GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 13/00611 2 oktober 2014 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] N.V. te [Z], belanghebbende, gemachtigde: mr. J.P. Pichel (Allen & Overy) te Amsterdam, tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/2285 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 10 september 2013 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Blaricum, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 augustus 2011 aan belanghebbende een voorlopige aanslag in de precariobelasting opgelegd voor het tijdvak 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 ten bedrage van € 309.100. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij beschikking, gedagtekend 5 april 2012, het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de voorlopige aanslag gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 10 september 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 16 oktober 2013 en aangevuld bij brief van 12 november 2013. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft op 13 juni 2014 een nader stuk aan het Hof gezonden dat door de griffier in afschrift aan de wederpartij is verstrekt. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2014. Aldaar zijn de zaken van belanghebbende betreffende de precariobelasting 2011 met kenmerken 13/00611 (tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Blaricum) en 13/00612 (tegen de heffingsambtenaar van de gemeente Laren) gezamenlijk behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Alle in de ene zaak ingebrachte stukken gelden tevens als ingebracht in de andere zaak en omgekeerd. 2Feiten Het Hof ziet aanleiding de feiten als volgt vast te stellen. 2.1.1. Belanghebbende exploiteert als ‘netbeheerder’ in de zin van artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en van artikel 2, eerste lid, van de Gaswet, een elektriciteits- en gasnetwerk in onder meer de gemeente Blaricum (hierna: de Gemeente). Zij beheert de onder, op of boven de gemeentegrond aanwezige netten die worden gebruikt voor het transport en de levering van elektriciteit en gas aan huishoudens en bedrijven binnen het grondgebied van de gemeente. De bedrijfsvoering van belanghebbende is voor een groot gedeelte wettelijk gereguleerd. In haar hoedanigheid van netbeheerder is belanghebbende op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet onder meer gehouden zorg te dragen voor de aanleg, het onderhoud en de reparatie van de netwerken en voor de aansluitingen van derden daarop. 2.1.2. Belanghebbende is - al of niet op grond van artikel 10a van de Elektriciteitswet 1998 dan wel artikel 3b van de Gaswet - economisch eigenaar van de desbetreffende netwerken, welke in juridische eigendom toebehoren aan haar twee 100% dochtervennootschappen, [A N.V.] (hierna: [A N.V.]) en [C N.V.] (hierna: [C N.V.]). 2.1.3. In de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet is het begrip ‘economische eigendom’ als volgt gedefinieerd: “het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met uitzondering van het recht op levering, en het gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is”. 2.2. De aandelen van belanghebbende worden alle gehouden door [D] N.V. Het [D]-concern droeg tot 1 juli 2009 de naam ‘[J]’. Het is ontstaan na diverse overnames en juridische fusies, gevolgd door (diverse) naamswijzigingen van de betrokken vennootschappen. De hierna te noemen vennootschappen [N.V. E] (hierna: [N.V. E]),[N.V. F] (hierna: [N.V. F]) en [N.V. G] (hierna: [N.V. G]) zijn uiteindelijk overgenomen door dan wel opgegaan in een of meer tot het [D]-concern behorende vennootschappen. Zowel [A N.V.] (voorheen genaamd: [N.V. H]) als [C N.V.] (voorheen genaamd: [N.V. I]) zijn bij die onderscheiden overnames en fusies betrokken geweest. 