parketnummer: 23-001542-13 datum uitspraak: 30 juni 2014 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-058168-12 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg ter terechtzitting van 14 maart 2013 door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd: dat hij op of omstreeks 25 september 2011 te Monnickendam, gemeente Waterland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (krachtig) met zijn (tot vuist gebalde) hand in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, (waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) heeft geschopt/getrapt tegen het hoofd, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken kaak en/of gehoorschade), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande: dat hij op 25 september 2011 te Monnickendam, gemeente Waterland, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], krachtig met zijn tot vuist gebalde hand in het gezicht heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en gehoorschade heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Nu het hof het ten laste gelegde door de verdachte schoppen/trappen tegen het hoofd van [slachtoffer] niet bewezen heeft verklaard, behoeft het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer geen bespreking. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte na bewezenverklaring van het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, waarvan 40 uren voorwaardelijk, bij niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade toegewezen tot het bedrag van € 7.008,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij [slachtoffer] is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot het bedrag van € 8.008,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en gevorderd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [slachtoffer] in het overige deel van de vordering. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van slachtoffer [slachtoffer]. Door zijn handelen heeft de verdachte zwaar lichamelijk letsel en pijn bij het slachtoffer veroorzaakt en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Het slachtoffer heeft een gebroken kaak en gehoorschade opgelopen. Het delict behoort, doordat het op een voor het publiek toegankelijke plaats heeft plaatsgevonden, tot een categorie strafbare feiten die inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 juni 2014 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf is met name bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst op dergelijke wijze te handelen. Beslissing omtrent een (voorwaardelijk) verzoek De advocaat-generaal heeft bij requisitoir het hof (voorwaardelijk) verzocht om de verdere behandeling van de strafzaak aan te houden, teneinde de getuige [getuige] ter terechtzitting te doen horen met betrekking tot het op de tenlastelegging vermelde door de verdachte schoppen/trappen tegen het hoofd van [slachtoffer]. Het hof acht het niet noodzakelijk de getuige [getuige] ter terechtzitting te doen horen met betrekking tot het op de tenlastelegging vermelde door de verdachte schoppen/trappen tegen het hoofd van [slachtoffer], nu de verklaringen van de verscheidene getuigen niet eenduidig zijn en het hof zich reeds voldoende voorgelicht acht. Derhalve wijst het hof het (voorwaardelijke) verzoek af. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.308,61 (€ 2.008,61 aan materiële schade en € 7.300,- aan immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.008,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.