GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 2 zaaknummer : 200.130.267/01 zaaknummer rechtbank : 426815/HA ZA 09-1445 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2014 inzake 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 1] , handelend onder de naam [appellante sub 1], gevestigd te [woonplaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2] , gevestigd te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. J.W. Ebbink te Haarlem, tegen de stichting STICHTING VESTIA (als rechtsopvolgster onder algemene titel van Stichting Gereformeerde Bouwcorporatie voor Bejaarden), gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna respectievelijk [appellante sub 1], [appellante sub 2] (gezamenlijk: [appellanten]) en SGBB genoemd. [appellanten] is bij dagvaarding van 2 april 2013 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2009 en 9 januari 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen SGBB als eiseres en [appellanten] als gedaagden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties. Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 juni 2014 doen bepleiten, SGBB door mr. J.A. van de Hel, advocaat te Amsterdam, en [appellanten] door mr. Ebbink voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. SGBB heeft nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden eindvonnis van 9 januari 2013 zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van SGBB zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten. SGBB heeft geconcludeerd, zakelijk, tot bekrachtiging van het bestreden eindvonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Beoordeling 2.1. Het hof neemt voor de beoordeling van het hoger beroep de volgende feiten tot uitgangspunt. 2.1.1. [appellanten] zijn als volgt gelieerd aan [S] (hierna: [S]). De (voormalige) echtgenote van [S] is bestuurder en enig aandeelhouder van [R] ([R]). [R] is bestuurder en enig aandeelhouder van [appellanten] Zelf is [S] gevolmachtigde van [appellante sub 1]. 2.1.2. [Z] (hierna: [Z]) was in de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2008 bestuurder van SGBB. 2.1.3. [appellante sub 1] heeft in de periode 2005-2010 percelen grond, tussen partijen bekend als Titanialaan te Heerhugowaard, Lageweg te Hoorn, Bilderdijkstraat te Doetinchem en Wiltzanghlaan te Amsterdam, van derden gekocht voor in totaal € 6.745.225,-. 2.1.4. [appellante sub 1] heeft vervolgens met SGBB overeenkomsten gesloten waarbij zij onder meer deze percelen voor in totaal € 14.391.270,- aan SGBB verkocht. De percelen zijn aan SGBB geleverd en SGBB heeft de koopprijs aan [appellante sub 1] voldaan. Het hof tekent hierbij aan dat [appellanten] in grief 2 naar voren hebben gebracht dat [appellante sub 1] weliswaar grond van derden heeft gekocht, maar dat zij veel meer dan grond alleen aan SGBB heeft verkocht. Deze klacht berust op een onjuiste lezing van r.o. 2.3, tweede alinea, van het eindvonnis, waarin immers is vastgesteld dat [appellante sub 1] onder meer de desbetreffende percelen aan SGBB heeft verkocht. Het hof sluit zich bij deze weergave aan. 2.1.5. [appellante sub 2] heeft het perceel grond, tussen partijen bekend als Stationslocatie te Heerhugowaard, gekocht van een derde voor € 675.000,-. Zij heeft vervolgens met SGBB een overeenkomst gesloten waarbij zij onder meer dit perceel voor in totaal € 4.050.000,- aan SGBB verkocht. Ook dit perceel is geleverd en SGBB heeft de koopprijs aan [appellante sub 2] voldaan. In grief 2 hebben [appellanten] opgemerkt dat de overeenkomst is gesloten tussen SGBB en Holland Wonen B.V., van welke vennootschap ook de aanbiedingsbrief afkomstig was, maar voor zover [appellanten] daarmee hebben bedoeld op te komen tegen de vaststelling in het eindvonnis onder 2.4, faalt deze klacht nu het desbetreffende standpunt van [appellanten] – die in eerste aanleg (conclusie van antwoord, p. 76) zelf nog hebben gesteld dat de verkopende partij [appellante sub 2] was - zonder nadere toelichting niet goed verenigbaar is met de considerans van de leveringsakte waarin is vermeld dat de overeenstemming is bereikt tussen SGBB en [appellante sub 2]. 