arrest ______________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.137.918/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/191862 / HA ZA 12-226 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 augustus 2014 inzake [appellant] , wonend te[adres], gemeente Haarlemmermeer, appellant, advocaat: mr. H.J.M. van Schie te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer, tegen: GEMEENTE HAARLEMMERMEER, zetelend te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, geïntimeerde, advocaat: mr. A.M. van de Laar te Haarlem. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna[A] en de gemeente genoemd. [A] is bij dagvaarding van 29 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2013, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [A] als eiser en de gemeente als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 1 juli 2014 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. [A] heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zijn vordering alsnog zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten en met veroordeling tot terugbetaling van de op grond van het vonnis betaalde proceskosten, vermeerderd met rente. De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn, naar [A] desgevraagd bij pleidooi heeft bevestigd, in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.1.1 [A] heeft in 2001 gekocht en geleverd gekregen percelen landbouwgrond (hierna: de percelen), gelegen aan de westzijde van het bedrijventerrein De Liede (hierna: De Liede West) te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer. [A] had de percelen aangekocht met het oog op een aldaar door hem te ontwikkelen prostitutiebedrijf, de City of Love. 3.1.2 De ontwikkeling van een prostitutiebedrijf op de percelen was in strijd met zowel het vigerende bestemmingsplan (agrarische bestemming) als het vigerende streekplan (laatstelijk gewijzigd 17 februari 2003). 3.1.3 Sedert 2000 is [A] in overleg getreden met de gemeente om de ontwikkeling van de City of Love mogelijk te maken. Vanaf november 2001 heeft [A] de gemeente voorstellen gedaan tot ruiling van de percelen met grond elders in de gemeente om aldaar de City of Love te realiseren. 3.1.4 Bij brief van 26 november 2002 heeft[B](hierna: [B] namens de gemeente aan [A] het bestaande planologische kader van de percelen meegedeeld. 3.1.5 Bij brief van 21 januari 2003, gericht aan [B], verzoekt de advocaat van [A] de gemeente bij de provincie onder de aandacht te brengen dat de locatie De Liede een uiterst geschikte locatie is voor (al dan niet laagwaardige) bedrijventerreinen. Hij schrijft voorts: “Ten slotte breng ik nog onder uw aandacht dat cliënt er geen enkel bezwaar tegen heeft indien de Gemeente Haarlemmermeer zijn grond van hem afneemt zodat de Gemeente Haarlemmermeer zelf de ontwikkeling overeenkomstig haar wensen kan vormgeven.” 3.1.6 Nadat op 5 juni 2003 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [A], diens advocaat en de gemeente (vertegenwoordigd door twee wethouders en [B], deelt een wethouder van de gemeente bij brief van 27 juni 2003 aan [A] mee: “Inzake de gronden die u in eigendom heeft in “De Liede” merken wij op dat daarover eerst overleg met de provincie nodig is om te bepalen of deze gronden wellicht interessant zijn voor de gemeente. Over de uitkomst daarvan kunnen wij geen garanties geven.” 3.1.7 In het verslag van een zogenoemd “Goede Diensten Overleg” (hierna GDO) van 26 september 2003, waaraan deelnamen ambtenaren van de gemeente (waaronder [C]) en de provincie (waaronder [D]), is vermeld: “3. Bestemmingswijziging De Liede West/streekplanherziening [C]) Aan het college van B&W is een voorstel voorgelegd tot uitbreiding van bedrijventerrein De Liede, teneinde tegemoet te komen aan de vraag vanuit zowel Haarlemmermeer als de regio naar laagwaardig bedrijventerrein. Hiervoor is een streekplanherziening nodig. Er wordt gewerkt aan een plan van aanpak. Volgens [D] zijn er wel wat blokkades, maar die zijn op zich oplosbaar. Het is wel de vraag of een streekplanherziening gevoerd moet worden voor zo’n klein gebied. Het (concept) plan van aanpak zal bilateraal besproken worden met de provincie.” 3.1.8 In of omstreeks oktober 2003 heeft [A] met Dura Vermeer en Meerschip (DVM) een overeenkomst over de percelen gesloten, welke overeenkomst DVM per 1 november 2003 heeft beëindigd. DVM heeft aan de gemeente bericht dat aanleiding voor de beëindiging was gelegen in de onduidelijkheid ten aanzien van de termijn waarbinnen de bestemmingswijziging van het gebied wordt gerealiseerd en het voornemen van de gemeente een maximumgrens aan de uitgifteprijs van de grond te verbinden. 3.1.9 De dienst RWE/sector Ruimtelijke Planvorming van de gemeente heeft met dagtekening 6 januari 2004 een “Startnotitie: Ontwikkelingskader De Liede” opgesteld. Als doel van het Ontwikkelingskader is vermeld: uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Liede met terreinen voor zogenoemde laagwaardige bedrijven. In dat kader zijn ook de percelen van [A], gelegen in de Liede West, betrokken. In de notitie wordt onderscheid gemaakt tussen drie gebieden: De Liede Noord, Zuid en West. Aangegeven wordt dat Noord en Zuid planologisch met een zogenaamde artikel 19 procedure kunnen worden ontwikkeld tot bedrijfsterrein. Van De Liede West wordt aangegeven dat waarschijnlijk moet worden gewacht op een streekplanherziening. 3.1.10 Bij brief van 7 januari 2004 stelt [A] aan de gemeente voor 3 ha van de percelen te ruilen met gronden aan de Spoorlaan, waar [A] zijn City of Love wil realiseren, en de rest van de percelen voor € 15 per vierkante meter aan de gemeente te verkopen. Bij brief van 27 januari 2004 doet de gemeente een tegenbod. 3.1.11 Op 26 februari 2004 komt een koopovereenkomst tot stand tussen [A] en de gemeente over de percelen. De koopsom is gebaseerd op een prijs van € 25 per vierkante meter, samengesteld uit “€ 20 waarde grond en € 5 voor door de verkoper ten behoeve van de grond gemaakte kosten”. Op 17 maart 2004 heeft [A] de percelen aan de gemeente geleverd. 3.1.12 Op 9 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente het plan van aanpak Ontwikkelingskader De Liede vastgesteld. 3.1.13 Het streekplan, dat geldt voor de percelen, is bij besluiten van Provinciale Staten van 19 november en 17 december 2007 gewijzigd, waardoor aanpassing van het bestemmingsplan voor ontwikkeling van (laagwaardige) bedrijven mogelijk werd. 3.1.14 Het bestemmingsplan De Liede, dat ontwikkeling van De Liede West tot laagwaardig bedrijventerrein mogelijk maakt, is in oktober 2013 in werking getreden. 3.1.15 [B] is in 2013 overleden. 3.1.16 [A] is (naar eigen zeggen: vijf jaar) raadslid van de gemeente. 3.2 [A] vordert vernietiging van de tussen hem als verkoper en de gemeente als koper gesloten koopovereenkomst van 26 februari 2004 wegens dwaling. Daartoe voert hij aan – kort samengevat – dat hij door de gemeente op het verkeerde been is gezet door onjuiste en onvolledige inlichtingen en de gemeente na het sluiten van de koopovereenkomst alles in het werk heeft gesteld om voor hem, [A], informatie over de planontwikkeling achter te houden. Als hij die informatie had gehad, zou hij niet tot verkoop van de percelen zijn overgegaan, althans niet voor de overeengekomen prijs, aldus [A]. 3.3 De rechtbank heeft de vordering van [A] afgewezen en daartoe (onder meer) overwogen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.