2.3.1. In 1931 is de Regeling Elektriciteitswerken 1931 (hierna: de Regeling) gesloten tussen (onder meer) de Gemeente en [N.V. E]. Ten tijde van het aangaan van de Regeling exploiteerde [N.V. E] het elektriciteitsnetwerk in de Gemeente. De Regeling voorziet (in de artikelen 1 tot en met 3) in een concessie voor [N.V. E] om in, op of over (kort gezegd) het gebied van de Gemeente elektriciteitswerken te hebben, zonder dat daarvoor een andere vergoeding verschuldigd is dan een vergoeding van de schade toegebracht aan de werken en eigendommen van de Gemeente, dan wel een vergoeding van kosten en schaden van de Gemeente als gevolg van het gebruik door [N.V. E]. In artikel 7 van de Regeling is onder meer bepaald dat deze van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop de aan de Provincie verleende Rijksconcessie wordt ingetrokken of vervallen verklaard dan wel vervalt, of waarop zij in die zin wordt gewijzigd dat het gebied van de Gemeente aan het concessiegebied van de provincie Noord-Holland wordt onttrokken. 2.3.2. De Gemeente en andere verkopende partijen (alle zijnde gemeenten) hebben op 15 maart 1999 een koop-/verkoopovereenkomst (hierna: de Koopovereenkomst) inzake alle aandelen in het kapitaal van [N.V. F] gesloten met [N.V. G] als koper. Ten tijde van het sluiten van de Koopovereenkomst exploiteerde [N.V. F] het gasnetwerk in de Gemeente. In artikel 11.2 van de Koopovereenkomst is onder meer bepaald, kort gezegd, dat de verkopers gedurende een periode van tien jaar na de levering van de aandelen [N.V. F] het door ieder van hen gevoerde beleid ter zake van de heffing van precariorechten, zoals vastgelegd in Bijlage 8, ongewijzigd zullen voortzetten en dat het [N.V. F], mocht een verkopende partij na afloop van die periode besluiten om alsnog over te gaan tot het heffen van (meer) precario, alsdan vrij zal staan om die lasten door te berekenen in haar tarieven voor het verbruik van elektriciteit en aardgas of in haar algemene tarieven. De genoemde Bijlage 8 bepaalt: “Beleid heffing precario: er wordt door geen van Verkopers precario van [[N.V. F]] geheven”. 2.3.3. Ter uitvoering van bepalingen in de Koopovereenkomst heeft de Gemeente vervolgens, op 24 maart 1999, een infrastructuurovereenkomst (hierna: de Infrastructuur-overeenkomst) gesloten met [N.V. F], welke voorziet in de wijze waarop de infrastructuur ten behoeve van gas- en elektriciteitsdistributie (het Distributienet) in de Gemeente wordt geëxploiteerd. Artikel 1 van de Infrastructuurovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Rechten in verband met de exploitatie van het Distributienet 1.1 De Gemeente verleent hierbij aan [N.V. F] toestemming voor het gebruik maken van gemeentelijke gronden dan wel eigendommen van derden welke een openbare bestemming hebben, voorzover de Gemeente daarvoor op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift vergunning kan verlenen, en voorzover dat gebruik bestaat uit het (doen) aanleggen, onderhouden, in stand houden, verleggen, vervangen, aanbrengen, wijzigen, uitbreiden, exploiteren, herstellen en verwijderen van (onderdelen van) het Distributienet, onder de voorwaarden als vervat in alle ter plaatse toepasselijke voorschriften, opgenomen in relevante wet- en regelgeving, zoals van tijd tot tijd al dan niet gewijzigd van kracht. (…) 1.5 De gemeente verleent [N.V. F] hierbij het recht om onder omstandigheden die [N.V. F] daartoe redelijkerwijs nopen, zonder dat daarvoor ene vergoeding verschuldigd zal zijn, een zakelijk recht te vestigen om in, op of boven de openbare grond (onderdelen van) het Distributienet in eigendom te hebben of te verkrijgen, vervanging, verlegging en uitbreiding van het Distributienet daaronder begrepen. De kosten verbonden met het vestigen van zakelijke rechten zullen alsdan voor rekening van [N.V. F] zijn (…).” In artikel 5.2 is bepaald dat ingeval van gewijzigde wet- en regelgeving (gemeentelijke verordeningen daarvan uitgezonderd) die onverkorte uitvoering van de infrastructuurovereenkomst doorkruist, partijen met elkaar in onderhandeling zullen treden teneinde een gewijzigde overeenkomst te sluiten waarin de afspraken en uitgangspunten zoals in de Infrastructuurovereenkomst vervat, zoveel mogelijk te handhaven. 