beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.149.231/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 1 oktober 2014 inzake [verzoekster] , wonende te [........], VERZOEKSTER, advocaat: mr. P.M. Verwijs, kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NIEUWENDIJK MONUMENTEN B.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER, advocaat: mr. V. Bakker, kantoorhoudende te Amstelveen, e n t e g e n 1 [belanghebbende 1], wonende te [........], BELANGHEBBENDE, advocaat: aanvankelijk mr. A.K. Oostlander-Vos, kantoorhoudende te Haarlem, thans geen, 2 [belanghebbende 2], wonende te [........], MOGELIJK BELANGHEBBENDE, advocaat: mr. V. Bakker, kantoorhoudende te Amstelveen. 1Het verloop van het geding 1.1 Partijen zullen hierna [verzoekster], Nieuwendijk Monumenten, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] worden genoemd. 1.2 [verzoekster] heeft bij op 19 mei 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Nieuwendijk Monumenten over de periode vanaf 2008; ij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [belanghebbende 1] te schorsen als bestuurder van Nieuwendijk Monumenten en het stemrecht op alle aandelen te schorsen, althans een onmiddellijke voorziening te treffen die de Ondernemingskamer passend acht; Nieuwendijk Monumenten te veroordelen in de kosten van de procedure. 1.3 Nieuwendijk Monumenten en [belanghebbende 2] hebben bij op 3 juli 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van de procedure. 1.4 [belanghebbende 1] heeft bij op 3 juli 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen en haar te veroordelen in de werkelijke kosten van de procedure. 1.5 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 24 juli 2014. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten toegelicht, [verzoekster] bij monde van mr. Verwijs voornoemd, Nieuwendijk Monumenten bij monde van mr. Bakker voornoemd, [belanghebbende 1] bij monde van mr. Oostlander-Vos voornoemd en [belanghebbende 2] bij monde van mr. D.P. Joosten, advocaat te Amsterdam. [belanghebbende 2] heeft daarbij zijn verweerschrift aangevuld met het verzoek [verzoekster] te veroordelen in zijn werkelijke kosten voor het voeren van verweer. [verzoekster] heeft aanvullende producties 34 tot en met 36 in het geding gebracht, Nieuwendijk Monumenten aanvullende productie 10 en [belanghebbende 1] aanvullende producties 12 en 13. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord. 1.6 Mr. Oostlander-Vos heeft zich bij op 20 augustus 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen brief onttrokken als advocaat van [belanghebbende 1]. 2De feiten 2.1 [verzoekster] en [belanghebbende 1] zijn op 28 januari 1988 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 4 augustus 2004 is hun echtscheiding uitgesproken en deze is op 24 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.2 Nieuwendijk Monumenten is op 30 januari 2004 door [belanghebbende 1] opgericht en hij verwierf toen alle geplaatste aandelen. De aandelen vielen in de huwelijksgemeenschap en maakten daarvan ook nog deel uit toen deze op 24 augustus 2004 door de echtscheiding werd ontbonden. [belanghebbende 1] is sinds 30 januari 2004 enig bestuurder van Nieuwendijk Monumenten. Op 30 januari 2004 heeft Nieuwendijk Monumenten de onroerende zaak aan de [R] (hierna: de onroerende zaak) verworven tegen betaling van € 885.000. 2.3 Op de begane grond van de onroerende zaak hebben [belanghebbende 1] en [verzoekster] in de vorm van een vennootschap onder firma een café-restaurant onder de naam De Passage gedreven. [belanghebbende 1] heeft op 15 november 2004 de vennootschap onder firma opgezegd en de onderneming als eenmanszaak voortgezet. 2.4 In 2008 heeft [belanghebbende 1] alle aandelen in Nieuwendijk Monumenten zonder toestemming van [verzoekster] verkocht en geleverd aan [belanghebbende 2], een zoon van zijn broer [S], tegen een koopsom van € 21.859. