijwaring sub 3. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft in de hoofdzaak geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zijn vorderingen als in eerste aanleg gedaan zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. [X] heeft geconcludeerd, kort gezegd en naar het hof begrijpt, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. In de vrijwaringszaak heeft [X] geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en dat haar in eerste aanleg ingestelde vordering alsnog zal worden toegewezen, met beslissing over de proceskosten. Geïntimeerden sub 1 tot en met 3 in vrijwaring hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [X] en/of tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, rente en nakosten daaronder begrepen. Alle partijen in de vrijwaringszaak hebben een bewijsaanbod gedaan. 2Feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in de hoofdzaak onder 1.1. tot en met 1.11. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak Het gaat in deze zaak om het volgende. a. [appellant] is met ingang van 4 februari 2000 in dienst getreden van (een rechtsvoorganger van) [X]. Hij verrichtte zijn werkzaamheden onder meer vanuit het door [X] gehuurde kantoorpand aan de [adres] (nader te noemen het kantoorpand). b. In het kantoorpand hielden ook andere huurders dan [X] kantoor. De parkeergarage onder het kantoorpand was in gebruik bij [X] en bij die andere huurders. c. Om de garage in te rijden moet de chauffeur van een voertuig een pasje bij een slagboom tonen waarna de slagboom open gaat. De chauffeur moet dan met de auto of motor naar beneden rijden tot een roldeur die toegang tot de garage geeft. Door het tonen van het pasje bij de slagboom gaat ook de roldeur open. d. Op 2 november 2007 is [appellant] op weg naar zijn werk op zijn motor met zijn helm op, de parkeergarage onder het kantoorpand ingereden. Bij het onder de roldeur doorrijden heeft de roldeur de helm op het hoofd van [appellant] geraakt waardoor de zijkant van de helm is afgebroken en het vizier van de helm in twee stukken is gespleten. e. [appellant] heeft zijn motor geparkeerd en heeft vervolgens de bedrijfshulpverlener van [X],[B], gebeld. f. [B] heeft in een ongevalsrapportage van 2 november 2007 het volgende gerapporteerd: “Heden ochtend 2 november 2007 rond 08.45 werd ik gebeld door [appellant] , hij vroeg mij om even naar hem toe te komen ivm een ongeval. Hij zat beneden buiten op een bankje naast de ingang B gebouw. Bij hem aangekomen zag ik dat hij pijn had en rillerig was, hij vertelde mij het volgende verhaal: Hij was op de motorfiets de garage in gereden en was daarbij met zijn hoofd tegen plotseling omlaag gaande roldeur gekomen. Dit ging gepaard met een enorme klap waarbij zijn helmvizier en helm beschadigd is geraakt. [C] is vervolgens naar binnen gereden en heeft de motor geparkeerd, heeft helm afgezet spullen gepakt en is vervolgens via de trap naar B0 gelopen. Daar aangekomen voelde hij zich niet lekker worden en is even buiten gaan zitten. Vervolgens ging het slechter en heeft hij mij gebeld (…). [appellant] klaagde over hevig pijn bovenin de nek en hij was erg zweterig en voelde zich misselijk (zat tegen overgeven aan) (…). Tevens is de politie ter plaatse geweest en die hebben met [D] en [E] de situatie bij de roldeur nog eens bekeken en e.e.a opgeschreven. (...)” g. Door [B] is op 2 november 2007 om 08.55 uur 112 gebeld. Vervolgens is een ambulance ter plaatse gekomen. [appellant] is met die ambulance naar het AMC vervoerd en na onderzoek diezelfde dag naar huis gegaan. h. Aan [appellant] is per 2 november 2009 door het UWV een WIA-uitkering toegekend op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. i. Tot 31 mei 2010 heeft [X] de uitkering van [appellant] aangevuld tot 100% van zijn laatstgenoten salaris. in de hoofdzaak 3.2 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -: a. een verklaring voor recht zal geven dat [X] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval d.d. 2 november 2007 zoals hiervoor omschreven en gehouden is de hierdoor veroorzaakte materiële