2.1.6. [appellante sub 1] heeft met SGBB overeenkomsten gesloten waarbij [appellante sub 1] zich tegenover SGBB heeft verbonden tegen betaling werkzaamheden te verrichten met het oog op de ontwikkeling van projecten op de hiervoor genoemde percelen (Titanialaan, Lageweg, Bilderdijkstraat, Wiltzanghlaan en Stationslocatie) alsmede op de percelen die tussen partijen bekend zijn als: Colijnhof te Amsterdam, Rijnstaete te Alphen aan de Rijn, Aamsestraat te Elst en Rustenburgstraat te Apeldoorn. SGBB heeft ter zake van “ontwikkelingskosten” in verband met deze overeenkomsten in totaal (volgens de stellingen van [appellanten] in hoger beroep) € 7.727.793,05 aan [appellante sub 1] voldaan. 2.1.7. Naar de gang van zaken in verband met de projecten Titanialaan en Wiltzanghlaan (en Wilhelminalaan te Utrecht) heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgehad. Bij uitspraken van 11 december 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een groot aantal verdachten, onder wie [Z], [S] en [appellante sub 1], veroordeeld. 2.2. In dit geding vordert SGBB: primair een verklaring voor recht dat de overeenkomsten tussen [appellanten] en SGBB (hierna: de transacties) nietig dan wel vernietigbaar zijn waarbij aan deze nietigheid dan wel vernietigbaarheid haar werking dient te worden ontzegd ten aanzien van de grondtransacties onder de verplichting van [appellanten] de overwaarde (zoals door SGBB gedefinieerd) aan SGBB terug te betalen; subsidiair een verklaring voor recht dat de transacties wat betreft de ontwikkelingscomponent en de betaalde overwaarde partieel nietig zijn; meer subsidiair ontbinding van de transacties wat betreft de ontwikkelingscomponent en de overwaarde althans ontbinding van de overeenkomsten met betrekking tot de ontwikkelingscomponent; nog meer subsidiair een verklaring voor recht dat in het kader van de transacties ten aanzien van de ontwikkelingscomponent geen overeenkomst tussen [appellanten] en SGBB tot stand is gekomen; uiterst subsidiair een verklaring voor recht dat uit de transacties voor partijen niet langer verbintenissen voortvloeien met betrekking tot de ontwikkelingscomponent (met instandhouding van de prestaties die tot op heden door partijen zijn verricht in het kader van de uitvoering van de transacties; primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en uiterst subsidiair: a. veroordeling van [appellante sub 1] tot terugbetaling van de door SGBB betaalde overwaarde (ten bedrage van € 7.646.045,-) voor de percelen Titanialaan, Lageweg, Bilderdijkstraat en Wiltzanghlaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van levering van de respectieve percelen; b. veroordeling van [appellante sub 2] tot terugbetaling van de door SGBB betaalde overwaarde (ten bedrage van € 3.375.000,-) voor het perceel Stationslocatie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van levering van het perceel; c. veroordeling van [appellante sub 1] tot terugbetaling van de door SGBB betaalde ontwikkelingskosten ten bedrage van € 9.491.208,-, althans van een door een deskundige dan wel in goede justitie te bepalen deel daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling. 2.3. De rechtbank heeft de vorderingen in die zin toegewezen dat zij de transacties heeft vernietigd en aan deze vernietiging haar werking ten dele heeft ontzegd, namelijk voor wat de grondtransacties betreft, [appellante sub 1] heeft veroordeeld tot betaling aan SGBB van € 7.646.045,-, [appellante sub 2] heeft veroordeeld tot betaling aan SGBB van € 3.375.000,- en [appellante sub 1] heeft veroordeeld tot betaling aan SGBB van € 9.491.208,- (de genoemde bedragen steeds vermeerderd met de wettelijke rente zoals in het dictum nader omschreven). De rechtbank heeft voorts [appellanten] (en Amstel Match) veroordeeld in de proceskosten. 