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij tussenvonnis van 20 november 2013 (in een procedure waarin onder meer [verzoekster], [belanghebbende 1], Nieuwendijk Monumenten en [belanghebbende 2] partij zijn) geoordeeld dat [belanghebbende 1] ingevolge artikel 3:190 BW niet bevoegd was over de aandelen te beschikken en dat de overdracht van de aandelen aan [belanghebbende 2] daarom nietig is. 2.5 Bij schriftelijke overeenkomst van 1 januari 2012 heeft Nieuwendijk Monumenten woonruimte gelegen op de tweede en derde verdieping van de onroerende zaak verhuurd aan Residence Amsterdam B.V. (hierna: Residence Amsterdam), een vennootschap die nog niet was opgericht, ten behoeve van de exploitatie van een bed-and-breakfastbedrijf, tegen een huurprijs van € 48.000 per jaar (exclusief btw). De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2012, welke periode, behoudens opzegging, zal worden verlengd met een tweede termijn van vijf jaar met ingang van 31 december 2016. Residence Amsterdam is nadien, op 26 september 2012, opgericht en [belanghebbende 1] is enig bestuurder van Residence Amsterdam. 2.6 Bij schriftelijke huurovereenkomst van 12 juni 2012 heeft Nieuwendijk Monumenten de begane grond en de kelder alsmede een gedeelte van de eerste verdieping van de onroerende zaak verhuurd aan de commanditaire vennootschap Restaurant De Passage C.V. (hierna: De Passage C.V.) tegen een huurprijs van € 111.000 per jaar (exclusief btw). De Passage C.V. is op 5 mei 2009 opgericht en [T] (hierna: [T]) is sinds 1 november 2010 de enig beherend vennoot van De Passage C.V. 2.7 Bij vonnis in kort geding van 5 juli 2012 is Nieuwendijk Monumenten op vordering van KPN B.V. veroordeeld tot nakoming van een met KPN B.V. gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de kelder en de begane grond van de onroerende zaak op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 500.000. 2.8 Bij brief van 1 maart 2013 heeft [T] namens De Passage C.V. de huur van de onroerende zaak opgezegd tegen 31 mei 2013. Deze opzeggingsbrief is op dezelfde datum namens Nieuwendijk Monumenten voor akkoord ondertekend. 2.9 Bij schriftelijke overeenkomst van 7 maart 2013 is tussen Nieuwendijk Monumenten en Residence Amsterdam (beide vertegenwoordigd door [belanghebbende 1]) overeengekomen dat, in verband met de in 2.11 te noemen verkoop van de onroerende zaak, de tussen hen bestaande huurovereenkomst zal eindigen per 31 mei 2013 tegen betaling door Nieuwendijk Monumenten van een schadeloosstelling van € 1.000.000 “ter compensatie van te derven winst en de te lijden verliezen wegens de noodzakelijke beëindiging van de bedrijfsvoering.” Bij aanvullende overeenkomst, ook van 7 maart 2013, heeft Nieuwendijk Monumenten zich jegens Residence Amsterdam verplicht tot betaling van een boete van € 10.000 per dag voor iedere dag dat de beëindigingvergoeding niet is betaald na de dag van de levering van de onroerende zaak aan de koper. 2.10 Bij schriftelijke overeenkomst van 7 maart 2013 is tussen Nieuwendijk Monumenten en De Passage C.V. overeengekomen dat, in verband met de in 2.11 te noemen verkoop van de onroerende zaak, de tussen hen bestaande huurovereenkomst zal eindigen per 31 mei 2013 tegen betaling door Nieuwendijk Monumenten van een schadeloosstelling van € 600.000 “ter compensatie van te derven winst en de te lijden verliezen wegens de noodzakelijke beëindiging van de bedrijfsvoering.” Bij aanvullende overeenkomst, ook van 7 maart 2013, heeft Nieuwendijk Monumenten zich jegens De Passage C.V. verplicht tot betaling van een boete van € 10.000 per dag voor iedere dag dat de beëindigingvergoeding niet is betaald na de dag van de levering van de onroerende zaak aan de koper. 2.11 Bij overeenkomst van 12 maart 2013 heeft Nieuwendijk Monumenten de onroerende zaak verkocht aan Bava Winkelbeleggingen B.V. (hierna: Bava) tegen een totale koopprijs van € 4.785.000. De koopprijs is volgens de koopovereenkomst als volgt vastgesteld: € 2.750.000 voor de onroerende zaak € 1.600.000 voor de uitkoop van de zittende huurders; € 400.000 voor de ontbinding van het huurcontract met KPN € 35.000 ter compensatie van inkomstenderving. 2.12 Bij overeenkomst van 12 maart 2013 heeft Nieuwendijk Monumenten haar vordering op Bava (tot betaling van de koopsom) verpand aan Residence Amsterdam en bij overeenkomst van dezelfde datum heeft De Passage C.V. haar vorderingen op Nieuwendijk Monumenten uit hoofde van de onder 2.10 genoemde beëindigingsovereenkomst en de aanvullende boete- overeenkomst overgedragen aan Residence Amsterdam. 