en immateriële schade van [appellant] te vergoeden; b. [X] zal veroordelen tot betaling van de door [appellant] geleden en te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het bovengenoemd ongeval, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze opeisbaar is geworden, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot die der algehele voldoening; c. (naar het hof begrijpt) [X] zal veroordelen om aan (naar het hof begrijpt) [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 10.000,00 te betalen als voorschot op de uiteindelijk toe te wijzen schadevergoeding; d. [X] zal veroordelen in de proceskosten van [appellant]. 3.3 De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. Hij heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat, er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de zorgplicht van [X] ex artikel 7:658 BW zich uitstrekte tot de toegang van de parkeergarage, [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om zijn stelling dat [X] jegens hem in de zorgplicht van artikel 7:658 dan wel 7:611 BW tekort is geschoten, te onderbouwen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met drie grieven op. 3.4 Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er op [X] geen specifieke instructie- of waarschuwingsplicht rustte met betrekking tot de toegang en het gebruik van de parkeergarage. Grief 2 behelst dat hij ten onrechte heeft overwogen dat [X] adequaat heeft gereageerd nadat er bekendheid bestond met de gebreken van de toegangsdeur van de garage. 3.5 Deze twee grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Voor zover de vordering van [appellant] is gegrond op artikel 7:658 BW geldt het volgende. Dit artikel schept een aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De schade ter zake waarvan [appellant] vergoeding vordert (zoals omschreven in paragraaf 9 van de inleidende dagvaarding) is echter ontstaan bij het met zijn motor inrijden van de parkeergarage waarin [appellant] deze wilde stallen alvorens met zijn werkzaamheden te beginnen. Niet gezegd kan worden dat dit inrijden in de parkeergarage al geschiedde in de uitoefening van de werkzaamheden van [appellant]. Dat inrijden heeft in de geschetste omstandigheden als woon- werkverkeer te gelden en in dat verband opgelopen schade komt op basis van genoemd artikel niet voor rekening en risico van de werkgever. Voor zover de vordering op artikel 7:658 BW is gegrond kan zij derhalve niet slagen. 3.6 Vervolgens doet zich de vraag voor of artikel 7:611 BW wel een toereikende grondslag vormt voor vergoeding van de gestelde schade van [appellant] door [X]. [appellant] heeft aan zijn stelling dat voor [X] een waarschuwingsplicht gold het volgende ten grondslag gelegd. [X] was bekend met de onveilige situatie bij de toegang van de bedrijfsgarage en heeft verzuimd maatregelen te nemen. Het kwam geregeld voor dat de betreffende garagedeur onverwachts naar beneden kwam. Dat volgt uit de (onder meer als productie 8 en 9 bij inleidende dagvaarding) overlegde e-mailberichten van [F] en [G] en een e-mailbericht van [H]. Een dergelijk incident is een week voor het ongeval ook nog een fietser overkomen. Een melding aan de beheerder van een hapering of gebrek aan de deur zoals die na een incident in april 2005 is gedaan is niet voldoende. Gezien de melding van [F] van 15 april 2005 dat het gebrek zich geregeld voordeed en de eigen constateringen van [X] op dit punt had zij ook zelf nader onderzoek moeten doen naar de veiligheid van de deur en moeten onderzoeken of het gebrek was verholpen en of voorzieningen moesten en konden worden getroffen om nieuwe incidenten te voorkomen. Nu het gebrek na april 2005 niet was verholpen had [X] zelf zulke voorzieningen dienen te treffen die het risico op ongevallen zouden beperken indien de toegangsdeur zich onverwachts sloot, zoals het aanbrengen van een aanwezigheidsdetectie of een geluids- en/of optisch signaal. Pas na het ongeval is een verkeerslicht geplaatst, aldus nog steeds [appellant]. 3.7 Het hof overweegt als volgt. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.