parketnummer: 23-004359-13 datum uitspraak: 19 september 2014 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 september 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-800264-13 tegen [verdachte] , geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, adres:[adres], thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Westlinge BB te Heerhugowaard. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 10 december 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 6545,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde. Bespreking van de verweren De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte is aangehouden naar aanleiding van de belastende verklaringen van de koeriers[getuige 1] en [getuige 2]. Ten aanzien van de verklaringen van[getuige 1] heeft de verdediging aangevoerd dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat de verklaringen onbetrouwbaar zijn nu[getuige 1] op belangrijke punten wisselend heeft verklaard. Uit het dossier blijkt daarnaast niet dat verdachte de cocaïne in de koffer van[getuige 1] heeft gestopt. Voorts heeft[getuige 1] verklaard dat hij verdachte kent. Deze stelling ontkent verdachte en wordt overigens niet ondersteund door het dossier. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2] heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de cocaïne in de koffer heeft gestopt. Uit het dossier blijkt dat andere personen toegang hebben gehad tot de koffer van [getuige 2] vlak voor zijn vertrek. Voorts ontbreekt een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut waaruit zou blijken dat het aangetroffen materiaal in de koffer van [getuige 2] cocaïne bevatte. De M.M.C. test is onvoldoende om vast te stellen dat er daadwerkelijk cocaïne in het pakket zat. Het hof overweegt het volgende. Op 10 december 2012 zijn [getuige 1] en [getuige 2] met dezelfde vlucht vanuit Suriname naar Schiphol gevlogen. Verdachte is eveneens met deze vlucht teruggevlogen naar Nederland. In de bodem van de koffer van zowel[getuige 1] als [getuige 2] werd een pakket met een materiaal met de uiterlijke kenmerken van cocaïne aangetroffen. Het pakket in de koffer van[getuige 1] had een nettogewicht van 3303,2 gram en het pakket in de koffer van [getuige 2] een nettogewicht van 3242,6 gram. Zowel[getuige 1] als [getuige 2] hebben verklaard dat verdachte de persoon is geweest die hun koffer heeft ‘geregeld’. Het hof is het met de verdediging eens dat[getuige 1] op bepaalde punten wisselend heeft verklaard. De verdediging heeft aangevoerd dat om die reden de verklaringen van[getuige 1] in hun geheel als onbetrouwbaar dienen te beschouwd en niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. Het hof trekt deze conclusie evenwel niet en overweegt het volgende.[getuige 1]’s verklaring wordt op een aantal essentiële punten ondersteund door objectieve bewijsmiddelen.[getuige 1] heeft bij de politie op 5 februari 2013 verklaard dat hij verdachte leerde kennen toen zij samen gedetineerd zaten in de P.I. Noordsingel te Rotterdam. Blijkens het proces-verbaal van 3 juni 2013, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], hebben verdachte en[getuige 1] van 1 december 2009 tot 24 maart 2010 op dezelfde afdeling gedetineerd gezeten in de P.I. Noordsingel te Rotterdam, celnummers 131 en 128.[getuige 1] heeft voorts verklaard dat hij verdachte, die hij van een foto heeft herkend (dossier paragraaf B.1.3.), ‘[betrokkene]’ noemde. Uit het proces-verbaal PL27RP/13-009686, d.d. 21 april 2013 blijkt dat bij technisch onderzoek is vastgesteld dat in het telefoonboek van de telefoon van[getuige 1] onder de vermelding ‘[betrokkene]’ het telefoonnummer [telefoonnummer] stond. Vastgesteld is dat tussen het telefoonnummer van[getuige 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer] (op naam van ‘[betrokkene]’) 6 keer contact is geweest. Bij de aanhouding van verdachte in zijn woning zijn in die woning twee telefoons aangetroffen. In één van de aangetroffen telefoons zat een simkaart met daaraan gekoppeld het telefoonnummer [telefoonnummer]. Tussen dit telefoonnummer en het telefoonnummer van[getuige 1] is in de periode van 1 oktober 2012 tot 15 december 2012 92 keer contact geweest. De verdachte heeft - zowel bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep - geen enkele aannemelijke verklaring afgelegd omtrent de reden van bezit van de simkaart die gebruikt is voor het telefonisch contact met[getuige 1]. Het hof acht derhalve de verklaring van[getuige 1] dat hij de verdachte kent, betrouwbaar en gaat er van uit dat beide genoemde nummers in gebruik waren bij verdachte. Volgens[getuige 1] heeft verdachte tegen hem op enig moment gezegd dat hij een ticket moest kopen om naar Suriname te reizen. Blijkens een in het dossier opgenomen kwitantie 201204104 van[bedrijf] heeft[getuige 1] op 15 november 2012 bij[bedrijf] een ticket naar Suriname gekocht.[getuige 1] heeft verklaard dat bij[bedrijf] bleek dat het ticket € 950,- kostte en dat hij vervolgens de verdachte belde opdat deze hem het bedrag zou brengen. Volgens[getuige 1] heeft de verdachte zijn nichtje gestuurd om het geld te brengen. Net na sluitingstijd heeft[getuige 1] het ticket betaald (zie verklaring[getuige 1] dossier paragraaf 1.4). Uit onderzoek is gebleken dat op 15 november 2012, de dag dat[getuige 1] het ticket heeft gekocht, om 17:38 uur, 17:40 uur, 17:46 uur, 17:48, 17:52 uur en 18:27 uur contact is geweest tussen het telefoonnummer van[getuige 1] en het reeds eerder genoemde nummer [telefoonnummer], in gebruik bij de verdachte. Ook op dit punt wordt de verklaring van[getuige 1] derhalve bevestigd. Tevens heeft[getuige 1] vanaf het moment van aanhouding consequent verklaard over de betrokkenheid van verdachte omtrent het verkrijgen van de koffer met cocaïne.[getuige 1] heeft verklaard dat zijn koffer kapot was gegaan bij de heenvlucht. Verdachte zou een nieuwe koffer regelen voor[getuige 1]. Op de dag van vertrek heeft[getuige 1] een nieuwe koffer gekregen en werd hem medegedeeld dat de code 597 was. Het betrof een zwarte Samsonite koffer. De verklaring van[getuige 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het verkrijgen van de koffer komt overeen met de verklaring die [getuige 2] heeft afgelegd omtrent het verkrijgen van de door hem naar Nederland vervoerde koffer. [getuige 2] heeft namelijk verklaard dat hij een paar dagen voor zijn vertrek naar Nederland merkte dat het slot van zijn koffer niet meer dicht kon. Verdachte zou een nieuwe koffer regelen voor [getuige 2]. De dag voor vertrek zag [getuige 2] dat op zijn bed een groene Samsonite koffer lag. Verdachte deelde hem mede dat de code 597 was. Het hof acht gelet op deze overeenkomsten zowel de verklaring van[getuige 1] als van [getuige 2] op dit onderdeel betrouwbaar. Aanvullend hierop heeft [getuige 2] nog verklaard dat hij op verzoek van verdachte naar Suriname is gegaan om te klussen in een woning. [getuige 2] heeft zijn ticket bij[bedrijf] in Rotterdam gekocht, hetzelfde reisbureau waarbij[getuige 1] vijf dagen eerder zijn ticket had gekocht (dossier paragraaf C.1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.