GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer : 200.129.707/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 502698/HA ZA 11-2642 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2014 inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam, tegen de naamloze vennootschap LEXENCE N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. P.J. De Jong Schouwenburg te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Lexence genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 8 april 2013 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2012 en 9 januari 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Lexence als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - akte houdende vermeerdering van eis, met producties; - memorie van antwoord; - akte na memorie van antwoord; - antwoordakte. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft na wijziging van eis geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover zijn vorderingen in eerste aanleg zijn afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog deze vorderingen integraal zal toewijzen, alsook Lexence zal veroordelen tot betaling aan hem van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 1.597,20, met beslissing over de proceskosten. Lexence heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met beslissing over de proceskosten. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten 2.1 De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 11 juli 2012 onder 2 (2.1 tot en met 2.16) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende: 2.2 [appellant] is sinds 1 augustus 1978 werkzaam geweest als ambtenaar bij de gemeente Rotterdam. Per 15 april 2005 is hij benoemd in de functie Expert bouwkunde en bouwtechniek bij de dS+V (voorheen de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting) van die gemeente. 2.3 Op 28 augustus 2007 heeft de gemeente Rotterdam IRS Forensic Services and Investigations B.V. (hierna: IRS) opdracht gegeven het handelen van dS+V in veertien gevallen te onderzoeken. 2.4 IRS heeft op 20 mei 2008 haar conclusies gerapporteerd over de rol van [appellant] in de door haar onderzochte veertien gevallen. Volgens IRS is in vijf gevallen sprake van een mogelijke belangenverstrengeling, in drie gevallen van een verdenking van ambtelijke corruptie (artikelen 362 dan wel 363 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvS)), in vier gevallen van een verdenking van schending geheimhoudingsplicht (artikel 272 WvS in verbinding met artikel 125 lid 3 van de Ambtenarenwet) en in één geval van een verdenking van valsheid in geschrift (artikel 225 WvS). Verder is volgens IRS in drie gevallen ook sprake van verdenking dat [appellant] de gedragsprotocollen voor ambtenaren van de gemeente Rotterdam heeft geschonden. 2.5 [appellant] is bijzonder verlof verleend in verband met dit onderzoek en hij is uitgenodigd voor een gesprek hij IRS. Lexence heeft [appellant] bijgestaan. 2.6 Op 3 februari 2010 heeft de Rijksrecherche, die in opdracht van de gemeente Rotterdam onderzoek heeft verricht naar de gedragingen van [appellant], een uitgebreid proces-verbaal van haar onderzoek aan de gemeente afgegeven. Op grond daarvan heeft de gemeente op 11 maart 2010 aan [appellant] kenbaar gemaakt voornemens te zijn over te gaan tot zijn strafontslag wegens vermeend plichtsverzuim. 2.7 Op 31 maart 2010 hebben [appellant] en Lexence overleg gehad. Naar aanleiding van dat overleg heeft [appellant] zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag ingediend bij de gemeente Rotterdam. 2.8 Bij brief van 12 april 2010 heeft de algemeen directeur van dS+V aan [appellant] geschreven: ‘Uw zienswijze van 31 maart 2010 is door mij ontvangen en bestudeerd. lk zie daarin geen aanleiding af te zien van mijn voornemen u bij de Wethouder voor te dragen voor onvoorwaardelijk strafontslag. (...) Een kopie van deze brief zond ik heden aan uw advocaat (...).’ 2.9 Bij besluit van 12 april 2010 is [appellant] geschorst met onmiddellijke ingang onder volledige inhouding van bezoldiging. 2.10 Lexence heeft hij brief van 12 april 2010 aan [appellant] geschreven, voor zover van belang: ‘Met betrekking tot het strafontslag het volgende. De gemeente Rotterdam is van mening dat u zich schuldig hebt gemaakt aan zeer ernstig plichtverzuim. (...) U zou, aldus de gemeente Rotterdam, structureel en stelselmatig de schijn van belangenverstrengeling hebben gewekt. Ook zou u in strijd met de geldende regels nevenwerkzaamheden hebben verricht en diverse geschenken hebben aangenomen. Bovendien zou u zich hebben bevoordeeld ten laste van de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting. (...) Op 14 februari 2006 heeft de gemeente Rotterdam (...) de nevenwerkzaamheden van haar medewerkers geïnventariseerd. Uw werkzaamheden werden (...) acceptabel bevonden, omdat u had aangegeven dat u zich niet meer bezighield met onder andere “het adviseren en begeleiden van (bouwkundige) projecten voor opdrachtgevers (...)”