beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.148.609/01 OK en 200.149.858/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 18 september 2014 inzake DE DEELNEMERSRAAD VAN STICHTING PENSIOENFONDS DUPONT NEDERLAND, gevestigd te Dordrecht, VERZOEKER, advocaat: mr. R.M.J.M. de Greef, kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de stichting STICHTING PENSIOENFONDS DUPONT NEDERLAND, gevestigd te Dordrecht, VERWEERSTER, advocaat: mr. S.J. Cammelbeeck, kantoorhoudende te Rotterdam. 1Het verloop van het geding 1.1 In het vervolg zal verzoeker worden aangeduid als de deelnemersraad en verweerster als het pensioenfonds. 1.2 De deelnemersraad heeft bij op 8 mei 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer verstaat, te verklaren dat het pensioenfonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit van 14 maart 2014, voor zover dat betrekking heeft op de vermindering van het aantal bestuurszetels en de samenstelling van het bestuur, en zijn besluit van 21 maart 2014 betreffende het afschaffen van de algemene deelnemersvergadering, alsmede voorts aan het pensioenfonds de verplichting op te leggen voornoemde besluiten geheel of ten dele in te trekken, de gevolgen daarvan ongedaan te maken en een nieuw besluit te nemen met inachtneming van (onder meer) door de deelnemersraad voorgestelde alternatieven. 1.3 De deelnemersraad heeft bij een op 5 juni 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer verstaat, te verklaren dat het pensioenfonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit van 3 juni 2014 tot - samengevat - instelling van een verantwoordingsorgaan, alsmede voorts het pensioenfonds te verplichten dat besluit geheel of ten dele in te trekken, de gevolgen van het besluit ongedaan te maken en een nieuw besluit te nemen. 1.4 Het pensioenfonds heeft bij een op 19 juni 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht de deelnemersraad niet ontvankelijk te verklaren in de in 1.2 en 1.3 vermelde verzoeken, althans die verzoeken af te wijzen. 1.5 De in 1.2 en 1.3 vermelde verzoeken zijn gezamenlijk behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 10 juli 2014. Bij die gelegenheid hebben de advocaten aan de hand van aan de wederpartij en aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitaantekeningen de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. 2De vaststaande feiten 2.1 Het pensioenfonds is een ondernemingspensioenfonds dat sedert 1 januari 1996 de pensioenregeling uitvoert van DuPont de Nemours (Nederland) B.V. (hierna: Dupont) en van aan haar gelieerde ondernemingen. Op 31 december 2013 telde het pensioenfonds 1.105 actieve deelnemers, 1.784 pensioengerechtigden en 1.273 gewezen deelnemers. 2.2 In de statuten van het pensioenfonds (in de statuten aangeduid als: de stichting), zoals deze zijn gewijzigd op 7 juni 2012, is onder meer het volgende bepaald: “ Artikel 4 PENSIOENREGLEMENT Het pensioenreglement regelt de wijze van verkrijging en verlies van de hoedanigheid van deelnemer alsmede de rechten en verplichtingen van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en hun nabestaanden en verder alles wat daarmee in verband staat. Het pensioenreglement wordt opgesteld in overeenstemming met de door de werkgever en de aangesloten ondernemingen gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten, pensioen- en uitvoeringsovereenkomsten en deze statuten. (…) Artikel 6 SAMENSTELLING, TAAK EN WERKWIJZE VAN HET BESTUUR 1. De stichting wordt bestuurd door een bestuur van acht leden. De werkgeversvertegenwoordigers bezetten vier zetels, waaronder de zetel van de voorzitter. De overige vier