2.3.4. In geval van tegenstrijdigheid tussen de bepalingen uit de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst hebben de bepalingen van de Koopovereenkomst voorrang (artikel 6.1 Infrastructuurovereenkomst). 2.4. Per 1 juli 2011 is binnen de gemeente Blaricum de Verordening precariobelasting Kabels en Leidingen 2011 (hierna: de Verordening) van kracht geworden. Op basis van de Verordening wordt een precariobelasting geheven ter zake van “het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond (…)” (artikel 2 van de Verordening). 2.5.1. De Gemeente heeft aan belanghebbende in april en juli 2011 opgave verzocht van de lengte van de kabels en leidingen van het gas- en elektriciteitsnetwerk van belanghebbende in de gemeente Blaricum. In haar brief van 12 augustus 2011 aan de Gemeente heeft belanghebbende vermeld dat uit haar geografisch informatiesysteem blijkt dat zij in de gemeente Blaricum 107 kilometer elektriciteitskabels heeft en 74 kilometer gasleidingen. In haar brief heeft belanghebbende erop gewezen dat de bevoegde minister per brief van 30 juni 2011 heeft aangekondigd dat “hij netwerken van nutsvoorzieningen zal vrijstellen van precariobelasting met wellicht een overgangsregeling voor overheden die op 30 juni 2011 al precariobelasting heffen”. Voorts heeft zij in die brief gesteld dat heffing van precariobelasting ter zake van haar elektriciteitsnetwerk is uitgesloten op grond van artikel 1 van de Regeling “zoals overeengekomen tussen onze rechtsvoorganger de [N.V. E] en uw gemeente”, dat het ten tijde van de Koopovereenkomst ter zake van de aandelen [N.V. F] “staande beleid van de verkopende gemeenten” was om met betrekking tot het gasnetwerk geen precariobelasting te heffen en dat zij bezwaar maakt tegen de beleidswijziging. 2.5.2. Volgens een nader schrijven van 23 augustus 2011 van belanghebbende aan de Gemeente is dier “stelling dat elektriciteitsnetweken minimaal eens zo lang zouden moeten zijn als gasnetwerken (…) niet als regel te hanteren. Hoe deze lengtes zich verhouden is van allerlei factoren afhankelijk en daar is geen algemene regel voor. De door ons opgegeven lengtes zijn afkomstig uit ons geografisch informatiesysteem waarin wij onze netwerken vastleggen en bijhouden ten behoeve van onze netbeheer activiteiten. Het feit dat een elektriciteitsnetwerk doorgaans langer is dan een gasnetwerk in hetzelfde gebied wordt veroorzaakt doordat er naast laagspanning vaak ook middenspanning is uitgelegd tot diep in de wijk terwijl bij gas wel lagedruk leidingen liggen maar relatief weinig hoge druk leidingen. Verder is het zo dat er meer objecten zijn aangesloten op elektriciteit dan op gas. Een vaste verhouding tussen het elektriciteit en gasnetwerken is echter niet te geven.” 2.6. Met dagtekening 31 augustus 2011 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag in de precariobelasting opgelegd voor het jaar 2011 (tijdvak 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011) welke is gebaseerd op 199.000 meter elektriciteitsnetwerk en 82.000 meter gasnetwerk. In haar brief van 2 september 2011 heeft de Gemeente toegelicht dat zij niet is uitgegaan van de door belanghebbende opgegeven metrages van de distributienetten omdat “de ervaring (leert) dat de lengte van beide netwerken in een bepaalde verhouding tot elkaar staan. Zo leert