2.13 Een door [T] op 16 mei 2013 ondertekende verklaring houdt onder meer in: “De Passage gaat vanaf 1-6-2013 haar deuren dichtmaken wegens schulden.” 2.14 De onroerende zaak is op 3 juni 2013 (de overeengekomen leveringsdatum) aan Bava geleverd waarbij, als uitvloeisel van een door [verzoekster] gelegd conservatoir beslag, een gedeelte van de koopsom ter grootte van € 2.977.000 in depot bij de notaris is gebleven. 2.15 Bij verstekvonnis van 30 oktober 2013 van de kantonrechter te Almere is Nieuwendijk Monumenten veroordeeld tot betaling aan [belanghebbende 1] van zijn brutoloon van € 2.550 per maand vanaf 1 september 2013 vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. 2.16 Bij vonnis van 5 november 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland (in een procedure waarin [verzoekster] als tussenkomende partij is toegelaten) een vordering van Residence Amsterdam kort gezegd strekkende tot veroordeling van de notaris tot betaling ten laste van het onder 2.14 genoemde depot aan Residence Amsterdam van € 1.600.000 te vermeerderen met rente en een boete € 20.000 per dag vanaf 18 juni 2013, afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen: dat Residence Amsterdam tegenover de gemotiveerde betwisting door [verzoekster] onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat zij tot medio 2013 in de onroerende zaak een bed-and-breakfastbedrijf heeft geëxploiteerd en dat de toegekende beëindigingvergoeding redelijk is; dat Residence Amsterdam geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat met De Passage C.V. een aanzienlijke beëindigingvergoeding is overeengekomen, terwijl dit restaurantbedrijf al eerder en uit eigen beweging zonder enige vergoeding te bedingen de huurovereenkomst met goedvinden van Nieuwendijk Monumenten had beëindigd; dat aannemelijk is dat de huurbeëindigingsovereenkomsten schijnovereenkomsten zijn, slechts opgezet met het oogmerk de verkoopopbrengst van de onroerende zaak buiten bereik van [verzoekster] te brengen. Residence Amsterdam heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 8 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 5 november 2013 bekrachtigd en daartoe kort gezegd overwogen dat de notaris redelijkerwijs kon weigeren te voldoen aan de vordering van Residence Amsterdam in de gegeven omstandigheden, waaronder de oordelen van de rechtbank Midden-Nederland dat de aandelen tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren en dat het onderzoek door een deskundige ter vaststelling van de waarde van de aandelen mede betrekking zal hebben op het zakelijk karakter van de door Nieuwendijk met De Passage C.V. en Residence Amsterdam overeengekomen beëindigingvergoedingen en het restitutierisico. 2.17 Op 8 november 2013 heeft Nieuwendijk Monumenten de aan haar in eigendom toebehorende woning aan de [Q] (hierna: de woning), welke woning wordt bewoond door [belanghebbende 1], voor een koopsom van € 480.000 verkocht aan [S], de broer van [belanghebbende 1], tevens de vader van [belanghebbende 2]. Tussen Nieuwendijk Monumenten en [S] is overeengekomen dat de verplichting van laatstgenoemde tot betaling van de koopsom zal worden omgezet in een overeenkomst van geldlening. Op 5 mei 2014 heeft de betrokken notaris aan [belanghebbende 1] bericht dat hij naar aanleiding van door hem ontvangen informatie met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [belanghebbende 1] en [verzoekster] niet zal meewerken aan de eigendomsoverdracht van het woonhuis en de omzetting van de koopsom in een geldlening tussen Nieuwendijk Monumenten en de koper. 2.18 Bij vonnis van 16 juli 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland in de onder 2.4 genoemde procedure G.J.J. Briggeman Mcs RV te Zwartewaal tot deskundige benoemd en een deskundigenonderzoek bevolen naar – voor zover thans van belang – de volgende vragen: “(…) - wat is, op het moment van uw waardering, de liquidatiewaarde en de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Nieuwendijk Monumenten (…)? - wilt u bij uw waardering abstraheren van de door Nieuwendijk Monumenten aan Residence Amsterdam verschuldigde uitkoopsom, en/of tussen [[belanghebbende 1]] en Nieuwendijk Monumenten geldende voorwaarden met betrekking tot de door laatstgenoemde aan [[belanghebbende 1]] verhuurde woning te [........], en/of