zetels worden in overeenstemming met de Pensioenwet verdeeld tussen werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden. (…) Artikel 7 DEELNEMERSVERGADERING 1. Jaarlijks wordt een algemene deelnemersvergadering gehouden. (…) Artikel 8 DEELNEMERSRAAD De stichting kent een deelnemersraad, waarin deelnemers en pensioengerechtigden zitting hebben. De deelnemersraad bestaat uit acht leden. (…) De deelnemersraad adviseert het bestuur van de stichting desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden die de stichting betreffen. De deelnemersraad wordt in ieder geval in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door het bestuur voorgenomen besluit tot: (…) b. wijziging van de statuten en reglementen van de stichting; (…) Artikel 9 VERANTWOORDINGSORGAAN 1. De stichting kent een verantwoordingsorgaan bestaande uit drie leden. Het aantal leden wordt gelijk verdeeld over vertegenwoordigers van deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgever. (…) Artikel 14 WIJZIGING VAN DE STATUTEN EN REGLEMENTEN Het bestuur is bevoegd de statuten en reglementen te wijzigen. (…) (…) Indien het pensioenreglement wordt gewijzigd, zullen de op de wijzigingsdatum reeds verworven pensioenaanspraken ten minste worden gehandhaafd, althans voor zover die wijziging niet voortvloeit uit de financiële toestand van de stichting. Voor een wijziging die niet wettelijk verplicht is, is voor zover die wijziging de rechten van de pensioenuitkeringsgerechtigden worden aangetast of gewijzigd, instemming van de meerderheid van de algemene deelnemersvergadering vereist. Besluiten tot tekstuele wijzigingen en wijzi[gi]ngen die geen inbreuk maken op reeds verkregen rechten of die niet een uitbreiding of verzwaring van de verplichtingen van de deelnemers tot gevolg hebben, kunnen door het bestuur genomen worden zonder goedkeuring van de algemene deelnemersvergadering. (…)” 2.3 Het bestuur van het pensioenfonds (hierna: het bestuur) heeft zich ter zake van de (mogelijke) gevolgen van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 302, waarvan de voor de onderhavige zaak relevant te achten bepalingen in werking zijn getreden met ingang van 1 juli 2014, Besluit van 30 juli 2013, Stb. 2013, 330 (hierna: Wet versterking bestuur pensioenfondsen) laten adviseren/begeleiden door het bureau Montae Bestuurscentrum B.V. (hierna: Montae). In een notitie van Montae die is opgesteld na een vergadering van het bestuur van 29 oktober 2013 is onder meer het volgende vermeld: “4.2.2 Taken en bevoegdheden VO nieuwe stijl De taken en bevoegdheden van het Verantwoordingsorgaan nieuwe stijl (hierna: VO nieuwe stijl) zijn een combinatie van die van het huidige Verantwoordingsorgaan en de Deelnemersraad, met dien verstande dat het VO nieuwe stijl beperktere adviesrechten krijgt dan de huidige DNR. Het bestuur wenst bovenwettelijke bevoegdheden toe te kennen aan het VO nieuwe stijl en zal dat statutair vast leggen. Het betreft de navolgende adviesrechten. 1. Wijziging statuten en reglementen (…)” 2.4 Bij brief van 11 november 2013 heeft het bestuur de deelnemersraad verzocht advies uit te brengen over een voorgenomen wijziging van de statuten, inhoudende onder meer het terugbrengen van het aantal bestuursleden van 8 naar 6 en de wijziging van de samenstelling van het bestuur. Artikel 6 van de statuten zou dan als volgt gaan luiden (met onderstreping van de wijziging ten opzichte van de geldende statuten): “Artikel 6, eerste lid Nieuwe tekst: De stichting wordt bestuurd door een bestuur van 6 leden . De werkgevers-vertegenwoordigers bezetten 3 zetels, waaronder de zetel van de voorzitter. De overige 