. In het procesverbaal zijn evenwel verschillende nota’s opgenomen waaruit volgens de gemeente Rotterdam volgt dat u ook in 2007 advieswerkzaamheden hebt verricht voor LSI buiten Rotterdam. (...) hebt u bewijsstukken waaruit blijkt dat deze werkzaamheden vóór 14 februari 2006 zijn verricht? In dit kader speelt ook nog het gegeven dat de heer [X], directeur van LSI, voor de aanleg van een brug/steiger bij zijn woonhuis een vergunning heeft aangevraagd bij de gemeente. (...) Uit het dossier volgt dat u als Voorzitter Vergunningen (...) bemoeienissen hebt gehad met deze kwestie. (...) U hebt in deze periode (...) overleg gevoerd met de heer [X] (...) over de benodigde bouwvergunningen. U hebt tijdens dit overleg informatie gegeven ten behoeve van het aanvraagproces. Vervolgens is er een vergunning aangevraagd voor een steiger in plaats van een brug, die uiteindelijk is verleend. Hieruit zou de gemeente kunnen concluderen dat u de heer [X] hebt geadviseerd ten nadele van de deelgemeente (...). De schijn van belangenverstrengeling zou daardoor aanwezig kunnen zijn. (...) Voorts speelt er de aankoop van twee appartementen in het complex “Bergsteijn”. Bij de bouw van dit appartementencomplex bent u als ambtenaar betrokken geweest. Nadat alle vergunningen waren verleend, en u dus geen zakelijke betrokkenheid meer bij het project had, hebt u zich tot de verkoper gewend met de wens twee appartementen te kopen. (...) U hebt bij de onderhandelingen een korting bedongen bij de aankoop van twee appartementen (...). De aankoop is uiteindelijk niet doorgegaan (...). Uw betrokkenheid bij de bouw van dit appartementencomplex als behandelend ambtenaar blijft wel een lastig punt. (...) De Centrale Raad van Beroep liet d.d. 30 november 2006 (...) in het midden of de ambtenaar (...) financieel voordeel had genoten. De gewekte schijn van ontoelaatbare belangenverstrengeling was al voldoende om zeer ernstig plichtsverzuim aan te nemen. Het opgelegde strafontslag was niet onevenredig opgelegd “Gelet op de grote betekenis die om redenen van algemeen belang moet worden gehecht aan de betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van juist ook de ambtenaar die, zoals betrokkene, als tussenschakel tussen de overheid en het bedrijfsleven functioneert.” Met betrekking tot de scriptie-zaak (het kopiëren van stukken op kosten van de gemeente Rotterdam) en de Kenia-zaak (op kosten van een relatie van de gemeente Rotterdam fietsen in Kenia) wordt verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 10 augustus 2006, waarin een ambtenaar zich ten laste van de provincie had bevoordeeld, onder andere doordat hij gebruik had gemaakt van diensten van medewerkers van de Provincie. Daarnaast had diezelfde ambtenaar op kosten van een bedrijf een reis gemaakt (...). Met de onderneming onderhield de ambtenaar vanuit zijn functie een zakelijke relatie. De Raad oordeelde (...) dat er sprake was van een ontoelaatbare belangenverstrengeling (...). Er was daarom sprake van plichtsverzuim. Over het aannemen van geschenken van zakelijke relaties heeft de Raad d.d. 25 november 1999 opgemerkt dat het niet geoorloofd is, ook wanneer geen tegenprestatie wordt verlangd door de “verstrekker”. (...) Van plichtsverzuim is sprake indien komt vast te staan dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Volgens de Centrale Raad van Beroep is hierbij mede van belang of de ambtenaar zich bewust was van het feit dat hij de grenzen van het toelaatbare overschreed. (...) In dit kader wijs ik met name op de zaak Bergsteijn, waar u expliciet aan de projectleider verzoekt niet op de koperslijst te worden genoemd. Hierin zou, onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad, de bestuursrechter een aanwijzing kunnen zien dat u zich bewust bent dat de grens van het toelaatbare is overschreden. In dit kader wordt opgemerkt dat hoe hoger de ladder, hoe hoger de eisen zijn die worden gesteld aan de integriteit van een ambtenaar. (...) Volgens de Raad heeft iedere ambtenaar, en in het bijzonder een hooggeplaatste ambtenaar, zijn eigen verantwoordelijkheden. (...) de Bergstijnzaak en de scriptiezaak kunnen, in samenhang bezien met de schijn die tegen u werkt in het geval van de informatieverstrekking aan de heer [X], wellicht voldoende zijn het strafontslag als niet onevenredig te beoordelen. (...)’ 2.11 Op 1 juli 2010 heeft het College van Burgemeester en Wethouders besloten [appellant] met onmiddellijke ingang te ontslaan wegens ernstig tot zeer ernstig plichtsverzuim (hierna: het ontslagbesluit). Het ontslagbesluit is aan de hand van zeven casus (casus A tot en met G) uitgebreid gemotiveerd en betrekt daarbij de destijds naar voren gebrachte zienswijze en verweren van [appellant]. 2.12 Op 10 augustus 2010 is bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit. 2.13 Op 26 oktober 2010 heeft de Algemene Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam schriftelijk advies uitgebracht aan burgemeester en wethouders. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam heeft het bezwaar van [appellant] tegen het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit ongegrond verklaard. De beschikking op bezwaar is op 25 november 2010 op schrift gezet en geadresseerd aan Lexence. 2.14 [appellant] is niet (tijdig) in beroep gekomen tegen de beschikking op bezwaar van 25 november 2010, waardoor deze onherroepelijk is geworden. 