arrest ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team II zaaknummer : 200.133.064/01 zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : CV 12-22892 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 november 2014 inzake [APPELLANTE] , wonend te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. Q.A.L.M. Gijsbers te Amsterdam, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid V&D B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. J.D. Uding te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna respectievelijk [appellante] en V&D genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 1 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, kamer voor kantonzaken, hierna ‘de kantonrechter’, van 28 februari 2013, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als eiseres en V&D als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis; - memorie van antwoord. [appellante] heeft bij de memorie van grieven haar eis vermeerderd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vermeerderde vorderingen zoals aan het slot van de memorie van grieven vermeld zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. V&D heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [appellante] zoals in hoger beroep luidend, met beslissing over de proceskosten. V&D heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden. Ten slotte is arrest gevraagd. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 tot en met 6 de feiten vastgesteld die hij in deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover [appellante] met de grieven I en II opkomt tegen hetgeen de kantonrechter daarbij onder 5 en 6 heeft vermeld, zal het hof dit hierna, bij de beoordeling van het hoger beroep, voor zover daarvoor van belang, in zijn overwegingen betrekken. Voor het overige bestaat over de juistheid van de door de kantonrechter vastgestelde feiten geen geschil, zodat in zoverre ook het hof van die feiten zal uitgaan. 3Beoordeling 3.1. V&D drijft een onderneming die in verschillende gemeenten in Nederland warenhuizen exploiteert. [appellante] is op 13 oktober 1992 in dienst getreden van een rechtsvoorganger van V&D in de functie van ‘verkoopmedewerker’. Zij is sindsdien onafgebroken in dienst gebleven van die rechtsvoorganger en, aansluitend, van V&D. Vanaf haar indiensttreding is zij werkzaam in het warenhuis van V&D dat is gelegen in het centrum van ’s-Gravenhage. 3.2. [appellante] heeft op enig moment gezondheidsproblemen gekregen die haar feitelijk beperk(t)en in haar mogelijkheden om werkzaamheden staand of lopend te verrichten. Naar aanleiding hiervan heeft V&D [appellante], met haar instemming, vanaf een datum in september 2005 tewerkgesteld op de afdeling klantenservice van het hierboven genoemde warenhuis. Op die afdeling kon zij zittend werkzaam zijn. In een brief van 29 september 2005 heeft V&D aan [appellante] uitgelegd wat V&D van een medewerker klantenservice verwachtte en welke eisen zij daartoe stelde aan ‘medewerkers die de Klantenservice bemannen’. 3.3. In 2011 heeft in het betrokken warenhuis een verbouwing plaatsgevonden, waarbij zowel de fysieke inrichting van de afdeling klantenservice als de bedrijfsmatige opzet van de dienstverlening aan klanten door op die afdeling werkzame personen is gewijzigd. In het kader van deze wijzigingen heeft V&D de mogelijkheid om op de genoemde afdeling zittend werkzaamheden te verrichten, laten vervallen. [appellante] kreeg hierdoor ter plekke geen zitmogelijkheid meer. Zij is vervolgens vanaf begin 2012, tegen haar zin, tewerkgesteld op de afdeling herenmode. Daar is voor haar achter een kassa een stoel met bijbehorende voetensteun geplaatst en rekent zij, onder meer, door klanten van V&D gekochte kleding af. 3.4. In de loop van de tijd heeft de indeling van functies van in de warenhuizen van V&D werkzame personen veranderingen ondergaan. Vanaf 7 oktober 2008 heeft V&D [appellante], binnen het kader van de met ingang van die maand gewijzigde, schriftelijk vastgelegde (en blijkens productie 2 bij de conclusie van antwoord in de cao van V&D opgenomen) functie-indeling, aangemerkt als ‘verkoopadviseur B’. Bij deze functie behoort een bepaald profiel, waarin de door de betrokken werknemer te verrichten taken zijn omschreven. [appellante] is als ‘verkoopadviseur B’ ingeschaald en ontvangt het bijbehorende loon. De genoemde functie-indeling van V&D en de daarbij behorende profielen maken geen melding van een ‘medewerker klantenservice’. 3.5. Met uitzondering van het antwoord op de vragen in welke functie [appellante] thans in dienst van V&D is en of de gewijzigde opzet van de afdeling klantenservice in het onder 3.1 genoemde warenhuis een zitmogelijkheid voor [appellante] uitsluit, staan de hierboven weergegeven feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vast. Tegen de achtergrond van die feiten heeft [appellante] V&D verzocht haar opnieuw te werk te stellen op de afdeling klantenservice en haar daar een zitmogelijkheid te bieden. V&D heeft dit verzoek niet ingewilligd. 3.6. Daarop heeft [appellante] V&D in rechte betrokken. Na vermeerdering van eis in hoger beroep vordert zij primair de veroordeling van V&D om haar te werk te stellen in de functie van ‘medewerker klantenservice’ en haar bij de uitoefening van die functie een zitmogelijkheid te verschaffen. Subsidiair vordert [appellante] dat wordt bepaald dat haar tewerkstelling op de afdeling herenmode, zoals onder 3.3 vermeld, in de gegeven omstandigheden niet passend is en dat V&D wordt veroordeeld haar te werk te stellen op de afdeling backoffice. Beide vorderingen zijn ingesteld op straffe van verbeurte van een dwangsom en zijn nader omschreven aan het slot van de memorie van grieven. 3.7. In eerste aanleg was uitsluitend de primaire vordering aan de orde. Deze is bij het bestreden vonnis afgewezen. Tegen dit oordeel en de daartoe leidende overwegingen komt [appellante] in hoger beroep op met zeven grieven. De grieven strekken mede tot toewijzing van de vermeerderde vorderingen, zoals hierboven samengevat. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De grieven, in onderlinge samenhang, stellen in het bijzonder aan de orde (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.