3 zetels worden in overeenstemming met de Pensioenwet verdeeld tussen werknemers-vertegenwoordigers en vertegenwoordigers van pensioengerechtigden. Artikel 6, vijfde lid Nieuwe tekst: De duur van het lidmaatschap van bestuursleden die na inwerkingtreding van deze statuten worden benoemd, is vier jaar. Bestuursleden zijn herbenoembaar. Indien een bestuurslid naar het oordeel van tenminste 4 bestuursleden disfunctioneert, kan het bestuur besluiten dat bestuurslid te ontslaan. Het lidmaatschap van de werkgeversvertegenwoordigers kan te allen tijde door de werkgever worden beëindigd.” 2.5 In zijn vergadering van 17 december 2013 heeft het bestuur het voorgenomen besluit genomen een verantwoordingsorgaan (ook wel verantwoordingsorgaan nieuwe stijl genoemd) in te stellen als bedoeld in art. 115 van de Pensioenwet, als gewijzigd bij de Wet versterking bestuur pensioenfondsen. Dit voornemen en aan het verantwoordingsorgaan toe te kennen bovenwettelijke bevoegdheden zijn besproken in bijeenkomsten van het bestuur en de deelnemersraad van 15 en 22 januari 2014. In de notulen van het overleg van 15 januari 2014 (waarin het verantwoordingsorgaan is aangeduid als VO) is onder meer het volgende vermeld: “[De voorzitter van het bestuur] vervolgt met het aangeven van art. 115a uit de pensioenwet [Ondernemingskamer: als gewijzigd bij de Wet versterking bestuur pensioenfondsen] welke gaat over de taken en bevoegdheden van het (nieuwe) verantwoordingsorgaan. In dit artikel worden de wettelijke bevoegdheden omschreven. Tevens wordt aangegeven dat er verdere bevoegdheden aan het VO nieuwe stijl kunnen worden toegekend. Deze aanvullende bevoegdheden kunnen worden toegekend, verplicht is dit niet. Het bestuur heeft ervoor gekozen een aantal aanvullende adviesrechten aan het nieuwe verantwoordingsorgaan toe te kennen. Dit betreft: - de bevoegdheid tot advies op het jaarverslag en de jaarrekening - wijziging van statuten - premiekorting en terugstorting - het toeslagbeleid - het herstelplan - kortingsmaatregelen Naar het oordeel van het bestuur is de inrichting van het VO nieuwe stijl een geheel nieuwe situatie en wordt dan ook als zodanig behandeld. In de Wet [is] een aantal bevoegdheden opgenomen die naar het oordeel van de wetgever afdoende zijn voor het goed functioneren van het VO. Het bestuur is van mening geweest extra bevoegdheden toe te kennen omdat de maatregelen die hiermee samenhangen direct invloed hebben op de deelnemers, slapers en pensioengerechtigden. Tevens wordt meer recht gedaan aan het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid door het bestuur aan het VO door het toevoegen van het adviesrecht op het jaarverslag en jaarrekening. Het bestuur heeft voor enkele, op dit moment aan de huidige Deelnemersraad toegekende bevoegdheden, gemeend deze niet aan het nieuwe VO toe te kennen. Reglement. Is zaak voor sociale partners. Bestuur stelt aan de hand van pensioenovereenkomst reglement op en toetst dit met de sociale partners. De ABTN [Ondernemingskamer: actuariële bedrijfstechnische nota] is een samenvatting van elders reeds vastgelegde zaken. Maatregelen van algemene strekking. Dit wordt door het bestuur gezien als een “kapstokartikel” en is daarom niet toegevoegd. De voorzitter van de Deelnemersraad (…) geeft aan dat hij, in het kader van de invoering van de beschikbare premieregeling op 01-07-2013, niet begrijpt dat het reglement wordt vastgesteld door de sociale partners. In zijn beeld is het alleen de werkgever geweest die het reglement heeft bepaald. [De voorzitter van het bestuur] geeft aan dat na overleg door de sociale partners, het bestuur het reglement vaststelt aan de hand van de pensioenovereenkomst.” 