het door [[belanghebbende 1]] sinds juni 2013 ten laste van Nieuwendijk Monumenten genoten salaris, voor zover deze naar uw oordeel in de hiervoor in 2.9-10 respectievelijk 2.15 bedoelde zin niet zakelijk zijn en/of geen zakelijke grondslag hebben? (…)”. In dit vonnis heeft de rechtbank Midden-Nederland onder meer overwogen: “2.9 (…) Gegeven dat de uitkoopsom werd overeengekomen [tussen Nieuwendijk Monumenten en Residence Amsterdam, toev. Ondernemingskamer], (...) toen [[verzoekster]] in de onderhavige procedure reeds om nietigverklaring van de aandelenoverdracht en verdeling van de aandelen had gevraagd, terwijl op dat moment bovendien zowel Nieuwendijk Monumenten als Residence Amsterdam werd vertegenwoordigd door [[belanghebbende 1]] zelf, kan als vaststaand worden aangenomen dat de transactie in een context van belangenverstrengeling is gesloten. Waarom het gaat is of dan wel in hoeverre de voorwaarden van de transactie niettemin zakelijk waren, met andere woorden, of dan wel in hoeverre partijen die wel at arm’s length van elkaar stonden, in dezelfde situatie deze afkoopsom met elkaar zouden zijn overeengekomen. 2.10 De deskundige dient voorts antwoord te geven op de vraag of, zo er naar haar oordeel grondslag was voor enige – in voormelde zin: zakelijke – uitkoopsom ten gunste van Residence Amsterdam, die grondslag zelf op at arm’s length-basis is gecreëerd. Het gaat hierbij om de vraag of voorafgaande aan de uitkoop wel een huur-of andere overeenkomst tussen Residence Amsterdam en Nieuwendijk Monumenten bestond die grondslag kon geven aan enige afkoopsom, en zo ja sinds wanneer, en in dat geval: of een redelijk handelend bestuurder van Nieuwendijk Monumenten, die at arm’s length stond van Residence Amsterdam, in diezelfde omstandigheden ook zodanige overeenkomst met Residence Amsterdam (of een vergelijkbare overeenkomst) zou hebben gesloten (…). In haar waardering dient de deskundige te abstraheren van de lasten voor Nieuwendijk Monumenten, die naar haar oordeel in voormelde zin (2.9-10) niet zakelijk zijn. 2.11 (…) [ [belanghebbende 1]] heeft in zijn processtukken en berekeningen in onderhavige procedure op geen enkele wijze het standpunt ingenomen dat Nieuwendijk Monumenten naast de afkoopsom nog boete verschuldigd is of zal worden. Tussen partijen staat klaarblijkelijk vast dat die (slechts door [[verzoekster]] vermelde) boetes niet bij de waardering behoeven te worden betrokken. De deskundige dient daarvan aldus ook te abstraheren. 2.12 De rechtbank is in het tussenvonnis niet ingegaan op de stelling van [[verzoekster]] dat er bij de waardering van de aandelen Nieuwendijk Monumenten reeds geen reden is om rekening te houden met de tussen Nieuwendijk Monumenten en [De Passage C.V.] overeengekomen afkoopsom (van € 600.000,00) omdat de CV de huur reeds onvoorwaardelijk had opgezegd vóórdat die afkoopsom – volgens [[verzoekster]]: zogenaamd – werd overeengekomen. De rechtbank zal [[belanghebbende 1]] nog gelegenheid geven om hierop bij akte te reageren. Nadien zal de rechtbank nog beslissen of de deskundige moet worden gevraagd om bij haar waardering zonder meer geheel te abstraheren van deze afkoopsom, dan wel een beoordeling te geven overeenkomstig het hiervoor in 2.9-10 overwogen, maar dan met betrekking tot de CV.” 3De gronden van de beslissing Is [belanghebbende 2] belanghebbende? 3.1 [verzoekster] heeft aangevoerd dat [belanghebbende 2] in deze procedure geen belanghebbende is en heeft zich verzet tegen toelating van [belanghebbende 2] als belanghebbende. 3.2 [belanghebbende 2] heeft naar voren gebracht dat de oprichting van Nieuwendijk Monumenten en de verwerving door deze van de onroerende zaak mede door door hem verstrekte geldleningen zijn gefinancierd en dat hij uit hoofde van deze geldleningen recht heeft op een gedeelte van de winst van Nieuwendijk Monumenten. Daarom dient hij in deze procedure als belanghebbende te worden aangemerkt, aldus [belanghebbende 2]. 