de praktijk dat het elektriciteitsnetwerk minimaal eens zo lang is als het gasnetwerk. De door u opgegeven metrages staan niet in die verhouding. Ik heb u verzocht om op uitgebreide wijze inzicht te geven in de wijze waarop u tot deze opgave bent gekomen. Helaas vervalt u hierbij in algemeenheden. Ook uit gegevens van andere gemeenten die precariobelasting heffen van [belanghebbende], blijkt dat er wel degelijk een zekere verhouding tussen deze netwerken bestaat. Ook op basis van toetsing aan lengtes van het wegennet, inwoneraantal en het aantal objecten in die gemeenten, wijken de door u op[ge]geven metrages (vooral die van het elektriciteitsnetwerk) significant af. Ik verzoek u nogmaals de door u opgegeven metrages te controleren op juistheid en zo nodig de mogelijke afwijking te verklaren.” 3Geschil in beroep 3.1. Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de onderhavige voorlopige aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende stelt dat de aanslag moet worden vernietigd, primair omdat deze in strijd is met de Regeling en/of de Koopovereenkomst en/of de Infrastructuurovereenkomst en dat de Gemeente op die grond de bevoegdheid tot heffing van precariobelasting ontbeert, en subsidiair omdat de aanslag is opgelegd in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Meer subsidiair stelt belanghebbende dat de voorlopige aanslag naar willekeurig en onevenredig hoog vastgestelde metrages is opgelegd. In hoger beroep heeft zij niet haar grieven tegen de hoogte van het tarief van de precariobelasting herhaald. 3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting. 4Beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe , voor zover in hoger beroep nog van belang, als volgt overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “1. Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting kabels en leidingen 2011 van de gemeente Blaricum, in werking getreden per 1 juli 2011 (hierna: “de Verordening”) wordt onder de naam precariobelasting een directe belasting geheven ter zake het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Bevoegdheid tot opleggen aanslag 2. Eiseres voert in de eerste plaats tegen de uitspraak op bezwaar aan dat verweerder niet bevoegd is een aanslag precariobelasting op te leggen, omdat dit in strijd is met de tussen de rechtsvoorgangers van eiseres en de gemeente Blaricum geldende overeenkomsten, te weten de Regeling 1931, de Koopovereenkomst [N.V. F] en de Infrastructuurovereenkomst 1999. 3. De rechtbank zal bij de beoordeling van deze stelling er veronderstellenderwijs van uitgaan dat eiseres in de rechten is getreden van [N.V. E] bij de Regeling 1931 en van [N.V. G] bij de Koopovereenkomst [N.V. F] en de Infrastructuurovereenkomst 1999. 4. De rechtbank stelt voorop dat naar de strekking van artikel 228 Gemeentewet precariobelasting alleen kan worden geheven indien de gemeente het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond veroorlooft of toestaat, in die zin dat de gemeente de aanwezigheid van die voorwerpen gedoogt ondanks dat zij rechtens bevoegd is daartegen op te treden als eigenaar van de grond. Wanneer voor een gemeente de civielrechtelijke bevoegdheid ontbreekt om tegen de aanwezigheid van voorwerpen op of onder bepaalde gemeentegrond op te treden, kan er door verweerder geen precariobelasting worden geheven omdat er dan sprake is van een gedoogplicht. Gelet op de stellingen van eiseres moet in dit geval worden beoordeeld of voor de gemeente Blaricum een civielrechtelijke bevoegdheid ontbreekt om op te treden tegen de netwerken van eiseres in haar grond op basis van: a. de Regeling 1931 wat betreft het elektriciteitsnetwerk van eiseres, en b. De Koopovereenkomst [N.V. F] en de Infrastructuurovereenkomst 1999 wat betreft het gasnetwerk van