GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.123.722/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 1311003 DX EXPL 11-424 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 september 2014 inzake [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tevens incidenteel geïntimeerde, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 27 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 28 november 2012, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Dexia als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties; - memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren, primair: dat het beroep op dwaling c.q. bedrog gegrond is en dat de leaseovereenkomsten nietig zijn wegens strijd met artikel 41 Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999); subsidiair: dat Dexia toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] de leaseovereenkomsten te doen aangaan zonder voldoende informatie te verstrekken over de aan die overeenkomsten inherente beleggingstechnische tekortkomingen, door de waarschuwings- en de informatieplicht met betrekking tot de inleg en de restschuld en de financiële positie niet te respecteren, en door artikel 41 NR 1999 te schenden en primair en subsidiair: Dexia zal veroordelen om aan [appellant] te voldoen al hetgeen [appellant] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen, Dexia zal veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede de vorderingen van Dexia alsnog zal afwijzen en Dexia zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter voldoening aan het vonnis aan Dexia heeft betaald, met rente vanaf de dag van betaling. [appellant] heeft in incidenteel appel gevorderd Dexia niet ontvankelijk te verklaren, althans dit te verwerpen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het incidenteel appel. Dexia heeft in principaal en incidenteel appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, de schadevergoedingsplicht van Dexia op grond van het Hofmodel zal bepalen op € 6.967,06, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, met rente en nakosten. [appellant] en Dexia hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.4, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling 3.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (GHAMS:2007:AZ7033; NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt. 3.2 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.2.1 [appellant] is in januari 2001 drie leaseovereenkomst met de naam Profit Effect Vooruitbetaling en twee leaseovereenkomsten met de naam Triple Effect Vooruitbetaling aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia). 3.2.2 Op grond van de vijf leaseovereenkomsten heeft [appellant] bedragen van Dexia geleend. Met die bedragen zijn effecten aangekocht die [appellant] van Dexia heeft geleast. Over de geleende bedragen was [appellant] rente verschuldigd. De vijf leaseovereenkomsten zijn zogenoemde restschuldproducten. 3.2.3 De twee leaseovereenkomsten Triple Effect zijn in januari 2004 geëindigd, ieder met een schuld van € 12.702,37. De drie leaseovereenkomsten Profit Effect zijn in november 2007 geëindigd, twee met een schuld van ieder € 7.741,66 en één met een schuld van € 8.478,82. 3.3 Dexia heeft [appellant] gedagvaard en in conventie gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 15.178,81, alsmede van € 800,- ter zake van buitengerechtelijke kosten, met rente. [appellant] heeft in reconventie gevorderd Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen hij in het kader van de vijf leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, met rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen alsmede Dexia te bevelen om te bewerkstelligen dat een eventuele registratie bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel ongedaan wordt gemaakt, zulks op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in conventie de vordering van Dexia tot een bedrag van € 12.305,09 toegewezen en de vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten afgewezen en in reconventie de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten waarbij de kosten van de procedure in reconventie op nihil zijn gesteld. 3.4 Partijen zijn het erover eens dat uit de toepassing van het hofmodel volgt dat de vijf leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [appellant] legden; zie ook ‘Berekening Aanvaardbaar / Niet-aanvaardbaar’ die Dexia als onderdeel van productie 2 bij memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel in het geding heeft gebracht. Het hof is van oordeel dat uit de gegevens die [appellant] in eerste aanleg in het geding heeft gebracht, ook al volgde dat sprake was van een onaanvaardbaar zware last. Grief III en grief VI in principaal appel slagen. 3.5 De geschilpunten die de overige grieven in principaal appel in onderhavige zaak aan de orde stellen, zijn ook aan het hof voorgelegd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Die punten zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.