2.4. Hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. Tegen de achtergrond van de stukken uit de strafzaak en de strafvonnissen van de rechtbank Utrecht moeten de stellingen van SGBB bij gebrek aan voldoende onderbouwd verweer als feit worden aangenomen. Die stellingen komen erop neer dat [S] en [Z] doelbewust transacties ten nadele van SGBB zijn aangegaan met het oogmerk om daar in privé aan te verdienen. Hierbij is winst gegenereerd bij [appellante sub 1], welke winst door middel van bedrieglijke facturen en winstuitkeringen terecht zijn gekomen bij [S] en/of [Z] en/of hun echtgenotes, de zuster van [Z] en/of haar partner. Het betoog van [appellanten] dat bepaalde betalingen door [appellante sub 1] aan Ciree B.V. of Ciree Holding B.V. (gelieerd aan de partner van de zuster van [Z]) legitiem zijn omdat deze zijn verricht voor het dragen van ontwikkelingsrisico’s wordt niet gehonoreerd. [appellanten] hebben SGBB tot het verrichten van de transacties bewogen door het opzettelijk verzwijgen van feiten die zij verplicht waren mee te delen, namelijk dat [S] en [Z] in privé aan de transacties zouden verdienen, en door een samenstel van kunstgrepen, namelijk de bedrieglijke facturen en winstuitkeringen als onderdeel van de constructie om gelden aan [S] en [Z] ten goede te laten komen. De transacties zijn daarom vernietigbaar op grond van bedrog. De omstandigheid dat [Z] als bestuurder destijds op de hoogte was van een en ander maakt dat niet anders omdat voor het aangaan van de transacties de goedkeuring was vereist van de Raad van Toezicht van SGBB en aangenomen moet worden dat deze niet op de hoogte is geweest van de verzwegen feiten en de kunstgrepen. De rechtbank heeft aan de vernietiging ten dele haar werking ontzegd. De rechtbank heeft [appellanten] veroordeeld tot terugbetaling van de door SGBB gestelde te veel betaalde bedragen voor de percelen (de overwaarde), € 7.646.045,- ([appellante sub 1]) en € 3.375.000,- ([appellante sub 2]). [appellanten] hebben immers niet concreet toegelicht waaruit de volgens hen bestaande ontwikkelingscomponent in de betaalde koopprijzen bestond. De rechtbank heeft [appellante sub 1] voorts veroordeeld tot terugbetaling van de volgens SGBB door haar betaalde ontwikkelingskosten ad € 9.491.208,- omdat door de vernietiging de rechtsgrond aan die betaling is komen te ontvallen. 2.5. [appellanten] betogen (grieven 3 en 4) dat de vastgoedtransacties moeten worden onderscheiden van de ontwikkelingsovereenkomsten en dat slechts voor de vastgoedtransacties (het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen) de toestemming van de Raad van Toezicht was vereist. Dit verweer faalt. In het licht van de diverse aanbiedingsbrieven, de wederzijdse stellingen van partijen daaromtrent (daaronder uitdrukkelijk begrepen de eigen stellingen van [appellante sub 1] in eerste aanleg) acht het hof onvoldoende betwist dat de voor de verschillende projecten gesloten overeenkomsten telkens de aankoop van appartementsrechten betroffen (met grond/erfpacht), waarbij partijen geen onderscheid hebben gemaakt tussen de ‘grondcomponent’ en de ‘ontwikkelingscomponent’. Ook [appellanten] zelf hebben bij herhaling erkend dat beide componenten onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Terecht heeft de rechtbank onder 2.5 de overeenkomsten dan ook onder één noemer aangeduid (‘de transacties’). Onder deze omstandigheden moet SGBB worden gevolgd in haar standpunt dat voor het aangaan van deze transacties de toestemming van de Raad van Toezicht was vereist. Deze beperking in artikel 7 lid 4 van de statuten in de bevoegdheid van het bestuur vloeit voort uit de wet in de zin van artikel 2:292 lid 3 BW en kan daarom door SGBB worden ingeroepen, zodat de grieven 32 en 33 falen. Eveneens moet als vaststaand worden aangenomen dat SGBB, hoe zeer ook andere functionarissen van SGBB betrokkenheid hebben gehad bij de totstandkoming van de transacties - bij het aangaan hiervan telkens werd vertegenwoordigd door haar bestuurder [Z] (wiens naam en handtekening ook onderaan de aanbiedingsbrieven is geplaatst). 