2.6 In een brief aan de deelnemersraad van 7 februari 2014 heeft het bestuur de adviesaanvraag van 11 november 2013 onder meer als volgt toegelicht: “Gedurende 2011 zag het bestuur van het [pensioenfonds] zich geconfronteerd met verschillende interne- en externe ontwikkelingen die het governance model van het fonds raakten. Dit had te maken met aankomende wijzigingen in wet- en regelgeving rond de governance van pensioenfondsen. Redenen bij het (voorgenomen) besluit om tot verkleining van het bestuur over te gaan waren o.a. interne en externe eisen aan bestuurders (waaronder deskundigheid, competenties, tijdsbesteding en continuïteit), efficiency, effectiviteit en het wervingspotentieel op korte – en lange termijn. (…) Een ander belangrijk criterium is de beschikbaarheid van gekwalificeerde kandidaten (…). De ervaring heeft ons geleerd dat zij moeilijk te vinden zijn. De genoemde mix aan kwalificaties, en de beperkte beschikbaarheid hiervan, heeft het bestuur doen besluiten om over te gaan naar een kleiner, slagvaardiger en effectiever bestuur.” 2.7 Bij een brief van 10 februari 2014 heeft het bestuur aan de deelnemersraad advies gevraagd over het voorgenomen besluit de algemene deelnemersvergadering (hierna ook: ADV) per 1 april 2014 af te schaffen. Onder verwijzing naar de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, heeft het bestuur dit voorgenomen besluit in een bijlage bij voormelde brief onder meer als volgt toegelicht: “Pensioenfondsen zullen een nieuw bestuursmodel moeten kiezen, dan wel de keuze voor hun reeds bestaande bestuursmodel moeten bevestigen. Het (p)ensioenfonds heeft besloten om het paritaire bestuursmodel te handhaven. (…) De medezeggenschap in een paritair bestuursmodel wordt geëffectueerd middels een verantwoordingsorgaan (“VO”) waarin de deelnemers en de pensioengerechtigden naar evenredigheid zijn vertegenwoordigd. Naar keuze kan de werkgever eveneens in het VO worden vertegenwoordigd. (…) Het nieuwe VO krijgt de verantwoordings- en adviestaken van het huidige VO en krijgt ook adviesrecht voor enkele essentiële besluiten die het voortbestaan van het pensioenfonds raken. Deze adviesrechten behoren nu nog toe aan de deelnemersraad, die van rechtswege ophoudt te bestaan. Conclusie De ADV past niet (meer) in het wettelijke kader van de WVB. In de ADV hebben “slechts” de actieven stemrecht, terwijl in het VO nieuwe stijl actieven en gepensioneerden evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen zijn vertegenwoordigd. Het afschaffen van de ADV levert dan ook een stroomlijning van taken en organen op. Indachtig het bovenstaande zijn wij van mening dat de ADV niet meer binnen het huidige wettelijke kader past en derhalve dient te worden afgeschaft.” 2.8 Bij nog een brief van 10 februari 2014 heeft het bestuur de deelnemersraad advies gevraagd over het voorgenomen besluit tot het instellen van een verantwoordingsorgaan nieuwe stijl en het opheffen van de deelnemersraad. 2.9 Bij brief van 13 februari 2014 heeft de deelnemersraad over de adviesaanvraag van 11 november 2013 negatief geadviseerd. In deze brief is onder meer het volgende vermeld: “De deelnemersraad geeft over [het] voorgenomen besluit een negatief advies, omdat door met name het wijzigen van artikel 6, lid 1 gepensioneerden ondervertegenwoordigd zullen zijn in het bestuur. Dit kan leiden tot onevenwichtige belangenbehartiging, hetgeen versterkt wordt door het verdwijnen van de Deelnemersraad in 2014 als medezeggenschapsorgaan en de verminderde bevoegdheden van het Verantwoordingsorgaan Nieuwe Stijl ten opzichte van