GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 13/00376 11 september 2014 uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X], te [Z], belanghebbende, gemachtigde: mr. A.W. Scholtens (Anker Rechtshulp B.V.) te Groningen tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/4472 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 29 februari 2012 de waarde van de onroerende zaak [a-laan 1] te [Z] (hierna ook: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2011 vastgesteld op € 283.000 (hierna: de WOZ-waarde), bij een op de voet van artikel [a-laan 1] van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de wet WOZ) genomen beschikking voor het kalenderjaar 2012. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2012 bekend gemaakt. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 10 augustus 2012, de waardebeschikking en de aanslag gehandhaafd. 1.3. Bij uitspraak van 13 mei 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 juni 2013. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Op 3 juli 2014 heeft het Hof nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de heffingsambtenaar. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende als eiser wordt aangeduid en de heffingsambtenaar als verweerder, de volgende feiten opgenomen. “ Eiser is eigenaar en bewoner van de woning. De woning is een huis in een rij met een opbouw en een berging. De oppervlakte van het perceel is 135 m² en de inhoud van de woning is ongeveer 419 m³.” 2.2. Nu partijen daartegen geen bezwaren hebben geuit, gaat het Hof ook van die feiten uit. 3Geschil in hoger beroep Evenals bij de rechtbank is in geschil of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning per 1 januari 2011 - € 283.000 - overeenkomt met, dan wel niet hoger is dan de ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaalde waarde. Belanghebbende is van mening dat de waarde van de woning niet meer bedraagt dan € 272.000. 4Beoordeling van het geschil 4.1. De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt geoordeeld. “ 4.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 4.2. Verweerder heeft verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt op 6 november 2012 door [A], taxateur. In dit taxatierapport is de waarde van de woning getaxeerd op € 283.000. Naast gegevens van de woning, bevat dit taxatierapport gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten. 4.3. De in het taxatierapport van verweerder genoemde vergelijkingsobjecten - daaronder begrepen de door eiser genoemde objecten [a-laan 2] en [a-laan 3] - zijn rond de waardepeildatum verkocht en wat type, ligging, uitvoering en omvang betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. 4.4. Weliswaar vertonen de vergelijkingsobjecten verschillen met de woning, maar verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen, met name de grootte, de uitvoering en de onderhoudstoestand, voldoende rekening is gehouden. Zo hebben alle vergelijkingsobjecten een opbouw. De gemiddelde m²-prijs van de woning is gelijk aan die van de in dezelfde straat gelegen vergelijkingsobjecten, en de gemiddelde m³-prijs is lager dan die van de vergelijkingsobjecten, in het bijzonder van het vergelijkingsobject [a-laan 3], welk object een kleinere inhoud dan de woning heeft, met een volgens eiser zelfde uitvoeringsniveau als de woning en 10 maanden na de waardepeildatum in een dalende markt is verkocht voor een hogere prijs dan de WOZ-waarde van de woning. Met de bovengemiddelde staat van onderhoud van [a-laan 2] is naar het oordeel van de rechtbank voldoende tot uitdrukking gekomen in de hogere gemiddelde m³-prijs welke verweerder voor dit object heeft gehanteerd. Daarom kan niet worden gezegd dat de aan de woning toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Met het hiervoor vermelde taxatierapport heeft verweerder aan de op hem rustende bewijslast voldaan. 4.5. Nu in het taxatierapport van verweerder de door eiser genoemde objecten [a-laan 2] en [a-laan 3] worden gebruikt om de door verweerder voorgestane waarde te onderbouwen, en de overige door de taxateur van eiser in zijn taxatierapport genoemde vergelijkingsobjecten te ver voor de waardepeildatum zijn verkocht om de waarde van de woning te kunnen ondersteunen, kent de rechtbank een grotere bewijskracht toe aan het taxatierapport van verweerder dan dat van eiser. 4.6. De stelling van eiser dat het hem niet duidelijk is hoe verweerder bij de waardering rekening houdt met de onderlinge verschillen in de staat van onderhoud en andere waardebepalende factoren tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, miskent dat deze factoren slechts onderdelen zijn van de waardeopbouw en het bij de WOZ-waardering gaat om de totale waarde van de woning waarbij aan de diverse afzonderlijke onderdelen en waarderingsfactoren geen eigen, zelfstandige, waarde kan worden toegekend. 4.7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.” 4.2. Ingevolge artikel 17, tweede lid van de Wet WOZ dient de waarde te worden bepaald op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zin besteed. Het is aan de heffings-ambtenaar te bewijzen dat de door hem vastgestelde waarde in overeenstemming is met, dan wel niet hoger is dan, deze waarde op de waardepeildatum 1 januari 2011. 4.3. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde van de woning onder meer verwezen naar een door de taxateur opgesteld taxatierapport van 6 november 2012 waarin ter onderbouwing van de waarde aansluiting is gezocht bij verkoopgegevens van drie vergelijkingsobjecten, waaronder de woningen [a-laan 2] en [a-laan 3]. In het taxatierapport worden de WOZ-waarde van de woning, alsmede de – rond de waardepeildatum gerealiseerde – verkoopprijzen van de drie vergelijkingsobjecten ontleed in diverse waardebepalende factoren zoals inhoud van de opstal, perceeeloppervlak en bijgebouwen. Hieruit blijkt dat voor de woningen [a-laan 4] is uitgegaan van gelijke waarden voor het perceel en dat als waarde per m³ van het hoofdgebouw voor de nummers [a-laan 1], [a-laan 2] en [a-laan 3], respectievelijk € 504, € 520 en € 528 in aanmerking is genomen, bij een inhoud van respectievelijk 419m³ 392m³ en 367m³. Voorts is in het taxatierapport over de staat van onderhoud vermeld: - de woning: in voldoende staat; - [a-laan 2]: goed en onder “opmerkingen”: bovengemiddelde staat bij verkoop; - [a-laan 3]: voldoende en onder opmerkingen: “gemiddelde staat bij verkoop; 4.4. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van de door hem bepleite waarde overgelegd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.