2.6. Met het voorgaande acht het hof de grieven voor zover gericht tegen de weergave door de rechtbank van de tot uitgangspunt genomen feiten (grieven 1 t/m 7, 9 en 10) afdoende besproken. Bij bespreking van de grieven 5, 6 en 7 bestaat onvoldoende belang omdat zij gericht zijn tegen passages in het vonnis die voor beslissing van de zaak niet van belang zijn. Bij bespreking van de grieven 9 en 10 bestaat eveneens onvoldoende belang omdat zij zijn gericht tegen de weergave door de rechtbank van strafvonnissen, terwijl inmiddels door het hof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep van die vonnissen uitspraak is gedaan. 2.7. Wat de door SGBB gestelde rol van [Z] betreft, heeft het hof acht geslagen op het arrest van dit hof van 16 oktober 2012 tussen SGBB en [Z]. In die zaak was de vordering van [Z] aan de orde strekkende tot verklaring voor recht dat SGBB had gehandeld in strijd met de tussen SGBB en [Z] gesloten vaststellingsovereenkomst aangaande de beëindiging van het dienstverband per 31 december 2008 en tot veroordeling van SGBB tot betaling van € 320.000,- aan boetes en het daartegen door SGBB gevoerde verweer dat zij deze overeenkomst op grond van dwaling partieel heeft vernietigd. Het hof heeft dit verweer gehonoreerd en de vorderingen van [Z] afgewezen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat [Z] onvoldoende de door SGBB gestelde feiten had betwist dat hij namens SGBB onroerend goed van [appellante sub 1] heeft aangekocht tegen een te hoge prijs en daarnaast andere betalingen aan deze vennootschap heeft gedaan zonder redelijke grond, dat hij met [S] (en anderen) heeft afgesproken de opbrengsten van deze transacties te verdelen, waarbij hij 45% daarvan zou krijgen en dat hij vennootschappen heeft opgetuigd en valse facturen heeft verzonden om te bewerkstelligen dat het geld (indirect) aan hem werd uitbetaald. Het hof heeft deze daarom tot uitgangspunt genomen. Het hof heeft voorts als vaststaand aangenomen dat SGBB de vaststellingsovereenkomst met [Z] onder een onjuiste voorstelling van zaken is aangegaan, namelijk dat [Z] zich niet persoonlijk had verrijkt. 2.8. Het hof heeft voorts acht geslagen op het arrest van van het hof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2013 tussen [Z] en SGBB. In die zaak oordeelde het hof over de vordering van SGBB strekkende tot verklaring voor recht dat [Z] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling door [Z] in de zin van artikel 2:9 BW. Het hof heeft ten aanzien van de projecten Titanialaan, Wiltzanghlaan en Wilhelminalaan te Utrecht bij gebreke van voldoende gemotiveerde betwisting door [Z] als vaststaand aangenomen dat [Z] niet in het belang van SGBB heeft gehandeld en dat hij door oplichting, valsheid in geschrift en witwassen grote sommen geld van SGBB heeft verkregen, waarbij [Z] dit uit puur eigen financieel gewin heeft gedaan. Het hof heeft vastgesteld dat de [appellanten] deel uitmaakten van het samenwerkingsverband waaraan [Z] deelnam. 2.9. [Z] is, zoals eerder overwogen, bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2013 veroordeeld. In dat arrest heeft het hof overwegingen gewijd aan de oprichting van Ciree B.V. en overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat Ciree B.V. werkzaamheden van enige betekenis heeft verricht noch risico van enige betekenis heeft gelopen, terwijl de door haar van [appellante sub 1] ontvangen vergoedingen wel van aanzienlijke omvang zijn. Het hof heeft buiten redelijke twijfel geacht dat ten minste een zeer aanzienlijk deel van de vergoedingen feitelijk afkomstig zijn van SGBB. Het hof heeft geconcludeerd dat [Z] direct betrokken is geweest bij de oprichting van