die van de huidige Deelnemersraad. Uw conclusie ten aanzien van de beschikbaarheid van gekwalificeerde kandidaten die een bestuursfunctie goed kunnen uitvoeren vindt de Deelnemersraad voorbarig. De Deelnemersraad adviseert het bestuur het voorgenomen besluit tot wijziging van artikel 6, leden 1, 5 en 12, in te trekken. Een mogelijk alternatief is de bezetting van de zetels van het bestuur te wijzigen in twee zetels voor de werkgeversvertegenwoordigers, twee voor de werknemersvertegen-woordigers en twee voor de pensioengerechtigden. De laatstgenoemde zetelverdeling wijkt af van de huidige wet, echter een aantal met onze Stichting vergelijkbare Nederlandse pensioenfondsen heeft deze verdeling reeds ingevoerd.” 2.10 Bij brief aan het bestuur van 21 februari 2014 heeft de deelnemersraad negatief over de adviesaanvraag van 10 februari 2014 geadviseerd. 2.11 Bij nog een brief aan het bestuur van 21 februari 2014 heeft de deelnemersraad (ongevraagd) geadviseerd aan het verantwoordingsorgaan nieuwe stijl meer bevoegdheden toe te kennen. 2.12 Bij brief aan de deelnemersraad van 14 maart 2014 heeft het bestuur de adviesaanvraag van 11 november 2013 nader toegelicht, geconcludeerd dat het geen aanleiding ziet terug te komen op het voorgenomen besluit en medegedeeld dat het bestuur op 25 februari 2014 het definitieve besluit tot aanpassing van onder meer artikel 6 van de statuten heeft genomen (hierna ook: Besluit I). 2.13 Bij brief van 21 maart 2014 heeft het bestuur gereageerd op de bezwaren van de deelnemersraad in zijn negatief advies van 21 februari 2014 en laten weten dat het geen reden ziet om terug te komen op het desbetreffende voorgenomen besluit (hierna ook: Besluit II). 2.14 Bij brieven aan de deelnemersraad van 28 maart 2014 heeft het bestuur het ongevraagd advies van de deelnemersraad van 21 februari 2014 afgewezen, de adviesaanvraag van 10 februari 2014 (adviesaanvraag 71) ingetrokken en een nieuwe adviesaanvraag over de instelling van het verantwoordingsorgaan nieuwe stijl in het vooruitzicht gesteld. 2.15 Bij brief van 9 mei 2014 heeft het bestuur de deelnemersraad (opnieuw) advies gevraagd over een voorgenomen besluit een verantwoordingsorgaan (nieuwe stijl) in te stellen. Naar de Ondernemingskamer begrijpt was bij de brief een conceptakte van statutenwijziging gevoegd die onder meer het volgende inhoudt: “Artikel 7 VERANTWOORDINGSORGAAN 7.1 De stichting kent een verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers, pensioengerechtigden en een afvaardiging van de werkgever zitting hebben. Het verantwoordingsorgaan bestaat uit negen leden: (…) 7.9 Naast de wettelijke bevoegdheden als vermeld in artikel 7.8 stelt de stichting het verantwoordingsorgaan in de gelegenheid om eveneens advies uit te brengen over: (…) e. wijziging van de statuten van de stichting; en (…).” 2.16 Bij brief van 28 mei 2014 heeft de deelnemersraad negatief over de adviesaanvraag van 9 mei 2014 geadviseerd. In deze brief (waarin de deelnemersraad is aangeduid als DR en het verantwoordingsorgaan als VO) is onder meer het volgende vermeld: “Motivering [De] DR [heeft] geconcludeerd dat in de combinatie van deze Adviesaanvraag (…) met de eerdere Adviesaanvragen aan de DR over 1) het terugbrengen van het aantal bestuursleden in het fonds en 2) het afschaffen van de Algemene deelnemersvergadering (ADV), de medezeggenschap aanzienlijk zal verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Dat vindt de DR onacceptabel. Op zijn minst zou het zo moeten zijn dat het adviesrecht met betrekking tot het wijzigen van de pensioenreglement(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.