eiseres. De Regeling 1931 5.1. Artikel 7 van de Regeling 1931 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Deze regeling eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop de aan de Provincie verleende Rijksconcessie ingetrokken of vervallen verklaard wordt, dan wel vervalt, of waarop zij in dien zin wordt gewijzigd, dat het gebied der Gemeente aan het concessiegebied der Gemeente wordt onttrokken. (…)” 5.2. Het meest verstrekkende verweer van verweerder is dat aan eiseres geen rechten op grond van de Regeling 1931 toekomen omdat de Regeling 1931 inmiddels van rechtswege geëindigd is. Ter ondersteuning van dit betoog verwijst verweerder onder meer naar een uitspraak van de toenmalige rechtbank Haarlem van 3 maart 2008 (ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0832). Die uitspraak behandelde onder meer de uitleg van een vrijwel gelijkluidende overeenkomst uit 1931 van het [N.V. E] met de gemeente Bennebroek als de Regeling 1931 met onder meer de gemeente Blaricum. Artikel 7 van de overeenkomst met de gemeente Bennebroek was gelijkluidend aan het artikel 7 in de Regeling 1931, zoals hiervoor gedeeltelijk weergegeven. Ook in die uitspraak was aan de orde de vraag of de overeenkomst uit 1931 nog geldig was gelet op het bepaalde in artikel 7. Uit overweging 4.5.4 van die uitspraak wordt het volgende aangehaald: “4.5.4. Artikel 7 van de overeenkomst 1931 en artikel 14 van de overeenkomst 1970 zijn vrijwel gelijkluidend en bepalen - voor zover hier van belang - dat de overeenkomst eindigt op het tijdstip waarop de aan de provincie Noord-Holland verleende rijksconcessie vervalt, vervallen verklaard of ingetrokken wordt. In de Memorie van Toelichting bij de Elektriciteitswet 1989, TK 1985-1986, nr. 3, p. 77 is onder meer het volgende vermeld: "c. de zogenaamde rijksconcessies. Zoals opgemerkt is in par. 2 van deze memorie, zijn rond de eerste wereldoorlog op verzoek van de meeste provinciale energiebedrijven in, concessies verleend door het rijk. Het betrokken bedrijf kreeg het recht in een bepaald gebied elektriciteit op te wekken, te transporteren en te distribueren. Daarbij nam het de verplichting op zich om onder meer de aanleg van elektriciteitswerken, de te hanteren tarieven en andere leveringsvoorwaarden, en de statuten van de vennootschap, ter goedkeuring aan de betrokken minister voor te leggen. Naast het feit dat niet alle produktiebedrijven over een rijksconcessie beschikken en een wettelijke grondslag voor de concessies ontbreekt, bieden deze concessies onvoldoende mogelijkheden om de doeleinden van het wetsvoorstel, reorganisatie van de elektriciteitsproduktiesector en het creëren van de nodige bevoegdheden, te realiseren." Uit deze passage leidt de rechtbank af dat (in ieder geval) met invoering van de Elektriciteitswet 1989 per 8 december 1989 aan de reeds lange tijd geleden verleende rijksconcessies geen betekenis meer kan worden toegekend. Onder deze omstandigheden moet (ook) de aan het H verleende rijksconcessie vervallen worden geacht per 8 december 1989, zodat meergenoemde overeenkomsten met ingang van die datum geëindigd zijn.” 5.3. Evenals de toenmalige rechtbank Haarlem in bovengenoemde uitspraak, is de rechtbank op gelijke gronden van oordeel dat de aan de Provincie verleende rijksconcessie geacht moet worden vervallen te zijn bij de invoering van de Elektriciteitswet 1989 op 8 december 1989, zodat gelet op het bepaalde in artikel 7 van de Regeling 1931, die regeling van rechtswege geëindigd is op die datum. Voor het onderhavige belastingtijdvak in 2011 staat de Regeling 1931 derhalve niet in de weg aan precarioheffing. 