Ciree B.V. en naast anderen ([A], de zuster van [Z], en haar levenspartner [c]) feitelijk opdracht en/of leiding heeft gegeven aan Ciree B.V. Het hof heeft overwogen dat op de computers in de woningen van [S] en anderen en in een bedrijfspand een verrekenstaat is aangetroffen waarin onder meer een kolom is aangetroffen met de titel “deel Ciree”, dat in de woning van [Z] een (eerdere) uitdraai van deze verrekenstaat is gevonden, waarvan in de kolom met de titel Ciree uiteenlopende bedragen in euro’s zijn opgenomen onder diverse projectnamen. Het hof heeft overwogen dat in de woning van [Z] handgeschreven overzichten zijn aangetroffen, op welke documenten (van de hand van [A]) allerlei bedragen, plaatsnamen, projecten en verwijzingen naar facturen staan geschreven. Op grond van deze verrekenstaat en de handgeschreven notities heeft het hof geconcludeerd dat bepaalde bedragen, afkomstig uit de opbrengsten van diverse projecten, ten goede zouden komen aan Ciree B.V. Het hof heeft voorts geconcludeerd dat de verkregen opbrengsten uit de projecten via het indienen van facturen bij onder andere [appellante sub 1] naar het vermogen van Ciree B.V. zijn gevloeid en vervolgens dat er daadwerkelijk gelden vanuit Ciree B.V. naar [Z] zijn gevloeid. Het hof heeft bewezen geacht dat [Z] en [S] hebben verheimelijkt dat de in het project Wiltzanghlaan te behalen winst en/of opbrengst van [appellante sub 1] uit de koop van de Wiltzanghlaan 90 tussen hen onderling zou worden verdeeld en dat zij hebben verzwegen dat [Z] (via Ciree B.V.) enig geldbedrag zou ontvangen van [appellante sub 1]. Het hof heeft geconcludeerd dat de Raad van Toezicht van SGBB heeft ingestemd met aankoop van Wiltzanghlaan van [appellante sub 1] door SGBB omdat zij niets wist van de door het hof (op p. 11 van het arrest) genoemde punten. In vergelijkbare zin heeft het hof overwogen met betrekking tot de projecten Titanialaan en Wilhelminalaan. Het hof heeft eveneens overwogen dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren en dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van SGBB door middel van oplichting en het verdelen van deze gelden onder verdachten door middel van valsheid in geschrift en witwassen, hetgeen gebeurde in de periode 2005 t/m 2010 volgens een vast patroon. Het hof achtte bewezen dat [Z] en [S] de oprichters van de criminele organisatie zijn. 2.10. Ook [S] is bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2013 veroordeeld. De hiervoor weergegeven overwegingen zijn vrijwel gelijkluidend aan die in de zaak tegen [S]. 2.11. [appellante sub 1] is eveneens bij arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2013 veroordeeld. Het hof verwijst naar de inhoud van dat arrest en volstaat hier met de opmerking dat de overwegingen onder het kopje “Criminele organisatie” vrijwel gelijkluidend zijn aan de hiervoor onder 2.9 in dat verband weergegeven overwegingen. 2.12. SGBB heeft ter toelichting van haar stellingen onder meer verwezen naar de door haar overgelegde stukken uit de strafzaak en naar de uitspraken die in deze strafzaak zijn gedaan. [appellanten] hebben zich erop beroepen dat de stukken uit de strafzaak onrechtmatig zijn verkregen en daarom niet mogen meewerken tot bewijs. Naar het hof begrijpt, gaat het [appellanten] er om dat SGBB het ten onrechte heeft doen voorkomen dat zij ook slachtoffer was van [S] en daarmee de rechtbank bij de behandeling van het bezwaarschrift tegen de beslissing van de officier van justitie tot onthouding van processtukken onjuist heeft voorgelicht. Dit verweer faalt reeds omdat het hof met de rechtbank van oordeel is dat SGBB zichzelf kon beschouwen als benadeelde partij ten opzichte van [S]. Overigens valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang van [appellanten] hierbij in het geding zou kunnen zijn. Daartoe zou in elk geval niet kunnen worden gerekend het belang van [appellanten] dat SGBB verstoken blijft van de mogelijkheid tot kennisneming van de processtukken teneinde haar vordering te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat enige vennootschappen (waaronder [appellante sub 2]) niet als verdachte betrokken zijn geweest in de strafzaak, brengt niet mee dat de processtukken in de strafzaak tegenover die vennootschappen geen rol zouden mogen spelen. De grieven 20 en 21 falen derhalve. 