2.15 [appellant] heeft Lexence het verwijt gemaakt dat het niet benutten van de beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter het gevolg is van een beroepsfout van Lexence. [appellant] heeft Lexence in rechte betrokken en schadevergoeding gevorderd. 2.16 [appellant] is bij vonnis van 22 november 2011 van de rechtbank Rotterdam veroordeeld ter zake van, kortweg, ambtelijke omkoping (artikel 362 WvS), meermalen gepleegd. In hoger beroep is [appellant] alsnog hiervan vrijgesproken bij arrest van 10 juli 2013 van het Gerechtshof Den Haag. 2.17 Op 17 oktober 2013 heeft [Y] (hierna: [Y]) op verzoek van (de huidige raadsman van) [appellant] een juridisch advies uitgebracht, inzake de kans van succes in het geval namens [appellant] tijdig beroep zou zijn ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam. De conclusies van [Y] luiden voor zover hier relevant als volgt: ‘Conclusies Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat ik van mening ben dat de heer [appellant] op een aantal essentiële punten er niet in slaagt om hetgeen de werkgever heeft gesteld voldoende te weerspreken. (…) Daar staat tegenover dat het de vraag is of alle voorbeelden die aan het ontslagbesluit ten grondslag zijn gelegd, staande zijn te houden. Zoals uit het bovenstaande blijkt kan [appellant] een aantal verwijten voldoende weerspreken. Maar alles afwegend is mijn conclusie dat de gemeente heeft kunnen constateren dat er sprake was van plichtsverzuim. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk en oneervol ontslag is gelet op het verweten plichtsverzuim en de jurisprudentie van de CRvB waarschijnlijk niet onevenredig te noemen. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de kans op een ongegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing op bezwaar d.d. 25 november 2010 groter is dan dat de argumenten die in te brengen zijn tegen een aantal verwijten er toe zouden leiden dat de gehanteerde zwaarste sanctie als disproportioneel zou worden beschouwd. Met name het feit dat de gemeente wel akkoord is gegaan met nevenwerkzaamheden buiten de gemeente Rotterdam en dat [appellant] zich daar aan heeft gehouden, zou er mogelijkerwijs toe kunnen leiden dat geconcludeerd zou worden dat een andere, minder zware disciplinaire maatregel had moeten worden opgelegd. Als ik een weging van de beroepskansen zou moeten maken, dan acht ik de kans op een gegrondverklaring van een tijdig namens [appellant] ingesteld beroep niet hoger dan 30-40 %.’ 3Beoordeling 3.1 In deze procedure heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Lexence aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit de door Lexence gemaakte beroepsfout, bestaande uit het niet tijdig informeren van [appellant] over het bestaan van en over de inhoud van de beschikking op bezwaar van 25 november 2010, het niet tijdig adviseren van [appellant] omtrent het instellen van beroep en aldus het hem onthouden van de mogelijkheid tijdig beroep in te stellen en eventuele aanvullende rechtsmiddelen aan te wenden tegen de beschikking. Tevens heeft [appellant] gevorderd dat Lexence zal worden veroordeeld tot vergoeding aan [appellant] van de door hem geleden en te lijden schade, op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] goeddeels afgewezen, Lexence slechts veroordeeld tot vergoeding aan [appellant] van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 2.773,47, en de proceskosten van partijen gecompenseerd aldus dat ieder de eigen kosten draagt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Lexence weliswaar een beroepsfout jegens [appellant] heeft begaan, maar dat het causaal verband tussen deze beroepsfout en de door [appellant] gestelde schade niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft het namelijk onvoldoende zeker geacht dat er een reële kans bestond dat het strafontslag na een ingestelde en gevolgde beroepsprocedure zou zijn teruggedraaid. 3.2 Tegen deze gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. Grief I ziet op de overweging van de rechtbank dat uit de relevante jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB ) volgt dat bij plichtsverzuim van een ambtenaar zijn strafontslag niet als onevenredig wordt gezien. Grief II richt zich tegen de oordelen van de rechtbank dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat er na een beroepsprocedure een reële kans bestond dat het strafontslag van [appellant] zou zijn teruggedraaid en dat daarmee het causaal verband niet kan worden vastgesteld tussen de beroepsfout van Lexence en de door [appellant] gestelde schadeposten betreffende inkomstenderving, gemiste pensioenopbouw, gederfde aanspraak op WW en imagoschade. Grief III komt op tegen de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht en de (gedeeltelijke) afwijzing van de gevorderde schadevergoeding. Lexence heeft zich verweerd tegen de grieven van [appellant] en heeft bekrachtiging van de bestreden vonnissen bepleit. 3.3 In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis vermeerderd met een vordering tot vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 1.597,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.