5.4 Eiseres heeft nog aangevoerd dat ook indien de Regeling 1931 van rechtswege geëindigd is, de strekking van de Regeling 1931 helder is, te weten dat partijen bij de Regeling 1931 beoogd hebben de heffing van precariobelasting op het elektriciteitsnetwerk uit te sluiten. De rechtbank verwerpt dit betoog. De tekst van de Regeling 1931 is duidelijk over de duur en het einde van de overeenkomst en eiseres heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat partijen bij die overeenkomst een ruimere strekking voor ogen stond dan die uit de tekst blijkt. De Koopovereenkomst [N.V. F] en de Infrastructuurovereenkomst [N.V. F] 6.1.Ter zake het gasnetwerk stelt eiseres dat zij zich kan beroepen op onder meer de tussen de gemeente Blaricum en de rechtsvoorgangers van eiseres in 1999 gesloten Koopovereenkomst [N.V. F] en de Infrastructuurovereenkomst 1999, waarin voor de gemeente een verbod is opgenomen om precariobelasting te heffen van (de rechtsopvolgers van) [N.V. F]. 6.2. In de op 15 maart 1999 gesloten Koopovereenkomst [N.V. F] is in artikel 11.2 bepaald - kort gezegd - dat de verkopers, waaronder de gemeente Blaricum, jegens de koper verklaren dat gedurende 10 jaar na de leveringsdatum geen precariorecht zal worden geheven. Niet in geschil is dat deze termijn ten tijde van het opleggen van de onderhavige aanslagen over 2011 was verstreken. 6.3. Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat partijen bij de Koopovereenkomst [N.V. F] op dit punt reeds een nadere uitwerking van de vrijstelling van precariobelasting hebben gegeven in de Infrastructuurovereenkomst 1999. In artikel 1.1 van de Infrastructuurovereenkomst 1999 is bepaald – kort gezegd - dat de Gemeente aan [N.V. F] toestemming verleent voor het gebruik maken van gemeentelijke gronden voor het aanbrengen en in stand houden van een distributienet voor gas- en elektriciteit. Voorts bepaalt artikel 1.5 van de Infrastructuurovereenkomst 1999: “De gemeente verleent [N.V. F] hierbij het recht om onder omstandigheden die [N.V. F] daartoe redelijkerwijs nopen, zonder dat daarvoor ene vergoeding verschuldigd zal zijn, een zakelijk recht te vestigen om in, op of boven de openbare grond (onderdelen van) het Distributienet in eigendom te hebben of te verkrijgen, vervanging, verlegging en uitbreiding van het Distributienet daaronder begrepen. (…)” Eiseres stelt – samengevat - dat de gemeente door het sluiten van de Infrastructuurovereenkomst 1999 zonder enige limitering in tijd een vrijstelling van precariobelasting voor de netbeheerder is overeengekomen. Eiseres leest deze bepalingen aldus, dat er geen vergoeding verschuldigd zal zijn voor het in eigendom hebben van het gasnetwerk in de gemeente. 6.4.De rechtbank verwerpt deze stelling. Dat [N.V. F] onder omstandigheden terzake van (onderdelen van) het gasnetwerk een zakelijk recht kon vestigen zonder vergoeding, brengt niet zonder meer met zich dat voor de gemeente zonder enige limitering in tijd een gedoogplicht is ontstaan ten aanzien van dit gasnetwerk. Gesteld noch gebleken is dat deze zakelijke rechten daadwerkelijk zijn gevestigd en zo deze wel gevestigd zijn, onder welke voorwaarden. Dat eiseres, zoals zij stelt, eigenaar is van het gasnetwerk brengt op zichzelf voor de gemeente, als eigenaar van de grond, evenmin een gedoogplicht van dit netwerk mee. Zonder nadere toelichting en onderbouwing, die niet is gegeven, kan daarom uit de Infrastructuurovereenkomst 1999 geen gedoogplicht voor de gemeente worden afgeleid. 6.5.Eiseres heeft nog gesteld dat de strekking van de Koopovereenkomst [N.V. F] en de Infrastructuurovereenkomst 1999 is om de heffing van precariobelasting op het gasnetwerk uit te sluiten, zonder limitering in tijd, en dat zij daarom aan deze overeenkomsten het gerechtvaardigd vertrouwen op de vrijstelling kan ontlenen. De rechtbank verwerpt ook dit betoog. De tekst van de Koopovereenkomst [N.V. F] is duidelijk over de beperking van de vrijstelling van precariobelasting voor de duur van 10 jaar en eiseres heeft tegenover de betwisting door verweerder niets aangevoerd waaruit blijkt dat partijen bij die overeenkomst een ruimere strekking voor ogen stond dan die uit de tekst volgt. 