2.13. Anders dan [appellanten] menen, gaat het in dit geding niet om de dwingende bewijskracht van uitspraken in strafzaken en evenmin om enig gezag van gewijsde. Waar het om gaat, is dat uit de hiervoor besproken arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden volgt dat de strafzaak tegen [Z], [S] en [appellante sub 1] zó veel aanwijzingen opleveren betreffende de rol die deze verdachten hebben gespeeld bij, kort gezegd, het gestelde bedrog van SGBB (het verzwijgen dat [Z] en [S] in privé aan de transacties zouden verdienen en de bedrieglijke facturen en winstuitkeringen als onderdeel van de constructie die is gehanteerd om gelden aan [Z] en [S] ten goede te laten komen) dat het op de weg ligt van [appellanten] die aanwijzingen gemotiveerd te weerspreken, bij gebreke waarvan het gestelde bedrog als vaststaand moet worden aangenomen. Hetzelfde geldt voor het arrest van dit hof van 16 oktober 2012 en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2013. De grieven 8 en 11 en 15, voor zover zij klachten bevatten over het voorgaande, zijn daarom vergeefs voorgesteld. 2.14 Anders dan [appellanten] aanvoeren, zijn zij in dit geding alleszins in de gelegenheid geweest te reageren op de stukken uit de strafzaak en de overwegingen van het hof Arnhem-Leeuwarden dienaangaande (in eerste aanleg nog: de rechtbank Utrecht). Voor zover [appellanten] van mening zijn dat zij in eerste aanleg daarin beperkt zijn geweest, geldt dat zij in hoger beroep alsnog de gelegenheid hebben gehad tot zodanige reactie. [appellanten] hebben in de grieven 23 t/m 27 betoogd dat het voor hen niet duidelijk was waartegen zij zich moesten verweren omdat, kort gezegd, SGBB slechts in algemene zin verwees naar de stukken in de strafzaak. Het hof volgt [appellanten] niet in dit betoog. Nadat SGBB in eerste aanleg die stukken in het geding had gebracht, heeft zij vervolgens haar stellingen bij repliek afgestemd op specifieke gedeeltes van de stukken in de strafzaak. Bovendien miskennen [appellanten] dat met de in eerste aanleg overgelegde vonnissen (in hoger beroep: de arresten) in de strafzaak in belangrijke mate ordening is aangebracht in de stukken in de strafzaak en dat het bestreden eindvonnis in belangrijke mate steunt op die in de strafvonnissen aangebrachte ordening. Daarbij is nog van belang dat het zwaartepunt in de loop van het geding meer en meer is komen te liggen op de door SGBB gestelde zelfverrijking door [Z] en [S] (op welke grond de rechtbank de vordering van SGBB heeft toegewezen). In de passages die [appellanten] aanhalen in de grieven 23 t/m 27 leest het hof niet een gemotiveerde betwisting als hiervoor bedoeld, in het bijzonder niet van de zelfverrijking die in de strafzaak bewezen is geoordeeld. Bij dupliek (p. 37) zijn [appellanten] ingegaan op een handgeschreven notitie die is aangetroffen in de woning van [Z]. Zoals hierboven reeds overwogen, heeft ook het hof Arnhem-Leeuwarden reeds vastgesteld dat deze notitie niet van de hand van [Z] is (maar van de hand van diens zuster, [A]). [appellanten] hebben weliswaar de juistheid van de reconstructie in het strafrechtelijk onderzoek van enkele in een excelbestand vermelde bedragen met betrekking tot het project Titanialaan bestreden – naar het oordeel van het hof berust deze reconstructie overigens niet op de in de woning van [Z] aangetroffen handgeschreven notitie -, maar bij deze bestrijding zijn [appellanten] niet ingegaan op de bevindingen in de strafzaak dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.