3.3 De Ondernemingskamer overweegt als volgt. [belanghebbende 2] heeft niet aangevoerd dat het in 2.4 vermelde oordeel van de rechtbank Midden-Nederland onjuist is en pretendeert niet aandeelhouder van Nieuwendijk Monumenten te zijn. Voorts heeft [belanghebbende 2], ook in reactie op daarop gerichte vragen van de Ondernemingskamer ter zitting, het door hem gestelde winstrecht op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, zodat de Ondernemingskamer aan die stelling voorbij gaat. Voor zover [belanghebbende 2] uit hoofde van door hem verstrekte geldleningen schuldeiser van Nieuwendijk Monumenten zou zijn (hetgeen [verzoekster] betwist), kwalificeert die enkele hoedanigheid [belanghebbende 2] niet als belanghebbende in onderhavige procedure. [belanghebbende 2] heeft niet toegelicht waarom hij niettemin als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt. De Ondernemingskamer merkt [belanghebbende 2] dan ook niet als belanghebbende aan en gaat voorbij aan hetgeen door hem voor het overige is gesteld. De ontvankelijkheid van [verzoekster] 3.4 Nieuwendijk en [belanghebbende 1] hebben betoogd dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat zij niet behoort tot de in artikel 2:346 BW afgebakende kring van (rechts)personen die bevoegd zijn een dergelijk verzoek in te dienen. 3.5 De Ondernemingskamer verwerpt dit verweer. [belanghebbende 1] heeft niet bestreden dat, in overeenstemming met het onder 2.4 genoemde oordeel van de rechtbank Midden-Nederland, de aandelen in Nieuwendijk Monumenten behoren tot de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap van [verzoekster] en [belanghebbende 1]. [verzoekster] dient voor haar onverdeelde helft in die gemeenschap te worden aangemerkt als economisch gerechtigde tot de aandelen in Nieuwendijk Monumenten. De strekking van het enquêterecht brengt mee dat zij de daardoor aan haar als verschaffer van risicodragend kapitaal verleende bescherming kan inroepen en met de in art. 2:346, aanhef en onder b, BW bedoelde aandeelhouders kan worden gelijkgesteld (vgl. HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6077). Dit leidt tot het oordeel dat [verzoekster] bevoegd is het enquêteverzoek te doen. Anders dan Nieuwendijk Monumenten nog heeft aangevoerd is niet van belang aan wie van beide ex-echtgenoten de aandelen uiteindelijk zullen worden toegescheiden. 3.6 Daarnaast heeft [belanghebbende 1] als grond voor niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] naar voren gebracht dat zij niet alvorens het verzoek in te dienen, haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken kenbaar heeft gemaakt op de wijze als vermeld in artikel 2:349 lid 1 BW. Daardoor is niet alleen hij, maar ook Nieuwendijk Monumenten, overvallen door het enquêteverzoek, aldus [belanghebbende 1]. 3.7 Het hof verwerpt dit verweer omdat het slechts toekomt aan de rechtspersoon waartegen het verzoek is gericht, te weten Nieuwendijk Monumenten, en Nieuwendijk Monumenten dit verweer niet heeft gevoerd. Bespreking van de aangevoerde gronden 3.8 [verzoekster] heeft aan haar stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid van Nieuwendijk Monumenten en dat onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen, ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat door Nieuwendijk Monumenten rechtshandelingen zijn verricht die strijdig zijn met haar vennootschappelijk belang en er op gericht zijn het vermogen van Nieuwendijk Monumenten over te hevelen naar [belanghebbende 1], diens familieleden en/of aan [belanghebbende 1] gerelateerde ondernemingen. [verzoekster] heeft in dit verband in het bijzonder gewezen op de in 2.9 en 2.10 genoemde huurbeëindigingsovereenkomsten, die zij aanduidt als schijnconstructies, en op de in 2.17 genoemde verkoop van de woning. [verzoekster] heeft voorts aangevoerd dat Nieuwenhuis Monumenten haar jaarrekeningen over 2010, 2012 en 2013 ten onrechte niet heeft gedeponeerd. 3.9 Nieuwendijk Monumenten en [belanghebbende 1] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal die verweren hieronder waar nodig bespreken. 3.10 De Ondernemingskamer constateert dat [belanghebbende 1] bij het sluiten van de hierboven in 2.9 genoemde overeenkomst tot huurbeëindiging tussen Nieuwendijk Monumenten en Residence Amsterdam beide contractspartijen vertegenwoordigde (aan de zijde van Nieuwendijk Monumenten als gemachtigde van [belanghebbende 2], terwijl [belanghebbende 1] zelf altijd bestuurder is gebleven van Nieuwendijk Monumenten). In aanmerking genomen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.