6.6 De conclusie uit het voorgaande is dat de Koopovereenkomst [N.V. F] noch de Infrastructuurovereenkomst 1999 in de weg staan aan precarioheffing. Metrages 7.1.Eiseres heeft aanvankelijk gesteld dat uit haar geografisch informatiesysteem bleek dat de lengte van het elektriciteitsnetwerk en het gasnetwerk 107.000 respectievelijk 74.000 meter bedraagt. Bij de aanvulling van de beroepsgronden op 6 juli 2012 heeft eiseres na herberekening deze metrages gewijzigd naar 116.498 respectievelijk 74.830 meter. 7.2.Verweerder heeft gesteld dat hij de schatting van de lengte van de netwerken door eiseres volgt, indien deze redelijk overeenkomen met zijn eigen berekeningen. Naar de mening van verweerder is de opgave van eiseres ten aanzien van de lengte van het gas- en elektriciteitsnetwerk onbetrouwbaar. Uit de door verweerder samengestelde benchmark van netwerken van eiseres in een aantal andere gemeenten, blijkt onder meer dat het elektriciteitsnetwerk doorgaans minstens eens zo lang is als het gasnetwerk. Ook parameters verkregen door de verhouding te meten tussen het wegennet of het waternet en het elektriciteits- en het gasnet, geven aan dat de schattingen van eiseres te laag zijn. Verweerder heeft voorts onweersproken gesteld dat uit gesprekken met eiseres bleek dat wel de hoofdstreng van de netwerken, maar niet de aftakkingen naar de objecten zijn meegenomen in de door eiseres opgegeven metrages, omdat eiseres daar geen zicht op heeft. 7.3.De rechtbank stelt vast dat beide partijen zich bedienen van schattingen over de lengte van het elektriciteitsnetwerk en het gasnetwerk in de gemeente Blaricum, omdat er geen betrouwbare en objectieve meting van deze netwerken voorhanden is. Bij gebreke van exacte meetgegevens is het in de eerste plaats aan verweerder bij het opleggen van de aanslag om een redelijke schatting te maken van de lengte van het netwerk waar de aanslag betrekking op heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder op basis van benchmarkgegevens van de netwerken van vergelijkbare gemeenten, van de lengte van het wegennet en van het waternet gekomen tot een redelijke schatting van de lengte van het elektriciteits- en het gasnetwerk, te weten respectievelijk 199.000 en 82.000 meter. Daartegenover heeft eiseres weliswaar gesteld dat de door haar opgegeven metrages volgen uit haar eigen geografisch informatiesysteem, maar zij heeft deze metrages verder niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. Gevoegd bij de onweersproken gebleven stelling van verweerder dat in de cijfers van eiseres een deel van de vertakkingen van de netwerken niet zijn meegenomen, is de schatting van verweerder onvoldoende bestreden, en gaat de rechtbank derhalve uit van de juistheid van deze schatting. (…) Beginselen van behoorlijk bestuur 9. Eiseres is tot slot van mening dat de bestreden uitspraak genomen is op basis van onzorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering ontbeert. Eiseres baseert deze stellingen met name op haar hiervoor reeds behandelde stellingen omtrent de onbevoegd genomen aanslagen, de schatting van de lengte van de netwerken en hoogte van de precarioheffing. De rechtbank heeft echter in de voorgaande overwegingen deze stellingen verworpen, zodat deze geen grond kunnen vormen voor een eventuele strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. 10. De conclusie uit het voorgaande is dat verweerder bij de bestreden uitspraak op goede gronden het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Het beroep daartegen is ongegrond.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Heffingsbevoegdheid Gemeente: algemeen 5.1.1. Ingevolge artikel 2 van de Verordening wordt precariobelasting geheven “ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond (…)”. 5.1.2. Artikel 3 lid 1 van de Verordening bepaalt dat de belasting wordt geheven van “(…) degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.” In het tweede lid is bepaald dat de desbetreffende vergunninghouder wordt aangemerkt als de belastingplichtige, “tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft”. 5.2. Het Hof stelt in de eerste plaats vast dat belanghebbende in beroep en hoger beroep niet haar, in de bezwaarfase ingenomen, “meer meer subsidiaire” standpunt heeft herhaald dat, voorzover zij zich niet op de Regeling, de Koopovereenkomst en/of de Infrastructuur-overeenkomst zou kunnen beroepen, niet zij, doch [A N.V.]/[C N.V.] als juridisch eigenaar van de netwerken - wier belang alsdan het meest op de voorgrond treedt - als belastingplichtige voor de precariobelasting zou kunnen worden aangemerkt. Daarom zal het Hof bij zijn beoordeling tot uitgangspunt nemen dat (tussen partijen niet in geschil is dat) belanghebbende, als netbeheerder en economisch eigenaar van de kabels en leidingen, op grond van artikel 3 van de Verordening voor de precariobelasting kan worden aangeslagen. Partijen gaan er daarbij kennelijk vanuit dat belanghebbende moet worden aangemerkt als degene ten behoeve van wie de gas- en elektriciteitsnetwerken in de gemeentegrond aanwezig zijn (als bedoeld in het eerste lid) dan wel als de vergunninghouder (bedoeld in het tweede lid van artikel 3). Het Hof sluit zich bij deze opvatting van partijen aan, nu zij geen blijk geeft van een onjuist juridisch uitgangspunt en geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken welke nopen tot de conclusie dat het feitelijke uitgangspunt van partijen onjuist zou zijn. Heffingsbevoegdheid Gemeente: Regeling/Koopovereenkomst/Infrastructuurovereenkomst 5.3. Aan het primaire standpunt van belanghebbende ligt ten grondslag de stelling dat zij op enigerlei wijze is getreden in de onderscheiden rechten van [N.V. E], [N.V. G] en [N.V. F] bij respectievelijk de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst. De Gemeente heeft die stelling gemotiveerd betwist. Anders dan de rechtbank, die veronderstellenderwijs van de juistheid van die stelling is uitgegaan (rov. 3 van haar uitspraak), zal het Hof de juistheid van die stelling beoordelen. 5.4.1. Op grond van hetgeen belanghebbende terzake in de gedingstukken heeft aangevoerd en gelet op de door haar overgelegde documentatie daaromtrent, acht het Hof aannemelijk geworden dier stelling dat, uiteindelijk, [A N.V.] de rechtsopvolger is van [N.V. F] en [N.V. E] en dat, uiteindelijk, [C N.V.] de rechtsopvolger is van [N.V. G]. Voor zover de heffingsambtenaar in hoger beroep die conclusie nog heeft betwist, wordt diens standpunt dan ook verworpen. 5.4.2. Vaststaat derhalve dat belanghebbende, in civiel-juridische zin, niet zelf de rechts-opvolger is van [N.V. E], [N.V. G] of [N.V. F] en dat zij daarom niet rechtstreeks een beroep kan doen op aan de Regeling en/of de Koopovereenkomst en/of de Infrastructuurovereenkomst te ontlenen rechten. Die rechten komen immers toe aan haar dochtervennootschappen [A N.V.] en [C N.V.]. Vaststaat voorts dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten niet (formeel) aan belanghebbende zijn overgedragen. 5.4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de Gemeente niettemin - ook - jegens haar (materieel) aan de bepalingen van de Regeling, de Koopovereenkomst en de Infrastructuurovereenkomst is gebonden en op die grond niet bevoegd is om van belanghebbende precariobelasting te heffen, omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.